Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

1 PETRUS 2 : 15 – 16

DAG 49

LEZEN: 1 PETRUS 2 : 11 – 17

THEMA: Vrijheid

(HSV) [15] Want zo is het de wil van God, [1]dat u door goed te doen het onverstand van de dwaze mensen de mond snoert; [16] [2]als vrije mensen, maar niet alsof u de vrijheid hebt als een dekmantel voor slechtheid, maar als dienstknechten van God.

(BGT) [15-16] Jullie zijn bevrijd van jullie vroegere leven. Maar die vrijheid is geen excuus om je slecht te gedragen. Jullie zijn nu dienaren van God, en hij wil dat jullie goede dingen doen. Misschien stoppen de ongelovigen dan met het vertellen van onzin over jullie.

Aantekening

1 Petrus 2 : 15  de mond snoert. Het godvruchtige leven van de gelovige zal elke valse beschuldiging die tegen hen wordt ingebracht, tot zwijgen brengen.1 Petrus 2 : 16  vrijheid in de Schrift is geen vrijbrief om te zondigen, maar openbaart zich in toewijding aan het goede (vgl. Galaten


[1]  Titus 2:[8] en spreek een gezond woord, boven alle kritiek verheven, zodat de tegenstander beschaamd zal staan en niets kwaads van u te zeggen heeft.

[2]  Johannes 8:[32] en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.

   Romeinen 6:[18] En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.

   Galaten 5:[1] Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

JOËL 2 : 16 

DAG 48

LEZEN: JOËL 2 : 12 – 17

THEMA: Iedereen moet meedoen

(HSV) [16] Verzamel het volk, heilig de gemeente, breng de oudsten bijeen, verzamel de kleine kinderen en de zuigelingen. Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan, de bruid uit haar slaapkamer.

(BGT) [16] Roep alle mensen bij elkaar, ook de oude mensen en alle kleine kinderen. Roep zelfs mensen weg van hun bruiloft! Zorg dat iedereen klaar is om naar de tempel te gaan.

Aantekening

Joël 2 : 16  heilig de gemeente. Zoals in Joël 1:14 moet ieder deel van de godsdienstige gemeente samenkomen om te aanbidden, waarbij zij zich klaarmaken om de Heere aan te roepen tijdens een vasten (Joël 2:15). Zelfs zuigelingen (dus kinderen die nog borstvoeding krijgen) en pasgetrouwden mogen niet wegblijven.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

JOËL 2 : 11 

DAG 47

LEZEN: JOËL 2 : 1 -11

THEMA: Machtsvertoon

(HSV) [11] En de HEERE laat Zijn stem klinken voor Zijn leger uit, want Zijn leger is zeer groot, ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt. Groot is immers de dag van de HEERE en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?

(BGT) [11] De Heer zal komen met zijn leger. Zijn leger is groot en machtig, en het doet alles wat hij wil. Dan zullen de aarde en de hemel beven. Dan geven de zon en de maan geen licht meer, en ook de sterren verliezen hun glans. Als de Heer komt, klinkt het alsof het onweert. De dag dat de Heer komt, zal verschrikkelijk zijn. Niemand zal dan in leven blijven.

Aantekening

Joël 2 : 11  laat Zijn stem klinken. Joël associeert de donder met kosmische gebeurtenissen in vers 10 (vgl. Job 37:4; Psalm 18:14; 77:18; Jeremia 10:13). Zijn leger. De macht die zo’n dreiging en terreur teweegbrengt, staat onder Gods bevel.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

JOËL 1 : 15

DAG 46

LEZEN: JOËL 1 : 15 – 20

THEMA: Verlangen naar de dag van de Heer?

(HSV) [15] Ach, die dag! Ja, de [1]dag van de HEERE is nabij, en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.

(BGT) [15] De dag dat de Heer komt, is dichtbij. Die dag zal verschrikkelijk zijn! De machtige God zorgt voor een tijd van grote rampen.

