Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

DEUTERONOMIUM 20:16-18 

DAG 36

LEZEN: DEUTERONOMIUM 20 : 11 – 22

THEMA: Om gruwelijkheden te voorkomen …

(HSV) [16] Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, [1]mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten. [17] Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, [18] opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.

(BGT)      [16] Stel dat jullie een stad aanvallen binnen het gebied dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Dan mogen jullie niemand in leven laten.  [17] Dat is een bevel van de Heer, jullie God. Jullie moeten alle inwoners doden: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.  [18] Want zij doen afschuwelijke dingen voor hun goden. De Heer wil niet dat jullie hun gewoontes overnemen. Hij wil niet dat jullie hem ontrouw worden.

Aantekening

Deuteronomium 20 : 16 – 18  Deze verzen gaan over steden binnen de grenzen van het Beloofde Land en gaan er waarschijnlijk van uit dat deze steden het aanbod om zich over te geven hebben geweigerd. Israël gaat in deze gevallen veel drastischer te werk, zij mogen helemaal niets wat adem heeft, in leven laten (vers 16). Hen volledig met de ban slaan (vers 17) is de erkenning van de gedachte dat God de Overwinnaar is en dat de oorlogsbuit van Hem is (zie Deuteronomium 2:34-35; 7:2). Het wijst ook vooruit naar het laatste oordeel (zie [2]Inleiding op Jozua: Het uitroeien van de Kanaänieten). Zo’n onverbiddelijk dreigement zou kunnen werken als aanmoediging tot overgave in plaats van verzet. De toepassing van deze principes door Jozua stelde deze heidense volken in de gelegenheid om zich over te geven en in leven te blijven (Jozua 6:22-25; 9:26-27). Voor de volken die Deuteronomium 20:17 noemt, vgl. Deuteronomium 7:1. Met heidense volken samenwonen in het Beloofde Land maakt Israël er ontvankelijk voor om ook zulke gruwelijke dingen te gaan doen, zowel afgoderij als zedeloosheid. Zie Deuteronomium 7:2-4; en 8:9-14.


[1]  Numeri 33:[52] dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.

   Deuteronomium 7:[1] Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw ogen verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,

     [2] en wanneer de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.

[2]  Inleiding op Jozua ‘Het uitroeien van de Kanaänieten (blz. 365 ‘Studie Bijbel’ Herziene Statenvertaling). Het verslag in Jozua zadelt de fijngevoelige lezer op met een reëel probleem, namelijk de grootschalige uitroeiing van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, zodat het land door het volk Israël bezet kon worden. Waarom had Israël oom maar enig recht om dat land in te nemen? Hoe is het mogelijk dat God de mensen die tegen hen in opstand kwamen om hun eigenland te beschermen, niet wilde sparen? Is dit een vorm van barbaars gedrag dat God in het Oude Testament toestond, maar nu in het Nieuwe Testament verbiedt?

   Mensen die vijandig tegenover de Bijbel staan, hebben aanmerkingen op het oude Israël vanwege hun ‘etnische zuivering’, en dit is tevens voor veel fijngevoelige christenen een groot probleem. Voor een diepgaande behandeling van dit onderwerp zou een uitgebreider verhandeling nodig zijn, maar de punten die hieronder worden genoemd, kunnen worden gebruikt worden als aanzet tot verdere reflectie.

   We moeten allereerst erkennen dat de vragen legitiem zijn. Het is terecht dat christenen dergelijk gedrag in andere omstandigheden afkeuren, en het is in onze tijd niet gerechtvaardigd dat de ene natie de andere natie uitroeit om haar land in te nemen. Maar de opdracht die Israël kreeg, heeft bijzondere kenmerken die de opdracht uniek maken (en dus niet bedoeld tot navolging) en die het mogelijk maken de opdracht in een moreel kader te zien. Deze opdracht ligt ten grondslag aan de gedetailleerde weergave van de roeping van Mozes in Exodus (Exodus 3:1 – 4:17; vgl. Numeri 12:1-5): God heeft Mozes uitgekozen om Zijn volk de wet te geven, en de geboden die door Mozes werden doorgegeven, komen voort uit Gods eigen gedachten (vgl. Deuteronomium 18:15-20). Gelovigen accepteren dat Mozes is aangesteld om Gods wil te spreken. Zonder dit mandaat van God, doorgeven via Mozes, zou Israël geen recht hebben op het land.

   Een tweede punt dat duidelijk gemaakt moet worden, is het volgende: in de Pentateuch worden wetten over oorlogvoering uiteengezet, en er wordt onderscheid gemaakt tussen gevechten tegen steden buiten het Beloofde Land (Deuteronomium 20:10-15) en gevechten tegen steden binnen het land (Deuteronomium 20:16-18). Alleen in het laatste geval wordt er van Israël verlangd om niemand te sparen (‘u moet hen volledig met de ban slaan’); zie aantekening bij Deuteronomium 20:1-20 en 20:16-18. De wet lijkt onvoorwaardelijk en onverbiddelijk te zijn. Met dit in gedachten kunnen we uiteenzetten waarom dit gebod geen onoverkomelijk ‘probleem’ is.

