Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

MARKUS 2 : 5 – 7

DAG 39

LEZEN: MARKUS 2 : 1 – 12

THEMA: Wie kan zonden vergeven?

(HSV) [5] En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. [6] En er zaten daar enigen van de schriftgeleerden, en die overlegden in hun hart: [7] Waarom spreekt Deze op die manier godslasteringen? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

(BGT) [5] Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ [6] Er zaten een paar wetsleraren tussen de mensen. Die dachten bij zichzelf: [7] Zoiets mag hij helemaal niet zeggen! Hij beledigt God. Alleen God kan de zonden van mensen vergeven!

Aantekening

Markus 2 : 5 – 7  hun geloof. ‘Hun’ slaat uiteraard op de vrienden die de verlamde bij Jezus brengen, maar mogelijk tevens op de verlamde zelf (zie aantekening bij Jakobus[1] 5:15). uw zonden zijn u vergevenEen profeet in het Oude Testament kon zeggen: ‘De Heere heeft uw zonde weggenomen’ (2 Samuël 12:13), maar Jezus treedt op als Iemand Die rechtstreeks zonden kan vergeven, zoals God alleen kan doen. De tegenstanders concluderen dat Hij schuldig is aan godslasteringen. Hierop staat de doodstraf (Leviticus 24:10-23; Numeri 15:30-31; zie Markus 14:62-64).

Geloof wordt beantwoord      Markus 2 : 1 – 12      (Uit de Mannen Bijbel)

Vastberadenheid en creativiteit. Dat zien we bij de vier mannen die een verlamde meedragen. Op een normale manier bij Jezus komen gaat niet, dan maar via het dak. Ze maken een gat – waarschijnlijk in het dak van het huis waar Jezus logeerde (zie Markus 2:1)! Dat is ongehoord, en gedurfd, want ze willen geen boze eigenaar.

Als Jezus de verlamde voor Zich heeft, kijkt Hij omhoog, en ziet geen opengebroken dak. Hij ziet het geloof in de ogen van de mannen die naar beneden kijken. Dat verklaart veel. Hun vastberadenheid en creativiteit worden gevoed door het besef dat hun vriend bij Jezus moet zijn. Ogenschijnlijke barrières kunnen hen niet tegenhouden. Geloven betekent voor hen ook dat zij verantwoordelijkheid nemen voor het kapotte dak en de ergernis van neervallend gruis. In hun relatie met Jezus is er iets dat veel belangrijker voor hen is: ze vertrouwen op genezing voor hun vriend.

Jezus beantwoordt hun geloof. Hij spreekt geen woord over materiële schade. Hij ziet zelfs niet eerst een verlamde man, maar een zoon die vergeving nodig heeft van zijn zonden. ‘Toen Jezus hun geloof zag’ (vers 5) – een zin om te onderstrepen. Jouw geloof kan ook voor een ander veel betekenen!

(Uit de verwijs Bijbel)  De verwijzingen bij vers 7 van Markus 2

Psalm 32: [5] Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.

Jesaja 43: [25] Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf, en aan uw zonden denk Ik niet.

Vergeving           Markus 2 : 1 – 13         (Uit de Vrouwen bijbel)

Voor ons lijkt het dat de verlamdheid het grootste probleem is in het leven van deze man. Er is echter nog een veel ernstiger probleem tussen God en ons mensen: onze zonde. Daar komt Jezus ons van verlossen. Hij wil niet alleen ziekte wegnemen, maar ook vergeving van zonde schenken. Zonde die ons terneerdrukt. Wanneer je dat door het geloof ontvangt, ga je God verheerlijken (vers 12)!    