Aantekening

Joël 1 : 15  de dag van de Heere (zie inleiding: Kernthema’s) is een hoofdthema in Joël. Het kan slaan op de verwoesting door de sprinkhanen in het bijzonder (vers 15) en ook op een laatste rechtvaardiging van God en Zijn volk (Joël 3:18-21). Het kan slaan op een dag van verwoesting en dreiging voor Israël (Joël 2:1, 11), of voor de heidenvolken (Joël 3:14). Maar voor Gods volk staat het ook in verband met Zijn aanwezigheid (Joël 2:27), zegening (Joël 3:18) en verlossing (Joël 2:31-32; 3:16). Voor meer over ‘de dag van de Heere’, zie aantekening bij Amos 5:18-20 en de De dag van de Heere in de Profeten, pagina 1473 (v.d. HSVstudie bijbel). verwoesting … AlmachtigeJoël maakt gebruik van klankrijm met de Hebreeuwse woorden sjod … sjaddai (het Hebreeuws voor Almachtige). Dit sugereert dat de bedoeling ervan zoiets is als ‘verwoesting van de verwoester’. 

Aantekening bij Amos 5:18-20 voor zover bekend is dit in de profeten de eerste keer dat de uitdrukking de dag van de Heere gebruikt wordt. Ze komt ook voor in Jesaja 13:6, 9; Jeremia 46:10; Ezechiël 13:5; 30:3; Joël 1:15; 2:1, 11, 31; 3:14; Obadja vers 15; Zefanja 1:17, 14 en Maleachi 4:5 (zie ook diagram pagina 1473 v.d. HSV Studie Bijbel). Mogelijk was dit in de tijd van Amos een gangbare uitdrukking voor het moment waarop God zou ingrijpen en Israël zou verhogen boven de andere volken (wellicht gebaseerd op Deuteronomium 32:35-37). Amos maakt, net als de profeten na Hem, duidelijk wat het werkelijk inhoudt als de Heere Zijn volk bezoekt. Wanneer zij Hem ontrouw zijn, volgt onverbiddelijk het oordeel. In Amos wijst de uitdrukking dan ook vooruit naar het komende oordeel over het noordelijk rijk, dat ten prooi zal vallen aan de Assyriërs (Amos 5:27). In Zefanja heeft de uitdrukking op het komende oordeel over Juda, dat in de handen zal vallen van Babyloniërs. Andere profeten verwijzen hiermee naar Gods komende bestraffing van andere volken om hun gruweldaden, zoals Babel Jesaja 13:6-9), Egypte (Jeremia 46:10); Edom (Obadja vers 15). In sommige gevallen gebruiken de profeten deze uitdrukking voor iets wat verder in de toekomst ligt Maleachi 4:5; waarschijnlijk in Joël 3:2. Dit alles geeft aan dat de uitdrukking ‘de dag’ niet uniek is, maar in meerdere contexten voor kan komen. Ook in het Nieuwe Testament gebruikt in het licht van de wederkomst van Christus (bv. 1 Korinthe 1:8; 2 Petrus 3:10).

Kernthema’s

  1. Dag van de Heere. Dit is het belangrijkste onderwerp van Joël. De exacte uitdrukking, jom JHWH (Hebreeuws ‘dag van de Heere’), staat 5 keer in Joël (1:15; 2:1, 11, 31; 3:14) en 13 keer in 7 andere profetische boeken (Jesaja 13:6, 9; Jeremia 13:5; 30:3; Amos 5:18-20; Obadja ver 15; Zefanja 1:7, 14; Maleachi 4:5; zie aantekening bij Amos 5:18-20). Andere manieren om te verwijzen naar de ‘dag’ die we vinden door heel de profetische literatuur heen (bv. ‘een dag’, ‘die dagen’, ‘die dag’) gebruikt Joël ook (Joël 2:2; 3:1, 18). Binnen het boek Joël verwijst de ‘dag’ niet alleen naar de dag van het laatste oordeel over de volken (Joël 3:2), maar ook naar het voortdurende oordeel van God over Israël, zowel in het verleden als in de toekomst (Joël 1:15; 2:2, 11), en naar voorbeelden van Zijn tussenkomst tussen Israël en de heidenvolken (Joël 3:1-2;, 12, 14, 16). In ieder geval geeft ‘de dag van de Heere’ een tijd weer waarin de aanwezigheid van de Heere oordeel en/of verlossing en zegeningen brengt, afhankelijk van de omstandigheden (zie aantekening bij Joël 1:15). Daarom, hoewel de ‘dag’ verwoesting van de heidenvolken aankondigt, functioneert hij ook als een tijd van verlossing voor Gods volk. Want de Heere blijft een toevlucht te midden van de chaos van het oordeel (Joël 3:15-16).
  2. Berouw. Als het hele volk zou roepen tot de Heere (Joël 1:13-20) en zich zou bekeren tot Hem – niet alleen met uiterlijk gedrag, maar oprecht, met heel hun wezen (Joël 2:12-13) – kon het oordeel afgewend worden. Maar de Heere is niet gebonden aan wat het volk doet (Joël 2:14). Het is Zijn recht om verwoesting door sprinkhanen over hen te brengen of te doen ophouden (Joël 1:15), net zoals het leger onder Zijn bevel staat (Joël 2:11).
  3. De Heere in hun midden. Natuurlijk is het van crusiaal belang dat het volk een levend geloof en berouw heeft. Toch verandert de Heere het oordeel in zegening, alleen al om te laten zien dat Hij trouw is aan het verbond (Joël 2:13, 18-26; 3:18). Zijn belofte om te midden van Zijn volk te wonen staat niet alleen op de voorgrond in Joël (Joël 2:27; 3:17, 21), maar ook door heel het Oude Testament heen (Numeri 35:34; Deuteronomium 6:15; 7:21; Jesaja 12:6; Hosea 11:9; Zefanja 3:15, 17; Zacharia 2:10-11; 8:3) Gods herstel van wat de sprinkhanen verwoest hebben (Joël 2:27) en Zijn bescherming van Israël als hemel en aarde beven (Joël 3:16-17), hebben hetzelfde doel: Zijn aanwezigheid bekendmaken. Dit onderwerp besluit het boek (Joël 3:21), en legt de nadruk op het belang ervan voor Joël.
  4. Deze onderwerpen – de dag van de Heere, berouw, en God Die te midden van Zijn volk woont – komen samen in de belofte dat de Geest in de toekomst uitgestort zal worden (Joël 2:28-32). Deze uitstorting wordt in verband gebracht met de dag van de Heere (Joël 2:31), zowel waar het om oordeel gaat (Joël 2:30-31; vgl. 2:10; 3:15) als om behoud (Joël 2:32). Het houdt verband met berouw in die zin dat zij die behouden worden degenen zijn die ‘de Naam van de Heere’ aanroepen (Joël 2:32). Ten slotte is de gave van de Geest, Die geen rekening houdt met grenzen van geslacht, generatie, sociale klasse of nationaliteit, het essentiële bewijs dat God ‘in hun midden’ is (Jesaja 63:11; zie Jesaja 2:6).                                                                                                                                                                 
De dag van de HEERE 
Jesaja 13:6, 9Gebruikmakend van een beeld van een strijd verwijst ‘de dag van de Heere’ naar het oordeel over Babel en wordt verbolgenheid en toorn beloofd (zie 2:12; 34:8).
Jeremia 46:10Gebruikmakend van een beeld van een verslindend zwaard verwijst ‘de dag van de Heere, de Heere van de legermachten’ naar het oordeel over Egypte en wordt de wraak van de Heere beloofd.
Ezechiël 13:5; 30:3Valse profeten hebben Israël niet voorbereid op ‘de dag van de Heere’ (13:5), die later voorgesteld als een ‘dag van wolken’ en ‘de tijd van heidenvolken’. 
Joël 1:15; 2:1, 11, 31; 3:14Op diverse manieren gebruikt brengt ‘de dag van de Heere’ een sprinhanenplaag, oordeel over Israël en de heidenvolken, of de uiteindelijke rechtvaardiging van God en Zijn volk. 
Amos 5:18 (2x), 20Gebruikmakend van diverse metaforen verwijst ‘de dag van de Heere’ naar de duisternis van het oordeel – door de hand van de Assyriers – over het noordelijk koninkrijk (Israël).
Obadja vers 15Gebruikmakend van het beeld van ‘voortdurend drinken’ (vers 16) verwijst ‘de dag van de Heere’ naar het kpomende oordeel van Edom en de heidenvolken, maar heil voor Gods volk.
Zefanja 1:7, 14 (2x)Gebruikmakend van het beeld van een ‘offer’ verwijst ‘de dag van de Heere’ naar het komende oordeel over Juda en de heidenvolken, of naar het toevlucht vinden in de Heere voor allen die zichzelf verootmoedigen.
Maleachi 4:5De dag van de Heere’ verwijst naar de komst van de Heere Zelf, de ‘Engel van het verbond’ (3:1), Die recht brengt, de eredienst reinigt, en hen die Hem toebehoren voor Zich opeist.

[1]  Jesaja 13:[6] Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij; als een verwoesting van de Almachtige komt hij.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

JOËL 1 : 3  

DAG 45

LEZEN: JOËL 1 : 1 – 14

THEMA: Vertel het door

(HSV) [3] Vertel erover aan uw kinderen en laten uw kinderen erover aan hun kinderen vertellen en hun kinderen weer aan de volgende generatie.

(BGT) [3]  Jullie moeten dat vertellen aan je kinderen, en zij moeten het aan hun kinderen vertellen. Iedereen moet het steeds weer doorvertellen. 

Aantekening

Joël 1 : 3  Vertel erover aan uw kinderen. Het volk van Juda moest dit vier generaties lang doorvertellen (vgl. Exodus 10:1-2, 4-6). Het vertellen over de grote daden en woorden van de Heere staat in de grotere context van de verbondsgemeenschap (Exodus 13:8, 14; Deuteronomium 4:9; 6:4-7, 20-21; Psalm 78:4-6).

Wie is Joël?

‘Joël’, de zoon van Pethuel’, wiens naam betekent: ‘De Heere is God’, geeft dit boek zijn titel. Er is maar weinig bekend over Joël, alleen dat wat we leren uit het boek zelf. Zijn verwijzingen naar Juda (Joël 3:1, 6, 8, 18, 19, 20) en Jeruzalem (Joël 2:32; 3:1, 6,16, 17, 20) naast zijn kennis van de activiteiten van priesters en van de tempel (Joël 1:9, 13-14, 16; 2:14-17), suggereren dat hij uit Juda kwam of misschien zelfs uit Jeruzalem. Hij richt zich tot priesters (Joël 1:9, 13; 2:17) en oudsten (Joël 1:2, 14; 2:16), wat het aannemelijk maakt dat hij niet tot een van beide groepen behoorde.

Thema

De ‘dag van de Heere’ is het overheersende thema in het boek Joël. Zowel de heidenvolken (Joël 3:2-3) als Israël (Joël 1:15; 2:1-2) ervaren dit oordeel. Maar voor de berouwvolle gemeenschap houdt deze ‘dag’ ook de hoop van herstel (Joël 2:12-14). Uiteindelijk wordt de trouw van de Heere aan Zijn verbond uitgedrukt in Zijn beloften van overvloed en bescherming (Joël 2:23-26; 3:17, 21). Dit wordt samengevat in de grote belofte van ‘Mijn Geest’, Die uitgestort zal worden over ‘alle vlees’ (Joël 2:28, 29; vgl. Handelingen 2:17-21). 

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

PSALM 32 : 5

DAG 44

LEZEN: PSALM 32

THEMA: Biecht

(HSV) [5] Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen [1]belijden voor de HEERE. En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde. Sela

(BGT) [5] Toen vertelde ik u over mijn fouten, ik zweeg niet langer over mijn schuld. Ik zei eerlijk wat niet goed was, en u hebt me alles vergeven.