  • Het is een fundamentele oudtestamentische opvatting dat de Heere, de God van Israël, de Schepper is van alles wat er is, en dat het land daarom Zijn eigendom is. Hij heeft recht om gebieden te verdelen overeenkomstig Zijn volmaakt en heilige wil (vgl. Exodus 19:5; Psalm 24:1). Hij is de Schepper van het universum en daarom is Hij ook de Rechter van het universum. Alle mensen zijn Hem verantwoording schuldig: vgl. Genesis 6:8 (het verhaal van de zondvloed heeft betrekking op allerlei volken); Genesis 11:1-9 (de torenbouw van Babel); Exodus 12:12 (het oordeel over de goden van Egypte); de profetische Godsspraken over de heidenvolken. (*) Het Nieuwe Testament deelt deze fundamentele gedachte: vgl. Handelingen 14:15-16; 17:24-31. Dit houdt in dat God het onbetwistbare recht heeft op het land van Kanaän, en dat Hij het recht heeft om de Kanaänieten te oordelen voor hun morele staat en handelen.
  • Omdat alle mensen zondig zijn, vallen ze allemaal terecht onder Gods oordeel. De Pentateuch biedt een moreel motief voor de uitroeiing van de Kanaänieten en ziet het als het Goddelijk oordeel over hun zonden (vgl. Leviticus 18:24-30; Deuteronomium 9:5). Deze maatregel tegen deze volken is dan een uiting van Gods oordeel over hen, met Israël als instrument. Dit oordeel laat aan de hele wereld het wezen van God zien, ter lering (deze duidelijke boodschap is zelf deel van de zegen die Israël aan de hele wereld zal brengen). Het is nog niet helemaal duidelijk hoe dit zal gebeuren, maar degenen die trouw blijven, zullen met god samenwerken in het uitvoeren van het laatste oordeel (1 Korinthe 6:2; vgl. Psalm 149:6-7). De rol die Israël speelt in het brengen van het oordeel over de Kanaänieten is eveneens een voorafschaduwing van die grote verantwoordelijkheid. (*Jozua 6:17)  Het oordeel van God tolereert geen dubbele moraal. Zijn keuze voor Israël is niet gebaseerd op enige verdiensten van hun kant (Deuteronomium 7:6-9), en Hij roept het volk op om Zijn liefde trouw te aanvaarden. Ontrouw zal leiden tot oordeel over Israël zelf, of het nu gaat om het individu (Exodus 22:20) of om heel het volk (Jozua 7:11-12; Maleachi 4:6; vgl. Leviticus 18:28). Dit kan geen ‘etnische zuivering’ genoemd worden, omdat het om een rechtvaardige behandeling gaat, waarbij etniciteit geen rol speelt.
  • Verder maakt het verbond bij de Sinaï van Israël een ‘theocratie’, een unieke combinatie van wat nu ‘kerk’ en ‘staat’ wordt genoemd. Deel uitmaken van het volk van God is zowel een politieke als religieuze zaak, en daarom hebben ‘burgers’ de verplichting om zich trouw aan het verbond te houden. Zij die onmiskenbaar overtredingen begaan, moeten worden verwijderd (bv. Deuteronomium 13:5; 17:7; enz.). Als Israël zou toestaan dat verstokte Kanaänieten in het land bleven, zouden die het hele volk meetrekken in afgoderij, ongerechtigheid en kwaad (bv. Deuteronomium 7:4; 12:29-31). Helaas is dat exact wat er gebeurde. Christenen mogen dergelijke oorlogen niet voeren, want het volk van God staat niet langer gelijk aan een bepaalde volksstaat.
  • Ten slotte: de wetten over de vernietiging van de Kanaänieten zijn compromisloos en onvoorwaardelijk geformuleerd (overeenkomstig de retoriek van veroveringsverslagen van het oude Nabije Oosten, die dergelijke ongekwalificeerde uitspraken toestaat). Echter, de manier waarop Israël deze wetten toepaste, bood blijkbaar ruimte voor sommige Kanaänieten om zich over te leveren en te overleven, vooral wanneer ze geloof in de enige ware God beleden (*Jozua 2:9 over Rachab en heel haar familie; (*Jozua 9:1-27 voor de Gibeonieten; vgl. Jozua 11:19). Dit betekent dat deze wetten niet onverbiddelijk waren, hoewel ze dat schenen te zijn. Ze staan het maken van uitzonderingen toe. Dit toont opnieuw aan dat de opdracht die aan Israël werd gegeven, strikt gezien niets te maken had met ‘etnische zuivering’, want etniciteit is niet de beweging tot het handelen.

Deze factoren – Gods recht om het land toe te wijzen en de wereld volmaakt rechtvaardig te oordelen: de noodzaak om de zuiverheid van de Israëlitische theocratie te bewaren; en de bepalingen waardoor zelfs Kanaänieten konden worden gered – illustreren de rechtvaardigheid die achter deze bepalingen schuilgaat. Tegelijkertijd is het ook duidelijk dat de praktijken die bekendstaan als genocide en etnische zuivering werkelijk slecht zijn, en dat de Israëlieten niet de opdracht daartoe kregen. Deze factoren waren een uniek onderdeel van de missie van Israël. Vandaag de dag heeft niemand het recht om deze factoren te misbruiken als een vrijbrief om onrechtvaardigheid te steunen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *