TEKST VOOR VANDAAG
ROMEINEN 12 : 6 – 8
DAG 11
LEZEN: ROMEINEN 12 : 1 – 8
THEMA: Gave gaven
(HSV) [6] En nu hebben wij [1]genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: [7] hetzij [2]profetie, naar de mate van het geloof; hetzij [3]dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen; [8] hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, [4]in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, [5]met blijmoedigheid.
(BGT) [6] Want God heeft aan ieder van ons een bijzonder geschenk gegeven. Zo goed is hij voor ons. De één krijgt een boodschap van God, een boodschap die past bij ons geloof. [7] Een ander heeft een bijzondere taak in de kerk, en voert die uit als een goede dienaar. Weer een ander geeft uitleg over God en doet dat goed. [8] Iemand die anderen oproept om vol te houden, moet hen ook echt steunen. Iemand die iets uitdeelt aan anderen, moet niet hopen op voordeel voor zichzelf. Iemand die anderen hulp geeft, moet dat met aandacht doen. Iemand die iets goeds doet voor anderen, moet dat met plezier doen.
Aantekening
Romeinen 12 : 6 De verscheidenheid van het lichaam blijkt uit de verschillende genadegaven die God de gemeente heeft gegeven. (zie tabel onderaan)
Bevrijd Romeinen 12: 1 – 8 (Uit de Mannen bijbel)
God heeft Zich in Christus over ons ontfermd. Hierdoor wordt een mens rechtvaardig verklaard, niet door de wet. Maar nu? Hoe nu te leven? De wet was wel mooi duidelijk. Geeft het vrij zijn van de veroordeling door de wet geen aanleiding tot losbandigheid? >> Paulus geeft aanwijzingen voor het bevrijde christenleven, individueel en in gemeenschap. > 1. Offer je leven aan God. Dat wil zeggen: leef in het besef dat je gekocht en betaald bent. Dat heeft gevolgen voor de (kleine en grote) keuzes van iedere dag. 2. Wordt veranderd door de vernieuwing van je gezindheid. Dat wil zeggen: je denken wordt niet meer gestuurd door dingen van deze wereld. Die zullen allemaal eens vergaan. Je denken is gericht op het volgen van Jezus. Gewoon op de plek waar je woont en werkt. Zo leer je Gods wil kennen. 3. Blijf bescheiden. Dat wil zeggen: je bent onderdeel van een groter geheel. Samen vormt de kerk een lichaam. God heeft aan dit lichaam allerlei gaven gegeven. Maar de een is niet belangrijker dan de ander. Je hebt elkaar juist nodig om een gezond lichaam te kunnen zijn. Vrijheid wordt dan de ruimte om God en elkaar te dienen in liefde.
Romeinen 12 : 7 – 8 Over de gave van profetie, zie aantekening bij Handelingen [6]21:4; [7]21:10-11; 1 Korinthe [8]12:10; [9]1 Thessalonicenzen 5:20-21;. * naar de mate van het geloof. Paulus geeft profeten hier de opdracht alleen te spreken wanneer zij het geloof of het vertrouwen hebben dat de Heilige Geest hun werkelijk iets openbaart, en dat geloof niet groter te maken dan het is om te proberen indruk te maken op anderen. Christenen zouden zich moeten richten op de gaven die God hun heeft gegeven, of het nu gaat om het dienen van anderen, het geduldig onderwijzen van Gods woord, of het bemoedigen van van mensen in de dingen van God. Paulus benadrukt drie houdingen die nodig zijn bij bijzondere gaven: (1) zij die de gave hebben om anderen financieel te helpen, moeten dat oprecht en niet met tegenzin doen; (2) zij die leidinggeven hoeven zelf in veel gevallen geen verantwoording af te leggen, en daarom moeten ze oppassen voor gemakzucht; (3) zij die zich over anderen ontfermen die verdriet hebben, moeten zich niet laten ontmoedigen, maar blijmoedig blijven helpen.
| GEESTELIJKE GAVEN IN DE BRIEVEN VAN PAULUS | |||
| Romeinen 12:6-8 | 1 Korinthe 12:7-10 | 1 Korinthe 12:28 | Efeze 4:11 |
| Genadegaven, onderscheiden naar genade die ons is gegeven. | Aan ieder wordt de openbaring van de geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander. | God heeft in de gemeente een plaats gegeven. | En Hij heeft gegeven. |
| apostelen | apostelen | ||
| profetie | profetie | profeten | profeten |
| het onderscheiden van geesten | |||
| een woord van wijsheid | |||
| onderwijs | een woord van kennis | leraars | herders en leraars |
| bemoediging | |||
| werkingen van krachten | krachten | ||
| genadegaven van genezing | genadegaven van genezingen | ||
| dienstbetoon | vorm van hulpverlening | ||
| leidinggeven | vormen van hulpverlening | ||
| allerlei talen | allerlei talen | ||
| uitleg van talen | |||
| uitdelen | |||
| geloof | |||
| ontferming |
[1] 1 Korinthe 12:[4] Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest.
[2] 1 Korinthe 12:[10] en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen.
[3] 1 Petrus 4:[10] Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God.
[11] Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe, tot in alle eeuwigheid. Amen.
[4] Mattheüs 6:[1] Wees op uw hoede dat u uw liefdegave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
[2] Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al.
[3] Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,
[5] Deuteronomium 15:[7] Maar als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.
2 Korinthe 9:[7] Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.
[6] Handelingen 21:[4] En nadat wij er discipelen gevonden hadden, bleven wij daar zeven dagen. Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan.
Aantekening: Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan. Blijkbaar zijn dit enkele profetieën van christenen in Tyrus. Maar het klopte niet wat ze tegen Paulus zeiden, omdat uit het verhaal duidelijk blijkt dat Paulus door de Heilige Geest naar Jeruzalem werd geleid (zie Handelingen 19:21; 20:22-24; 21:14). Exegeten verschillen van mening over welke woorden van deze discipelen tegen Paulus in feite onderdeel waren van hun profetie (ofwel spreken ‘door de Geest’): (1) sommigen zeggen dat er in het begin twee mogelijke problemen waren met de vroegchristelijke profetieën: ten eerste konden er dwalingen on de profetieën zelf zijn, en ten tweede konden die fouten liggen in de eigen uitlegging van de profeet. Dit zou de reden zijn waarom Paulus beveelt dat profetieën beoordeeld moeten worden, d.w.z. om elkaar te behoeden voor (a) mogelijke dwalingen in de profetie zelf en (b) voor mogelijke fouten in de uitlegging ervan (zie aantekening bij 1 Korinthe 14:29; 1 Thessalonicenzen 5:20-21). (2) Anderen beweren dat, hoewel zulke profetieën op zich helemaal waar zijn (want ze komen ‘door de Geest’), er toch fouten in de uitlegging ervan gemaakt konden worden. Dus al is de profetie juist, dan moet die toch beoordeeld worden. In het eerste geval kan zowel de profetie als de uitlegging fout zijn, in het tweede alleen de uitlegging. Hoe dan ook, Paulus beveelt dat alle profetieën beoordeeld moesten worden.
[aantekening bij 1 Korinthe 14:29: laten de anderen beoordelen. ‘De anderen’ betekent de hele gemeente, en niet alleen zij die de gave van profetie of onderscheiding hebben. Er is geen reden om te denken dat mensen met de gave van profetie een beter beoordelingsvermogen zouden hebben dan andere christenen (vgl. 1 Thessalonicenzen 5:20-21 en 1 Johannes 4:1-3, waar de hele gemeente ook gezegd wordt de profetieën te beoordelen). Zij die beweerden dat ze door de Geest spraken, konden het mis hebben, dus was het belangrijk voor de gemeente om te kunnen onderscheiden of de profetieën echt van de Heere kwamen. Sommigen leggen dit zo uit dat volgens Paulus de Profetieën in Korinthe niet de absoluut gezaghebbende ‘woorden van de Heere’ konden bevatten op de manier van de oudtestamentische profeten, hoewel anderen het hier niet mee eens zijn.
[7] Handelingen 21:[10] En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was.
Aantekening: Ababus had eerder een hongersnood voorspeld (Handelingen 11:28). Profeten uit het Oude Testament beelden hun profetieën vaak uit (bv. Jesaja 8:1-4; Jeremia 13:1-11; 19:1-13; 27:1-22).
[8] 1 Korinthe 12:[10] en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen.
Aantekening: krachten. Waarschijnlijk gaat het om verschillende wonderen, niet alleen over de gave van genezing (zie Handelingen 8:13; 14:8-10; 19:11-12; Romeinen 15:19; Galaten 3:5; Hebreeën 2:4). profetie. Het woord ‘profetie’ (Grieks prophëteia) zoals Paulus het gebruikt in 1 Korinthe, verwijst gewoonlijk naar het uitspreken van iets wat God de spreker spontaan in gedachten brengt of ‘openbaart’, maar wat in menselijke woorden wordt gezegd, niet in woorden van god. Daardoor kan het verkeerd begrepen worden en moet het getoetst worden (zie 1 Korinthe 12:29; 1 Thessalonicenzen 5:19-21). Een alternatieve visie die sommigen aanhangen, is dat het bij deze gave gaat over het uitspreken van Gods eigen woorden, met hetzelfde gezag als de oudtestamentische profeten en gelijk aan het woord van de schrift. Een derde visie is dat veel lijkt op de gaven van prediking of onderwijzing. Deze gave wordt op grote schaal vermeld in de nieuwtestamentische gemeenten (zie 1 Korinthe 11:2-5; 12:28-29; 13:2, 8-9; 14:1-40; Handelingen 2:17-18; 11:27-28; 19:6; 21:9-11; Romeinen 12:6; 1 Thesalonicenzen 5:19-21; 1 Timotheüs 1:18; 4:14; 1 Johannes 4:1). Profetie wordt gebruikt om de gemeente op te bouwen, te bemoedigen en te troosten (1 Korinthe 14:3). Profetie wordt ook gebruikt om de geheimen in het hart van ongelovigen te openbaren en hen tot aanbidding te leiden (1 Korinthe 14:24-25). Omdat God deze gave gebruikte om de christelijke gemeente op te bouwen, drong Paulus er bij de Korinthiërs op aan er veel waarde aan te hechten (1 Korinthe 14:4-5, 39). onderscheiden van geesten. Een bijzondere bekwaamheid om te onderscheiden tussen de invloed van de Heilige Geest en de invloed van demonische geesten in iemands leven. Zij die beweren te spreken door de Geest kunnen zich vergissen, en dus geeft God de christelijke gemeente ook een gave van onderscheid (1 Korinthe 14:29; 1 Thessalonicenzen 5:20-21; 1 Johannes 4:1-3). allerlei talen.In een taal spreken die de spreker niet kent, en die soms niet het patroon volgt van enige bekende menselijke taal (1 Korinthe 13:1). Paulus ziet deze gave als een middel om gebed of dank aan God uit te drukken (1 Korinthe 14:2, 14-47, 28; vgl. Handelingen 10:46) waarbij iemands menselijke geest bidt zonder zelf te begrijpen wat hij zegt (zie 1 Korinthe 14:2, 11, 13-19, 23). Omdat die talengewoonlijk onbegrijpelijk zijn, moet er iemand uitleg geven zodat de gemeente erdoor opgebouwd kan worden (1 Korinthe 14:1-25). Misschien noemt Paulus de laatste twee gaven pas aan het einde omdat te veel nadruk daarop in Korinthe had kunnen leiden tot het negeren van mensen met andere gaven (1 Korinthe 14-26). Zie ook ver 28 en 30 van 1 Korinthe 12. Bijbelgetrouwe christenen zijn het er niet over eens of de gave van de vreemde talen ophield na de tijd van de apostelen in de Vroege Kerk, of dat deze geestelijke gave nog steeds voorkomt. In ieder geval is er geen aanwijzing dat voor alle christenen de gave van spreken in vreemde talen nodig is.
[9] Thessalonicenzen 5:[20] Veracht de profetieën niet.
[21] Beproef alle dingen, behoud het goede.
Aantekening: Veracht de profetieën niet. Gelovigen moeten openstaan voor de openbaring van Gods wil door medechristenen die de gave van de profetie uitoefenen (zie aantekening bij 1 Korinthe 14:22-25). De Thessalonicenzen minachten blijkbaar uitingen van profetie. Ze stopten daarmee een waardevolle bron van bemoediging divht en blusten het vuur van de Geest uit. Beproef alle dingen. In plaats van profetieën zonder meer te verwerpen op grond van profetische uitingen zonder enige waarde, moeten de Thessalonicenzen alle profetieën wegen, om waarheid van valsheid te onderscheiden. Dit ‘beproeven’ houdt vermoedelijk onder meer in het nagaan of de profetie overeenkomt met gezaghebbende openbaring, het taxeren van de waarde ervan voor de opbouw van de gemeente en het beoordelen ervan door mensen met een geestelijk onderscheidingsvermogen. Zie 1 Korinthe 14:29-33 * en 1 Korinthe 12:10 m.b.t. de werking van profetie in de gemeente. het goede. In het tekstverband wijst dit zeer waarschijnlijk op profetieën die de toets kunnen doorstaan.