Aantekening

Psalm 32 : 3 – 5  Deze verzen ondersteunen het thema dat alleen zij die vergeving ontvangen, werkelijk gelukkig zijn. Ze noemen een tijd: Toen ik zweegd.w.z. toen de zanger weigerde zijn zonden te belijden om van God vergeving te ontvangen. De verloren vitaliteit uit vers 3-4 is in werkelijkheid een teken van genade: het is Gods hand … die zwaar drukte op Zijn gelovigen om hen te helpen tot schuldbelijdenis te komen. Toen het zover kwam, maakte de zanger zijn zonden bekenden God vergaf de ongerechtigheid, zijn zonde. Dit brengt de psalm terug bij vers 1, waarbij de zanger nu nog meer zegen van het ontvangen van vergeving heeft geleerd.


[1]  Spreuken 28:[13] Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.

   1 Johannes 1:[9] Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

MARKUS 3 : 14 – 15 

DAG 43

LEZEN: MARKUS 3 : 7 – 19

THEMA: Goed nieuws verspreiden

(HSV) [14] En Hij stelde er twaalf aan om bij Hem te zijn, en om hen uit te zenden om te prediken, [15] en macht te hebben om de ziekten te genezen en de demonen uit te drijven.

(BGT) [14] Hij riep twaalf mensen bij zich, en ze kwamen naar hem toe. Jezus noemde hen ‘apostelen’. Hij gaf hun de opdracht om met hem mee te gaan, en overal het goede nieuws te vertellen.  [15] Ook kregen ze de macht om kwade geesten uit mensen weg te jagen.

Aantekening

Markus 3 : 14 – 15  Zoals vaker het geval is, noemt Markus toekomstige daden van Jezus zonder ze te vertellen. Hier blijkt dat Jezus inmiddels de twaalf heeft uitgekozen en aangewezen vanuit de grotere kring van mensen die Hem volgen (vers 7-9; vgl. vers 16; Markus 4:10, 17, 20, 43). De twaalf krijgen een specifieke, tweevoudige taak. (1) Hij wijst hen aan om bij Hem te zijn, ter versterking van hun roeping tot discipel (zie Markus 1:17, 20; 2:14; 3:13) en om door Jezus te worden gevormd (Markus 4:33). (2) Hij wijst hen aan om hen uit te zenden (Markus 1:17; 9:37). (sommige handschriften voegen in vers 14 na ‘twaalf ‘ toe: ‘die Hij ook apostelen noemde’; ‘apostelen’ betekent ‘uitgezondenen’, zie aantekening bij [1]Romeinen 1:1) In hun dienstwerk als Jezus’ boodschappers moeten zij doen wat Jezus gedaan en hun geleerd heeft: (1) het Koninkrijk van God prediken (Markus 1:14, 39; 6:12); (2) ziekten … genezen (Markus 6:13); en (3) demonen uit … drijven (Markus 1:34, 39). Deze opdracht treedt in werking in Markus 6:7-12. In eerste instantie verkondigt Jezus het Koninkrijk van God aan nazaten van de 12 stammen van Israël, en waarschijnlijk vertegenwoordigen de 12 apostelen die Jezus heeft uitgekozen, de 12 stammen van Israël (vgl. Openbaring 21:14). Dat de discipelen Jezus’ onmiddellijke toezicht ervaren is voor hen van belang, want na Jezus’ dood, opstanding en hemelvaart zullen zij toezicht moeten houden op de dienst van anderen.

Aantekening bij 1 Korinthe 7 : 21  slaaf (Grieks doulos). De Romeinse manier van slaven houiden verschilde van het slavendom in Noord-Amerika gedurende 17tot 19e eeuw. Slaven mochten over het algemeen werken voor geld en om genoeg te kunnen sparen om zich vrij te kunnen kopen (zie Mattheüs 25:15, waar slaven veel geld en een geweldige verantwoordelijkheid werd toevertrouwd).  Het Nieuwe Testament gaat ervan uit dat mensenhandel zonde is (1 Timotheüs 1:10; Openbaring 18:11-13), en Paulus spoort de christelijke slaven aan die ook vrij kunnen worden, van die gelegenheid gebruik te maken. De vrijgekomen slaaf werd officieel bestempeld als ‘vrijgelatene’ en bleef vaak werken voor zijn vroegere meester. Veel nog bestaande inscripties van vrijgelatenen geven aan dat de tendens bestond om de familienaam van de vroegere meester aan te nemen (nu hun ‘werkgever’) en hem te blijven eren.