[1]  Aantekening: Jakobus 5: 15 het gelovig gebed. Jakobus doelt hier niet op het geloof van de zieke. Christenen die ziek zijn, vinden het persoonlijk gebed vaak moeilijk. Jakobus geeft de zieke slechts de opdracht om de ouderlingen te roepen. Het zijn met name de ouderlingen die Jakobus aanspoort om in geloof en vertrouwen voor de zieke te bidden. zal … behouden  (Grieks sözö) heeft een dubbele betekenis: (1) de zieke zal lichamelijk worden genezen, en/of (2) de zieke kan ook geestelijke verlossing ervaren of groei in de zegeningen van het heil (zonden … vergeven). Zoals te zien is in de evangeliën genas Jezus zowel lichamelijk als geestelijk en dezelfde dubbele betekenis kan ook hier van toepassing zijn. Jakobus leert niet dat alle zieken genezen als zij maar een beroep zouden doen op de ouderlingen, proberen om een toereikend geloof te grijpen, of met voldoende overtuiging te bidden. Als er inderdaad genezing komt, is dit altijd een gave van God Die soeverein is over alle omstandigheden, met inbegrip van ziekte en gezondheid. Het is dus niet zo dat het uitblijven van genezing gelegen is in gebrek aan geloof bij de zieke. (Over de gaven van geloof en genezing zie 1 Korinthe 12: 9 *.) Sommige exegeten denken niet zozeer dat Jakobus verwijst naar lichamelijke genezing, als wel naar de belofte van de opstanding. ’als hij zonden heeft begaan’ houdt in dat niet alle ziekte samenhangt met specifieke zonden, hoewel Jakobus lijkt te verwachten dat dit soms wel het geval is (vgl. 1 Korinthe 11:30).

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

MARKUS 1 : 41 – 42

DAG 38

LEZEN: MARKUS 1 : 35 – 45

THEMA: Beterschap!

(HSV) [41] En Jezus, innerlijk met ontferming bewogen, stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei tegen hem: Ik wil het, word gereinigd! [42] En toen Hij dit gezegd had, week de melaatsheid meteen van hem, en hij werd gereinigd.

(BGT) [41] Jezus had medelijden met de man. Hij raakte hem aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’  [42] Meteen werd de man beter. Zijn huidziekte was weg.

Aantekening

Markus 1 : 41 -42  raakte hem aanJezus’ liefde, ontferming en macht zijn zodanig dat door Zijn aanraking de melaatse wordt gereinigdin plaats dat Hijzelf onrein wordt.

MARKUS

Het Evangelie naar Markus is naar alle waarschijnlijkheid het oudste evangelie dat we bezitten. Bij Markus valt niet zozeer de verheven grootheid op, die ons trof in voorafgaande evangelie (Mattheüs), met name in de toespraken van Jezus. Eerder maakt het evangelie van Markus op ons de indruk van een vertelling, die persoonlijke herinneringen op eenvoudige wijze wil doorgeven.

Schrijver: Prof. dr. R. Bart zegt over de schrijver van het Evangelie: ‘De schrijver van het boek vindt men aangeduid in een kleine episode hfst. 14: 51, 52, waar men leest:

“En een jonge man, die een laken om het naakte lichaam geslagen had, liep mede, Hem achterna, en zij grepen hem. Maar hij liet het laken in hun handen en nam naakt de vlucht.”

Deze gebeurtenis heeft met de rest van het verhaal van Getsemane een zo geringe samenhang, dat het vrijwel zeker een persoonlijke herinnering van de schrijver is. Men heeft het wel vergeleken met de signatuur die de schilder ergens in de hoek van zijn schilderij aanbrengt. De schrijver is dan dus niet een van ‘de twaalf’, maar wel zal hij de lijdensgeschiedenis in Jeruzalem meegemaakt hebben.

De oudkerkelijke overlevering wijst Markus met als tweede naam: Johannes, eenstemmig aan als de schrijver. (Johannes was zijn Joodse, Markus zijn Latijnse naam). Hij was de zoon van een zekere Maria; in haar huis kwamen de leidende figuren van de vroegste gemeente bijeen (Handelingen 12:12). Hij was de neef van Barnabas (Kolossenzen 4:10) en evenals deze waarschijnlijk van geboorte Leviet. Barnabas en Paulus namen hem met zich mee, toen ze de liefdegaven van de gemeente van Antiochië naar Jeruzalem moesten brengen (Handelingen 11:29, 30; 12:25). Op hun eerste zendingreis heeft Markus hen vergezeld. Maar de gebeurtenis in Getsemane herhaalde zich: toen de zendelingen van Cyprus overstaken naar Klein-Azië en het land introkken via het ruige gebergte van Pisidië en Isaurië, toen verliet Markus hen en ging terug naar Jeruzalem (Handelingen 13:5, 13). Daarmee werd hij de oorzaak van het uiteengaan van Paulus en Barnabas (Handelingen 15:37). Ongeveer tien jaar later echter treffen we Markus weer aan onder Paulus’ medewerkers, en geeft deze van hem een uitstekende getuigenis (Filemon 24; Kolossenzen 4:10). Een laatste gegeven over de relatie tussen Paulus en Markus vinden we in 2 Timotheüs 4:11, waar Paulus aan Timotheüs vraagt om vooral Markus mee te nemen naar Rome. Als Markus gehoor heeft gegeven aan die uitnodiging, dan zal hij omstreeks 63/64 naar Rome zijn gekomen. Tussen de eerste en de tweede gevangenschap van Paulus schijnt hij de naaste medewerker van Petrus te zijn geweest. Hij was ook bij Petrus, toe deze (hoogstwaarschijnlijk vanuit Rome) zijn eerste brief schreef (1 Petrus 5:13).

Bestemming  Uit de inhoud van het boek blijkt duidelijk, dat het bestemd is voor lezers die niet vertrouwd zijn met de Joodse zeden en gebruiken, omdat deze hun blijkbaar uitgelegd moeten worden.

Ontstaan  Markus was niet rechtstreeks een leerling van Jezus geweest: dus was hij van de meeste berichten die hij doorgaf geen ooggetuige. Uit welke bron heeft hij zijn rijke informatie kunnen putten? Uit de beste bron die er te vinden was: het getuigenis van Petrus zelf, wiens geestelijke zoon en medewerker hij was.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

PSALM 83 : 17 – 19 

DAG 37

LEZEN: PSALM 83

THEMA: Strijdlied

(HSV) [17] Bedek hun gezicht met schande, dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken. [18] Laten zij beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid, laten zij rood van schaamte worden en omkomen. [19] Dan zullen zij weten, dat U – Uw Naam is HEERE! – U alleen de Allerhoogste bent over de hele aarde.

(BGT) [17] Heer, zorg dat ze de strijd verliezen. Dan zullen ze hulp zoeken bij u! [18] Maak ze bang, laat ze vluchten. Zorg dat ze vernederd worden, laat ze voor altijd verdwijnen. [19] Dan zullen ze weten dat u de Heer bent, de allerhoogste God op aarde, u alleen!

Aantekening

Psalm 83 : 17 – 19  Vers 17-19 maakt iets Expliciet dat in de psalmen vaak alleen impliciet wordt gevraagd voor zulke overwinningen: het doel van het vragen om hun ondergang is dat zij Uw Naamzullen zoeken (hun bekering tot de ware God) of op z’n minst dat zij zullen weten dat … U alleen de Allerhoogste bent over de hele aarde (dat kan bekering zijn, maar ook eenvoudigweg de erkenning dat de God van Israël de hoogste macht is, een erkenning die niet genoeg is voor ware bekering). De uiteindelijke bestaansreden voor Israël is dienstbaar te zijn aan Gods plan om de ware eredienst en de oorspronkelijke mens te herstellen onder heel de mensheid. Het is daarom in het belang van deze vijandige heidenen dat het hun niet lukt om Israël uit te roeien (vers 5). De oprechte afhankelijkheid van God, tot uitdrukking gebracht in dit gebed, is daarom zowel toewijding aan God als welwillendheid tegenover heel de mensheid.

Bidden voor de vijand  Psalm 83 : 5-6, 17-19    (Uit de Vrouwen Bijbel)

Asaf vraagt de Heere om af te rekenen met de vijanden van Israël die op Israëls totale vernietiging uit zijn. Dat klinkt heftig, is er geen andere weg? Gaat het om wraak? Nee, dat is niet het doel, hij hoopt dat de tegenstanders God erkennen als ‘de allerhoogste’. En toch: Jezus ging de weg van het zegenen van Zijn vijanden. Dat leidde tot Zijn kruisdood. Onder het kruis gingen Zijn vijanden inzien dat Hij de allerhoogste Heere is.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

DEUTERONOMIUM 20:16-18 

DAG 36

LEZEN: DEUTERONOMIUM 20 : 11 – 22

THEMA: Om gruwelijkheden te voorkomen …

(HSV) [16] Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, [1]mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten. [17] Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, [18] opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.

(BGT)      [16] Stel dat jullie een stad aanvallen binnen het gebied dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Dan mogen jullie niemand in leven laten.  [17] Dat is een bevel van de Heer, jullie God. Jullie moeten alle inwoners doden: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.  [18] Want zij doen afschuwelijke dingen voor hun goden. De Heer wil niet dat jullie hun gewoontes overnemen. Hij wil niet dat jullie hem ontrouw worden.

Aantekening

Deuteronomium 20 : 16 – 18  Deze verzen gaan over steden binnen de grenzen van het Beloofde Land en gaan er waarschijnlijk van uit dat deze steden het aanbod om zich over te geven hebben geweigerd. Israël gaat in deze gevallen veel drastischer te werk, zij mogen helemaal niets wat adem heeft, in leven laten (vers 16). Hen volledig met de ban slaan (vers 17) is de erkenning van de gedachte dat God de Overwinnaar is en dat de oorlogsbuit van Hem is (zie Deuteronomium 2:34-35; 7:2). Het wijst ook vooruit naar het laatste oordeel (zie [2]Inleiding op Jozua: Het uitroeien van de Kanaänieten). Zo’n onverbiddelijk dreigement zou kunnen werken als aanmoediging tot overgave in plaats van verzet. De toepassing van deze principes door Jozua stelde deze heidense volken in de gelegenheid om zich over te geven en in leven te blijven (Jozua 6:22-25; 9:26-27). Voor de volken die Deuteronomium 20:17 noemt, vgl. Deuteronomium 7:1. Met heidense volken samenwonen in het Beloofde Land maakt Israël er ontvankelijk voor om ook zulke gruwelijke dingen te gaan doen, zowel afgoderij als zedeloosheid. Zie Deuteronomium 7:2-4; en 8:9-14.


[1]  Numeri 33:[52] dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.

   Deuteronomium 7:[1] Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw ogen verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,

     [2] en wanneer de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.

[2]  Inleiding op Jozua ‘Het uitroeien van de Kanaänieten (blz. 365 ‘Studie Bijbel’ Herziene Statenvertaling). Het verslag in Jozua zadelt de fijngevoelige lezer op met een reëel probleem, namelijk de grootschalige uitroeiing van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, zodat het land door het volk Israël bezet kon worden. Waarom had Israël oom maar enig recht om dat land in te nemen? Hoe is het mogelijk dat God de mensen die tegen hen in opstand kwamen om hun eigenland te beschermen, niet wilde sparen? Is dit een vorm van barbaars gedrag dat God in het Oude Testament toestond, maar nu in het Nieuwe Testament verbiedt?

   Mensen die vijandig tegenover de Bijbel staan, hebben aanmerkingen op het oude Israël vanwege hun ‘etnische zuivering’, en dit is tevens voor veel fijngevoelige christenen een groot probleem. Voor een diepgaande behandeling van dit onderwerp zou een uitgebreider verhandeling nodig zijn, maar de punten die hieronder worden genoemd, kunnen worden gebruikt worden als aanzet tot verdere reflectie.

   We moeten allereerst erkennen dat de vragen legitiem zijn. Het is terecht dat christenen dergelijk gedrag in andere omstandigheden afkeuren, en het is in onze tijd niet gerechtvaardigd dat de ene natie de andere natie uitroeit om haar land in te nemen. Maar de opdracht die Israël kreeg, heeft bijzondere kenmerken die de opdracht uniek maken (en dus niet bedoeld tot navolging) en die het mogelijk maken de opdracht in een moreel kader te zien. Deze opdracht ligt ten grondslag aan de gedetailleerde weergave van de roeping van Mozes in Exodus (Exodus 3:1 – 4:17; vgl. Numeri 12:1-5): God heeft Mozes uitgekozen om Zijn volk de wet te geven, en de geboden die door Mozes werden doorgegeven, komen voort uit Gods eigen gedachten (vgl. Deuteronomium 18:15-20). Gelovigen accepteren dat Mozes is aangesteld om Gods wil te spreken. Zonder dit mandaat van God, doorgeven via Mozes, zou Israël geen recht hebben op het land.

   Een tweede punt dat duidelijk gemaakt moet worden, is het volgende: in de Pentateuch worden wetten over oorlogvoering uiteengezet, en er wordt onderscheid gemaakt tussen gevechten tegen steden buiten het Beloofde Land (Deuteronomium 20:10-15) en gevechten tegen steden binnen het land (Deuteronomium 20:16-18). Alleen in het laatste geval wordt er van Israël verlangd om niemand te sparen (‘u moet hen volledig met de ban slaan’); zie aantekening bij Deuteronomium 20:1-20 en 20:16-18. De wet lijkt onvoorwaardelijk en onverbiddelijk te zijn. Met dit in gedachten kunnen we uiteenzetten waarom dit gebod geen onoverkomelijk ‘probleem’ is.

  • Het is een fundamentele oudtestamentische opvatting dat de Heere, de God van Israël, de Schepper is van alles wat er is, en dat het land daarom Zijn eigendom is. Hij heeft recht om gebieden te verdelen overeenkomstig Zijn volmaakt en heilige wil (vgl. Exodus 19:5; Psalm 24:1). Hij is de Schepper van het universum en daarom is Hij ook de Rechter van het universum. Alle mensen zijn Hem verantwoording schuldig: vgl. Genesis 6:8 (het verhaal van de zondvloed heeft betrekking op allerlei volken); Genesis 11:1-9 (de torenbouw van Babel); Exodus 12:12 (het oordeel over de goden van Egypte); de profetische Godsspraken over de heidenvolken. (*) Het Nieuwe Testament deelt deze fundamentele gedachte: vgl. Handelingen 14:15-16; 17:24-31. Dit houdt in dat God het onbetwistbare recht heeft op het land van Kanaän, en dat Hij het recht heeft om de Kanaänieten te oordelen voor hun morele staat en handelen.
  • Omdat alle mensen zondig zijn, vallen ze allemaal terecht onder Gods oordeel. De Pentateuch biedt een moreel motief voor de uitroeiing van de Kanaänieten en ziet het als het Goddelijk oordeel over hun zonden (vgl. Leviticus 18:24-30; Deuteronomium 9:5). Deze maatregel tegen deze volken is dan een uiting van Gods oordeel over hen, met Israël als instrument. Dit oordeel laat aan de hele wereld het wezen van God zien, ter lering (deze duidelijke boodschap is zelf deel van de zegen die Israël aan de hele wereld zal brengen). Het is nog niet helemaal duidelijk hoe dit zal gebeuren, maar degenen die trouw blijven, zullen met god samenwerken in het uitvoeren van het laatste oordeel (1 Korinthe 6:2; vgl. Psalm 149:6-7). De rol die Israël speelt in het brengen van het oordeel over de Kanaänieten is eveneens een voorafschaduwing van die grote verantwoordelijkheid. (*Jozua 6:17)  Het oordeel van God tolereert geen dubbele moraal. Zijn keuze voor Israël is niet gebaseerd op enige verdiensten van hun kant (Deuteronomium 7:6-9), en Hij roept het volk op om Zijn liefde trouw te aanvaarden. Ontrouw zal leiden tot oordeel over Israël zelf, of het nu gaat om het individu (Exodus 22:20) of om heel het volk (Jozua 7:11-12; Maleachi 4:6; vgl. Leviticus 18:28). Dit kan geen ‘etnische zuivering’ genoemd worden, omdat het om een rechtvaardige behandeling gaat, waarbij etniciteit geen rol speelt.
  • Verder maakt het verbond bij de Sinaï van Israël een ‘theocratie’, een unieke combinatie van wat nu ‘kerk’ en ‘staat’ wordt genoemd. Deel uitmaken van het volk van God is zowel een politieke als religieuze zaak, en daarom hebben ‘burgers’ de verplichting om zich trouw aan het verbond te houden. Zij die onmiskenbaar overtredingen begaan, moeten worden verwijderd (bv. Deuteronomium 13:5; 17:7; enz.). Als Israël zou toestaan dat verstokte Kanaänieten in het land bleven, zouden die het hele volk meetrekken in afgoderij, ongerechtigheid en kwaad (bv. Deuteronomium 7:4; 12:29-31). Helaas is dat exact wat er gebeurde. Christenen mogen dergelijke oorlogen niet voeren, want het volk van God staat niet langer gelijk aan een bepaalde volksstaat.
  • Ten slotte: de wetten over de vernietiging van de Kanaänieten zijn compromisloos en onvoorwaardelijk geformuleerd (overeenkomstig de retoriek van veroveringsverslagen van het oude Nabije Oosten, die dergelijke ongekwalificeerde uitspraken toestaat). Echter, de manier waarop Israël deze wetten toepaste, bood blijkbaar ruimte voor sommige Kanaänieten om zich over te leveren en te overleven, vooral wanneer ze geloof in de enige ware God beleden (*Jozua 2:9 over Rachab en heel haar familie; (*Jozua 9:1-27 voor de Gibeonieten; vgl. Jozua 11:19). Dit betekent dat deze wetten niet onverbiddelijk waren, hoewel ze dat schenen te zijn. Ze staan het maken van uitzonderingen toe. Dit toont opnieuw aan dat de opdracht die aan Israël werd gegeven, strikt gezien niets te maken had met ‘etnische zuivering’, want etniciteit is niet de beweging tot het handelen.

Deze factoren – Gods recht om het land toe te wijzen en de wereld volmaakt rechtvaardig te oordelen: de noodzaak om de zuiverheid van de Israëlitische theocratie te bewaren; en de bepalingen waardoor zelfs Kanaänieten konden worden gered – illustreren de rechtvaardigheid die achter deze bepalingen schuilgaat. Tegelijkertijd is het ook duidelijk dat de praktijken die bekendstaan als genocide en etnische zuivering werkelijk slecht zijn, en dat de Israëlieten niet de opdracht daartoe kregen. Deze factoren waren een uniek onderdeel van de missie van Israël. Vandaag de dag heeft niemand het recht om deze factoren te misbruiken als een vrijbrief om onrechtvaardigheid te steunen.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

DEUTERONOMIUM 20:8 

DAG 35

LEZEN: DEUTERONOMIUM 20 : 1 – 9

THEMA: Strijdvaardig, niet strijdlustig

(HSV) [8] Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: [1]Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart.

(BGT) [8] De legerleiders moeten ook vragen: ‘Is er iemand die zo bang is dat hij niet durft te vechten? Dan mag hij teruggaan naar huis. Want anders durven de andere soldaten ook niet te vechten.’

Aantekening

Deuteronomium 20 : 8  Er is een vierde vrijstelling van militaire dienst: voor degene die bevreesd is, en week van hart (vgl. het leger van Gideon in Richteren 7:2-3). Psychologisch gezien zou angst besmettelijk kunnen zijn voor de rest van het leger. Belangrijker is evenwel dat angst een gebrek aan vertrouwen op God is. God laat zulke ongehoorzame soldaten niet meedoen aan de strijd.


[1]  Richteren 7:[3] Welnu, roep toch ten aanhoren van het volk: Laat wie bevreesd is en beeft, terugkeren en zich naar het gebergte van Gilead haasten! Toen keerden er uit het volk tweeëntwintigduizend man terug, zodat er tienduizend overbleven.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

DEUTERONOMIUM 19:21 

DAG 34

LEZEN: DEUTERONOMIUM 19 : 11 – 21

THEMA: Oog om oog, tand om tand

(HSV) [21] Laat uw oog hem niet ontzien: [1]leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

(BGT) [21] Je mag geen medelijden hebben met die getuige. Misschien wilde hij dat de ander een oog of een tand zou verliezen, of een hand of een voet. Of misschien zelfs zijn leven. Geef hem de straf die hij de ander had willen geven.’

Aantekening

Deuteronomium 19 : 21  Laat uw oog hem niet ontzien. Zie Deuteronomium 13:8. leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voetDeze uitdrukking gaat verder op het idee dat de straf voor een valse getuige dezelfde is als de straf die aan de beschuldigde opgelegd zou zijn (Deuteronomium 19:19) en maakt de straf evenredig aan de misdaad. Zie Exodus 21:23-25 en Mattheüs 5:38. Men mag niet meerdere keren wraak nemen (vgl. Lamech, Genesis 4:24).


[1]  Exodus 21:[23] Maar als er wel dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven,

   Leviticus 24:[20] breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij de ander letsel heeft toegebracht, moet hem hetzelfde toegebracht worden.

   Mattheüs 5:[38] U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

DEUTERONOMIUM 19:1-3 

DAG 33

LEZEN: DEUTERONOMIUM 19 : 1 – 10

THEMA: Uitwijkmogelijkheid

(HSV) [1] Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont, [2] [1]dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen. [3] U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.

(BGT) [1] Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, jullie komen straks in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. De volken die daar wonen, zal hij doden. Jullie kunnen dan hun akkers in bezit nemen, en gaan wonen in hun steden en huizen. [2-3] Als jullie daar wonen, moeten jullie eerst kijken hoe groot het land is dat de Heer jullie geeft. Dan moeten jullie het land in drie gebieden verdelen. In ieder gebied moet één vluchtstad komen. In zo’n stad ben je veilig als je iemand per ongeluk gedood hebt.

Aantekening

Deuteronomium 19 : 1 – 3  in hun steden en in hun huizen woont. Zie Deuteronomium 6:10-11. De drie steden moeten verspreid in het land liggen, zodat iedereen ze goed kan bereiken. Zie Exodus 21:12-13; en Numeri 35:9-34. Jozua 20:1-9 noemt deze drie vrijsteden bij name: Kedes, Sichem en Hebron.

Vrijplaats           Deuteronomium 19 : 2           (Uit de Vrouwen Bijbel)

Het is een mooie instelling, die vrijsteden die de Heere aanwijst. Misschien ken je wel iemand die zelf zo’n vrijplaats is. Iemand bij wie je altijd terechtkunt en die je in bescherming neemt ondanks je fouten. Of misschien ben je zelf een vrijplaats, en is jouw huis een veilige plek voor iemand die niet in zijn eigen omgeving kan wonen omdat daar onbedoeld zo veel fout is gegaan. Een plek waar iemand niet afgerekend mag worden op zijn fouten.


[1]  Exodus 21:[13] Maar voor het geval dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.

   Numeri 35:[9] De HEERE sprak tot Mozes: enz. t/m vers 34.

   Jozua 20:[2] Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wijs voor uzelf de vrijsteden aan waarover Ik door de dienst van Mozes met u gesproken heb,

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

PSALM 87 : 4 – 6 

DAG 32

LEZEN: PSALM 87

THEMA: Lang leve de vreemdelingen

(HSV) [4] Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen; zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet: die zijn daar geboren. [5] Van Sion wordt gezegd: Man voor man is erin geboren. De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden. [6] De HEERE telt hen erbij, wanneer Hij de volken opschrijft, en zegt: Deze is daar geboren. 

(BGT) [4] Van noord tot zuid, van oost tot west: alle volken horen bij de Heer. Daarom zegt hij: ‘Jullie komen uit Sion.’ [5] Ja, je mag zeggen: ‘Iedereen komt uit Sion. De Allerhoogste maakt Sion sterk.’ [6] Alle volken staan in het boek van de Heer, en bij ieder volk schrijft hij: ‘Ook jullie komen uit Sion.’

Aantekening

Psalm 87 : 4 – 6  Sion, de moederstad van alle soorten mensen. Het tweede gedeelte is verrassend: men verwacht een verwijzing naar wie Mij kennen, maar de lijst is samengesteld uit heidense volken: Rahab (een bijnaam voor Egypte, vgl. Jesaja 30:7), Babel, deFilistijn, de Tyriër (uit Tyrus, een Fenicische stad, cultureel Kanaänitisch), en de Cusjiet uit Nubië, de streek ten zuiden van Egypte, die allemaal in een bepaalde tijd vijanden van Gods volk en de stad Jeruzalem zijn geweest. Nu zal de Allerhoogste Zelf Sion doen standhouden, om het de volken mogelijk te maken te worden behandeld als daar geboren. Wanneer het volk van God deze psalm zingt, houdt het de aandacht gericht op hun door God gegeven bestemming een licht voor de volken te zijn; vgl. de [1]aantekening bij Psalm 86:8-10. Paulus kan het volledige burgerschap van heidenchristenen in het volk van God een ‘geheimenis’ noemen, omdat het in het Oude Testament niet bekendgemaakt was op de manier waarop het aan de apostelen is geopenbaard (Efeze 3:4-6). Maar deze passage wijst stellig in dezelfde richting, vooruitgrijpend op wat komen zal.

Kinderen van één Vader        Psalm 87 : 6        (Uit de Vrouwen Bijbel)

Tijdens de grote feesten kwamen pelgrims naar Jeruzalem. De dichter ziet hen: een bonte stoet van mensen, elk met een eigen achtergrond, elk met een eigen hoop en wanhoop, maar allen op zoek naar God. Wat een wonder dat God elk mens telt! Hoe geef je in de Christelijke gemeente elkaar het gevoel dat iedereen erbij hoort en gezien wordt? 


[1]  Aantekening bij Psalm 86 : 8-10  Deze verzen bewegen zich van: er is niemand U gelijk die waardig is gediend te worden onder de goden (d.w.z. de engelen en andere hemelse wezens), naar: U bent God, U alleen. Dat is de reden dat al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, zullen komen en zich voor Uw aangezicht neerbuigen. Alle mensen (Genesis 12:3) zijn gemaakt om de enige ware God te kennen en lief te hebben. God riep Abraham opdat zijn familie het voertuig zou worden om deze kennis naar de rest van de wereld te brengen. Het Oude Testament ziet vooruit naar een tijdperk waarin dit werkelijk zal gebeuren, en de nieuwtestamentische auteurs stellen dat dit tijdperk is begonnen met de opstanding van Jezus. De woorden van Psalm 86:9 liggen ingebed in een lied in Openbaring 15:4.