[1]   Aantekening bij Romeinen 1:1 dienstknecht. Zie aantekening bij 1 Korinthe 7:21 over het gebruik van het woord ‘slaaf’ in de 1eeeuw (Grieks doulos, ‘dienstknecht, slaaf’). geeft aan dat Paulus een slaaf van Christus is, maar tegelijkertijd herinnert het aan de geëerde dienstknechten van God in het Oude Testament, zoals Mozes, Jozua, David en de profeten (Jozua 14:7; 24:29; 2 Koningen 17:23; Psalm 89:4). apostel benadrukt dat het gezag van Paulus gelijk is aan het gezag van de 12 apostelen die door Christus werden gekozen. De apostelen werden specifiek door Christus geroepen (Mattheüis 10:1-7; Handelingen 1:24-26; Galaten 1:1) en zij hadden de opgestane Heere Jezus gezien (Handelingen 1:22; 1 Korinthe 9:1; 15:7-9). Zij vestigden de gemeente en gaven er leiding aan, onder Jezus Christus. Zij hadden het gezag. Om Gods woorden te spreken en te schrijven, in gezag gelijk aan de schrift van het Oude Testament (1 Korinthe 14:37; 2 Korinthe 13:3; Galaten 1:8-9; 1 Thessalonicenzen 2:13; 4:15; 2 Petrus 3:2, 15-16). Jezus verscheen aan Paulus toen Paulus op weg was naar Damascus. Jezus riep Paulus toe om apostel te zijn (Handelingen 9; 22; 26; 1 Korinthe 9:1; 15:8-9; Galaten 1:13-17). Door het ongebruikelijke tijdstip van zijn roeping trok Paulus de conclusie dat er na hem geen andere apostelen meer zouden worden geroepen (1 Korinthe 15:8). Evangelie (Grieks eùangelion) betekent ‘goed nieuws’. Hieronder viel niet alleen de oproep om door geloof gered te worden, maar ook Paulus’ volledige boodschap m.b.t. Jezus Christus’, en hoe Christus verlossing het hele leven en de hele geschiedenis transformeert

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

MARKUS 2:27-28 EN 3:4 

DAG 42

LEZEN: MARKUS 2 : 23 – 3 : 6

THEMA: Heer van de sabbat

(HSV) Markus 2: [27] En Hij zei tegen hen: De sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat. [28] [1]Daarom, de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

Markus 3: [4] En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of te doden? En zij zwegen.

(BGT) Markus 2:[27] Jezus zei verder: ‘De sabbat is gemaakt voor de mens. De mens is niet gemaakt voor de sabbat.  [28] Ik ben de Mensenzoon. Ik bepaal wat je op sabbat mag doen.’

Markus 3:[4] Toen zei Jezus tegen de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’ Maar de farizeeën gaven geen antwoord.

Aantekening

Markus 2 : 27-28  De sabbat is gemaakt ter wille van de mens. Vervolgens (zie aantekening bij vers 25-26 van Markus 2) verklaart Jezus dat de sabbat er niet is om de mens in te perken, maar juist als een geschenk aan de mens is gegeven (voor geestelijke en lichamelijke verademing). Weer benadrukt Jezus Zijn gezag als de Zoon des mensen (zie Kernthema’s; en aantekening bij Mattheüs 8:20). Als de sabbat bedoeld is voor het welzijn van de mens, en de Zoon des mensen Heere is over de hele mensheid, is de Zoon des mensen  dus Heere, óók van de sabbat.

Aantekening bij Markus 2:25-26  Jezus begint met te zeggen dat de wel heel stringente Farizese wetsinterpretatie de noodsituatie waarin David met zijn mannen verkeerde, buiten beschouwing laat (1 Samuël 21:1-6). David at van de toonbroden. Daaruit volgt dat in geval van nood op de sabbat handelingen geoorloofd zijn die dat gewoonlijk niet zijn. ten tijde van Abjathar, de hogepriester. Het genoemde voorval met David heeft eigenlijk niet plaatsgehad toen Abjathar hogepriester was, maar ten tijde van zijn vader Achimelech (1 Samuël 21:1). Grieks ‘epi ‘Abjathar kan betekenen: (1) ‘toen Abjathar leefde, de latere hogepriester’ (de naam Abjathar zal zijn gevallen omdat hij bekender was), of (2) ‘in (het schriftgedeelte over) Abjathar, de hogepriester’ (waarbij ‘epi duidt op een plaats in de Schrift, zoals Markus 12:26: ‘in (het gedeelte over) de doornstruik’). Abjathar, de enige zoon van Achimelech die de slachting van Doëg heeft overleefd (1 Samuël 22), is de bekendste hogepriester in het betreffende deel van 1 Samuël.

Markus 3 : 3 – 5  Jezus laat Zich niet intimideren. Hij maakt van de genezing op de sabbat (vers 2) met opzet een publiek incident. En zij zwegen. Het zwijgen van critici maakt de verharding van hun hart openbaar. Dat Jezus toornig reageert, maakt duidelijk dat Zijn vraag: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? beantwoord had moeten worden met: ‘Goed doen wel’. Dat zou geen aantasting zijn van de wet van het Oude Testament, maar wel van de buitenbijbelse, meestal Farizese overlevering. In die overlevering ontbreekt een wezenlijk element van de wet van Mozes: God en je naaste liefhebben (vgl. Markus 12:29-31). Steek uw hand uit. Zie aantekening bij Lukas 6:10.

Aantekening bij Lukas 6:10  Steek uw hand uit. Strikt genomen doet Jezus niet iets wat ‘werken’ genoemd kan worden: Hij raakt de man zelfs niet aan, Hij zégt alleen maar iets (en iets zeggen is op de sabbat niet verboden). Ook de mismaakte man verricht geen verboden ‘arbeid’; hij steekt alleen maar zijn hand uit. Jezus’ tegenstanders zijn tot zwijgen gebracht, maar ze zijn woedend (vers 11). zijn hand werd hersteld. Dat is het bewijs dat Jezus de Heere is van de sabbat (vgl. vers 5 van Lukas 6).

Sabbat                Markus 2 : 23 – 28                (Uit de Vrouwen Bijbel)

Wat kan het toch heerlijk zijn om van de zondag te genieten. We kunnen dan lichamelijk en geestelijk nieuwe rust en kracht ontvangen. Het licht van Gods Koninkrijk schijnt over ons leven. Tegelijk kan het soms lastig zijn om niet onze eigen regeltjes te laten overheersen. Van de Heere Jezus leren we: de sabbat is er voor ons mensen, om ons te richten op de Heere van de sabbat. Dan kom je werkelijk tot rust!


[1]  Mattheüs 12:[8] Want de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

   Lukas 6:[5] En Hij zei tegen hen: De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

PSALM 44 : 7 – 9 

DAG 41

LEZEN: PSALM 44

THEMA: Wat merk je van Gods trouw?

(HSV) [7] Want ik vertrouw niet op mijn boog, mijn zwaard zal mij niet verlossen. [8] Maar U verlost ons van onze tegenstanders, U maakt wie ons haten, beschaamd. [9] In God roemen wij de hele dag, Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven.

(BGT) [7] We vertrouwen niet op onze wapens, we weten dat geweld ons niet kan redden. [8] U bent het die ons redt van onze vijanden. U overwint ze, u jaagt ze weg. [9] Daarom zingen we elke dag voor u, daarom danken wij u steeds opnieuw.

Aantekening

Psalm 44 : 2 – 9  Wij hebben gehoord wat U voor ons deed in het verleden. Het lied begint met het opsommen van de wegen waarlangs God Zijn volk in het verleden heeft bevoorrecht boven de heidenen. Hij heeft de heidenvolken uit Kanaän verdreven en Zijn eigenvolk daar geplant (vers 3). Daarna heeft Hij hen verlost van hun tegenstanders (vers 8). Het volk is zich ervan bewust dat Gods bijzondere zorg – niet hun eigen talent – verantwoordelijk was voor hun welzijn (vers 4, 7) en dat zij zich moeten beroemen op God en Zijn Naam voor eeuwig loven (vers 9).

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

MARKUS 2 : 18 – 20 

DAG 40

LEZEN: MARKUS 2 : 13 – 22

THEMA: Eetgewoonten

(HSV) [18] [1]En de discipelen van Johannes en van de Farizeeën vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeeën wel en waarom vasten Uw discipelen niet? [19] En Jezus zei tegen hen: [2]De bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten, [20] maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan, in die dagen, zullen zij vasten.

(BGT) [18] De farizeeën hadden speciale dagen om God te eren. Op die dagen vastten ze. De leerlingen van Johannes de Doper deden dat ook. Iemand vroeg aan Jezus: ‘Waarom vasten uw leerlingen niet?’ [19] Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. De gasten zeggen niet: ‘Vandaag eten wij niet.’ Nee, de gasten eten zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen eten ook, zolang ik bij hen ben.  [20] Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

Aantekening

Markus 2 : 18  Zie aantekening bij Mattheüs 6:16-18. [aantekening: Men vastte in de tijd van het Oude Testament op verschillende manieren, ondanks dat de wet slechts één vasten per jaar voorschreef, nl. op de Grote Verzoendag (hoewel ‘uzelf verootmoedigen’ mogelijk ook vasten inhoud: Leviticus 16:29-34; 23:26-32). Behalve onthouding van voedsel, moest het volk zich verootmoedigen door gebed en rouw en zich kleden in ‘zak en as’. Net als bij het geven (Mattheüs6:2-4) en het bidden (vers 5-15) moet vasten een zaak van het hart tussen de gelovige en God zijn. wanneer u vast. Jezus neemt aan dat Zijn discipelen vasten. vervormen van het gezicht werd gedaan door het niet te wassen en het met as te bestrooien, zodat iedereen kon zien hoe zwaar iemands lichaam te lijden had onder het vasten. hun loon. Zie Markus 6:2-4.* Zalving en wassing (vers 17 van Markus 6) zijn voorbereidingen voor een feest (vgl. Prediker 9:7-8).

Markus 2 : 19 – 20  Jezus spreekt over Zichzelf als over de Bruidegom. In het Oude Testament was God dat (vgl. Jesaja 62:5; Hosea 2:18-19). Als Hij bij Zijn discipelen is, horen zij blij te zijn. Als Hij van hen weggenomen is zullen zij vasten. Dan zullen ze terugkeren tot de praktijk van het vasten om Gods nabijheid te zoeken. Dat is echter niet nodig als Jezus, de Zoon van God (zie Markus 1:1; 15:39), bij hen is. ‘Weggenomen’ is een indirecte aankondiging van Jezus’ dood (zie Jesaja 53:8).


[1]  Mattheüs 9:[14] Toen kwamen de discipelen van Johannes bij Hem en zeiden: Waarom vasten wij en de Farizeeën veel en vasten Uw discipelen niet?

   Lukas 5:[33] En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen zij gebeden, en evenzo ook de discipelen van de Farizeeën, maar die van U eten en drinken?

[2]  Jesaja 62:[5] Want zoals een jongeman trouwt met een jonge vrouw, zo zullen uw kinderen trouwen met u; zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid, zo zal uw God Zich over u verblijden.

   2 Korinthe 11:[2] Want ik beijver mij voor u met een ijver van God. Ik heb u immers ten huwelijk gegeven aan één Man om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen.