Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

ROMEINEN 12 : 6 – 8

DAG 11

LEZEN: ROMEINEN 12 : 1 – 8

THEMA: Gave gaven

(HSV) [6] En nu hebben wij [1]genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: [7] hetzij [2]profetie, naar de mate van het geloof; hetzij [3]dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen; [8] hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, [4]in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, [5]met blijmoedigheid. 

(BGT) [6] Want God heeft aan ieder van ons een bijzonder geschenk gegeven. Zo goed is hij voor ons. De één krijgt een boodschap van God, een boodschap die past bij ons geloof.  [7] Een ander heeft een bijzondere taak in de kerk, en voert die uit als een goede dienaar. Weer een ander geeft uitleg over God en doet dat goed.  [8] Iemand die anderen oproept om vol te houden, moet hen ook echt steunen. Iemand die iets uitdeelt aan anderen, moet niet hopen op voordeel voor zichzelf. Iemand die anderen hulp geeft, moet dat met aandacht doen. Iemand die iets goeds doet voor anderen, moet dat met plezier doen.

Aantekening

Romeinen 12 : 6  De verscheidenheid van het lichaam blijkt uit de verschillende genadegaven die God de gemeente heeft gegeven. (zie tabel onderaan)

Bevrijd               Romeinen 12: 1 –  8               (Uit de Mannen bijbel)

God heeft Zich in Christus over ons ontfermd. Hierdoor wordt een mens rechtvaardig verklaard, niet door de wet. Maar nu? Hoe nu te leven? De wet was wel mooi duidelijk. Geeft het vrij zijn van de veroordeling door de wet geen aanleiding tot losbandigheid? >> Paulus geeft aanwijzingen voor het bevrijde christenleven, individueel en in gemeenschap. > 1. Offer je leven aan God. Dat wil zeggen: leef in het besef dat je gekocht en betaald bent. Dat heeft gevolgen voor de (kleine en grote) keuzes van iedere dag. 2. Wordt veranderd door de vernieuwing van je gezindheid. Dat wil zeggen: je denken wordt niet meer gestuurd door dingen van deze wereld. Die zullen allemaal eens vergaan. Je denken is gericht op het volgen van Jezus. Gewoon op de plek waar je woont en werkt. Zo leer je Gods wil kennen. 3. Blijf bescheiden. Dat wil zeggen: je bent onderdeel van een groter geheel. Samen vormt de kerk een lichaam. God heeft aan dit lichaam allerlei gaven gegeven. Maar de een is niet belangrijker dan de ander. Je hebt elkaar juist nodig om een gezond lichaam te kunnen zijn. Vrijheid wordt dan de ruimte om God en elkaar te dienen in liefde.

Romeinen 12 : 7 – 8  Over de gave van profetie, zie aantekening bij Handelingen [6]21:4; [7]21:10-11; 1 Korinthe [8]12:10; [9]1 Thessalonicenzen 5:20-21;. * naar de mate van het geloof. Paulus geeft profeten hier de opdracht alleen te spreken wanneer zij het geloof of het vertrouwen hebben dat de Heilige Geest hun werkelijk iets openbaart, en dat geloof niet groter te maken dan het is om te proberen indruk te maken op anderen. Christenen zouden zich moeten richten op de gaven die God hun heeft gegeven, of het nu gaat om het dienen van anderen, het geduldig onderwijzen van Gods woord, of het bemoedigen van van mensen in de dingen van God. Paulus benadrukt drie houdingen die nodig zijn bij bijzondere gaven: (1) zij die de gave hebben om anderen financieel te helpen, moeten dat oprecht en niet met tegenzin doen; (2) zij die leidinggeven hoeven zelf in veel gevallen geen verantwoording af te leggen, en daarom moeten ze oppassen voor gemakzucht; (3) zij die zich over anderen ontfermen die verdriet hebben, moeten zich niet laten ontmoedigen, maar blijmoedig blijven helpen.

        GEESTELIJKE GAVEN IN DE BRIEVEN VAN PAULUS
Romeinen 12:6-81 Korinthe 12:7-101 Korinthe 12:28Efeze 4:11
Genadegaven, onderscheiden naar genade die ons is gegeven.Aan ieder wordt de openbaring van de geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander.God heeft in de gemeente een plaats gegeven.En Hij heeft gegeven.
  apostelenapostelen
profetie profetieprofetenprofeten
 het onderscheiden van geesten  
 een woord van wijsheid  
onderwijseen woord van kennisleraarsherders en leraars
bemoediging   
 werkingen van krachtenkrachten 
 genadegaven van genezinggenadegaven van genezingen 
dienstbetoon vorm van hulpverlening 
leidinggeven vormen van hulpverlening 
 allerlei talenallerlei talen 
 uitleg van talen  
uitdelen   
 geloof  
ontferming   

[1]  1 Korinthe 12:[4] Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest.

[2]  1 Korinthe 12:[10] en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen.

[3]  1 Petrus 4:[10] Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God.

     [11] Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God schenkt; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe, tot in alle eeuwigheid. Amen.

[4]  Mattheüs 6:[1] Wees op uw hoede dat u uw liefdegave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.

     [2] Wanneer u dan een liefdegave geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij door de mensen geëerd zouden worden. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al.

     [3] Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,

[5]  Deuteronomium 15:[7] Maar als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.

   2 Korinthe 9:[7] Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.

[6]  Handelingen 21:[4] En nadat wij er discipelen gevonden hadden, bleven wij daar zeven dagen. Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan.

   Aantekening: Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan. Blijkbaar zijn dit enkele profetieën van christenen in Tyrus. Maar het klopte niet wat ze tegen Paulus zeiden, omdat uit het verhaal duidelijk blijkt dat Paulus door de Heilige Geest naar Jeruzalem werd geleid (zie Handelingen 19:21; 20:22-24; 21:14). Exegeten verschillen van mening over welke woorden van deze discipelen tegen Paulus in feite onderdeel waren van hun profetie (ofwel spreken ‘door de Geest’): (1) sommigen zeggen dat er in het begin twee mogelijke problemen waren met de vroegchristelijke profetieën: ten eerste konden er dwalingen on de profetieën zelf zijn, en ten tweede konden die fouten liggen in de eigen uitlegging van de profeet. Dit zou de reden zijn waarom Paulus beveelt dat profetieën beoordeeld moeten worden, d.w.z. om elkaar te behoeden voor (a) mogelijke dwalingen in de profetie zelf en (b) voor mogelijke fouten in de uitlegging ervan (zie aantekening bij 1 Korinthe 14:29; 1 Thessalonicenzen 5:20-21). (2) Anderen beweren dat, hoewel zulke profetieën op zich helemaal waar zijn (want ze komen ‘door de Geest’), er toch fouten in de uitlegging ervan gemaakt konden worden. Dus al is de profetie juist, dan moet die toch beoordeeld worden. In het eerste geval kan zowel de profetie als de uitlegging fout zijn, in het tweede alleen de uitlegging. Hoe dan ook, Paulus beveelt dat alle profetieën beoordeeld moesten worden.

[aantekening bij 1 Korinthe 14:29: laten de anderen beoordelen. ‘De anderen’ betekent de hele gemeente, en niet alleen zij die de gave van profetie of onderscheiding hebben. Er is geen reden om te denken dat mensen met de gave van profetie een beter beoordelingsvermogen zouden hebben dan andere christenen (vgl. 1 Thessalonicenzen 5:20-21 en 1 Johannes 4:1-3, waar de hele gemeente ook gezegd wordt de profetieën te beoordelen). Zij die beweerden dat ze door de Geest spraken, konden het mis hebben, dus was het belangrijk voor de gemeente om te kunnen onderscheiden of de profetieën echt van de Heere kwamen. Sommigen leggen dit zo uit dat volgens Paulus de Profetieën in Korinthe niet de absoluut gezaghebbende ‘woorden van de Heere’ konden bevatten op de manier van de oudtestamentische profeten, hoewel anderen het hier niet mee eens zijn.

[7]  Handelingen 21:[10] En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was.

   Aantekening: Ababus had eerder een hongersnood voorspeld (Handelingen 11:28). Profeten uit het Oude Testament beelden hun profetieën vaak uit (bv. Jesaja 8:1-4; Jeremia 13:1-11; 19:1-13; 27:1-22).

[8]  1 Korinthe 12:[10] en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen.

   Aantekening:  krachten. Waarschijnlijk gaat het om verschillende wonderen, niet alleen over de gave van genezing (zie Handelingen 8:13; 14:8-10; 19:11-12; Romeinen 15:19; Galaten 3:5; Hebreeën 2:4). profetie. Het woord ‘profetie’ (Grieks prophëteia) zoals Paulus het gebruikt in 1 Korinthe, verwijst gewoonlijk naar het uitspreken van iets wat God de spreker spontaan in gedachten brengt of ‘openbaart’, maar wat in menselijke woorden wordt gezegd, niet in woorden van god. Daardoor kan het verkeerd begrepen worden en moet het getoetst worden (zie 1 Korinthe 12:29; 1 Thessalonicenzen 5:19-21). Een alternatieve visie die sommigen aanhangen, is dat het bij deze gave gaat over het uitspreken van Gods eigen woorden, met hetzelfde gezag als de oudtestamentische profeten en gelijk aan het woord van de schrift. Een derde visie is dat veel lijkt op de gaven van prediking of onderwijzing. Deze gave wordt op grote schaal vermeld in de nieuwtestamentische gemeenten (zie 1 Korinthe 11:2-5; 12:28-29; 13:2, 8-9; 14:1-40; Handelingen 2:17-18; 11:27-28; 19:6; 21:9-11; Romeinen 12:6; 1 Thesalonicenzen 5:19-21; 1 Timotheüs 1:18; 4:14; 1 Johannes 4:1). Profetie wordt gebruikt om de gemeente op te bouwen, te bemoedigen en te troosten (1 Korinthe 14:3). Profetie wordt ook gebruikt om de geheimen in het hart van ongelovigen te openbaren en hen tot aanbidding te leiden (1 Korinthe 14:24-25). Omdat God deze gave gebruikte om de christelijke gemeente op te bouwen, drong Paulus er bij de Korinthiërs op aan er veel waarde aan te hechten (1 Korinthe 14:4-5, 39). onderscheiden van geesten. Een bijzondere bekwaamheid om te onderscheiden tussen de invloed van de Heilige Geest en de invloed van demonische geesten in iemands leven. Zij die beweren te spreken door de Geest kunnen zich vergissen, en dus geeft God de christelijke gemeente ook een gave van onderscheid (1 Korinthe 14:29; 1 Thessalonicenzen 5:20-21; 1 Johannes 4:1-3). allerlei talen.In een taal spreken die de spreker niet kent, en die soms niet het patroon volgt van enige bekende menselijke taal (1 Korinthe 13:1). Paulus ziet deze gave als een middel om gebed of dank aan God uit te drukken (1 Korinthe 14:2, 14-47, 28; vgl. Handelingen 10:46) waarbij iemands menselijke geest bidt zonder zelf te begrijpen wat hij zegt (zie 1 Korinthe 14:2, 11, 13-19, 23). Omdat die talengewoonlijk onbegrijpelijk zijn, moet er iemand uitleg geven zodat de gemeente erdoor opgebouwd kan worden (1 Korinthe 14:1-25). Misschien noemt Paulus de laatste twee gaven pas aan het einde omdat te veel nadruk daarop in Korinthe had kunnen leiden tot het negeren van mensen met andere gaven (1 Korinthe 14-26). Zie ook ver 28 en 30 van 1 Korinthe 12. Bijbelgetrouwe christenen zijn het er niet over eens of de gave van de vreemde talen ophield na de tijd van de apostelen in de Vroege Kerk, of dat deze geestelijke gave nog steeds voorkomt. In ieder geval is er geen aanwijzing dat voor alle christenen de gave van spreken in vreemde talen nodig is.

[9]   Thessalonicenzen 5:[20] Veracht de profetieën niet.

[21] Beproef alle dingen, behoud het goede.

   Aantekening:  Veracht de profetieën niet. Gelovigen moeten openstaan voor de openbaring van Gods wil door medechristenen die de gave van de profetie uitoefenen (zie aantekening bij 1 Korinthe 14:22-25). De Thessalonicenzen minachten blijkbaar uitingen van profetie. Ze stopten daarmee een waardevolle bron van bemoediging divht en blusten het vuur van de Geest uit. Beproef alle dingen. In plaats van profetieën zonder meer te verwerpen op grond van profetische uitingen zonder enige waarde, moeten de Thessalonicenzen alle profetieën wegen, om waarheid van valsheid te onderscheiden. Dit ‘beproeven’ houdt vermoedelijk onder meer in het nagaan of de profetie overeenkomt met gezaghebbende openbaring, het taxeren van de waarde ervan voor de opbouw van de gemeente en het beoordelen ervan door mensen met een geestelijk onderscheidingsvermogen. Zie 1 Korinthe 14:29-33 * en 1 Korinthe 12:10 m.b.t. de werking van profetie in de gemeente. het goede. In het tekstverband wijst dit zeer waarschijnlijk op profetieën die de toets kunnen doorstaan.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

PSALM 71  : 3 

DAG 10

LEZEN: PSALM 71 

THEMA: Schuilplaats

(HSV) [3] Wees mij tot een rots om daarin te wonen, om voortdurend daarin te gaan. U hebt bevel gegeven om mij te verlossen, want U bent mijn rots en mijn burcht! 

(BGT) [3] Wees voor mij een veilige plek waar ik altijd heen kan gaan. U zult mij redden, want u bent sterk en machtig. U zult me beschermen tegen gevaar.

Aantekening

Psalm 71 : 3  Wees altijd mijn toevlucht. Het lied begint met een stevige geloofsbelijdenis, zekerheid puttend uit Gods verbondsbeloften: Gods gerechtigheid is Zijn betrouwbaarheid om Zijn beloften na te komen en is de grond onder de hoop (vgl. Psalm 71:15, 16, 19, 24).

Psalm 71

Dit is weer een persoonlijke klaagzang, geschikt voor een gelovige in gevaar van vijanden die hem zouden willen kwetsen door voordeel te trekken uit een of andere zwakheid of pijn (vers 9 – 11). Deze vijanden zouden vreemdelingen en/of Israëlieten kunnen zijn, de bewoordingen zijn algemeen genoeg om op beide van toepassing te kunnen zijn. Er staat geen opschrift boven de psalm. Het kan zijn dat de auteur hem heeft samengesteld met gebruikmaking van materiaal uit eerdere psalmen (speciaal die van David). Er zijn immers variaties (bv. in 71:1-3 klinkt 31:2-4 na, en de verwijzingen geven nog andere voorbeelden). De uiteenzetting hier onderscheidt de strofebouw van de psalm door de vocatief ‘o God’, of ‘o Heere’ te volgen. 

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 15 : 13

DAG 9

LEZEN: GENESIS 15 : 12 – 21

THEMA: Toekomstvisioen

(HSV) [13] Toen zei God tegen Abram: Weet wel [1][2]dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.

(BGT) [13] Maar je moet weten dat je nakomelingen later in een ander land zullen wonen. Daar zullen ze vreemdelingen en slaven zijn. Ze zullen er onderdrukt worden, vierhonderd jaar lang.

Aantekening

Genesis 15 : 13 – 16  vierhonderd jaar is waarschijnlijk op te vatten als een afgeronde termijn (vgl. Handelingen 7:6). Dit grijpt vooruit op de duur van de onderdrukking van de Israëlieten door de Egyptenaren vóór de uittocht uit Egypte. en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. Deze door de Heere aan Abram (weldra Abraham te noemen: Genesis 17:5) gedane belofte werd 600 tot 800 jaar later vervuld in de tijd van de uittocht (Exodus 12:35-36).want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol (Genesis 15:16). De Amorieten vormen een van de belangrijkste bevolkingsgroepen in Kanaän en komen dikwijls naast de Kanaänieten en anderen in de lijsten voor (zie Genesis 15:19-21). *  Gods reactie houdt in dat de Amorieten uit hun land verdreven worden als een daad van Goddelijke bestraffing. In die tijd zullen hun ongerechtigheden zo groot zijn dat god hun aanwezigheid in het land niet langer tolereert. * 


[1]  Exodus 12:[40] De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.

   Handelingen 7:[6] En zo sprak God uit dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en dat ze hen tot slaven zouden maken en slecht zouden behandelen, vierhonderd jaar lang.

Galaten 3:[17] Dit nu zeg ik: Het verbond, dat eertijds door God rechtsgeldig was gemaakt met het oog op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderddertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belofte teniet te doen.

Tekst voor vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 15 : 5 – 6

DAG 8

LEZEN: GENESIS 15 : 1 – 11

THEMA: Hogere sterrenkunde

(HSV) [5] Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: [1]Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. [6] [2]En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

(BGT) [5] Toen nam de Heer Abram mee naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel,’ zei de Heer. ‘Tel de sterren eens, als je dat kunt. Zo veel nakomelingen zul je krijgen.’ [6] Abram geloofde wat de Heer zei, en daarom vond de Heer Abram een goed mens.

Aantekening 

Genesis 15 : 6  Deze sleuteltekst in Genesis wordt in het Nieuwe Testament viermaal aangehaald (Romeinen 4:3, 22; Galaten 3:6; Jakobus 2:23). Geloof in God is iets wat geacht wordt door iedereen in de Bijbel te worden gepraktiseerd. Het behelst vertrouwen in God of een vertrouwelijke band met God (zie aantekening bij [3]Johannes 1:12-13; [4]Hebreeën 11:1), gebaseerd op de betrouwbaarheid van Zijn woorden, en het zal leiden tot het in acht nemen van Zijn geboden. Iemands geloof of het ontbreken daarvan wordt het best zichtbaar in een crisis zoals Abram die doormaakte. Hij geloofde dat God hem een zoon zou schenken, ondanks jarenlange kinderloosheid. rekende hem dat tot gerechtigheid. ‘Gerechtigheid’ is de fundamentele oudtestamentische deugd, gekenmerkt door een vroom leven in overeenstemming met de wet. De rechtvaardige geniet Gods genade. Hier onderstreept de verteller het belang van geloof. Voordat Abram zichzelf als rechtvaardige heeft bewezen door zijn daden, wordt hij gerekend (d.w.z. beschouwd) als rechtvaardige, vanwege zijn geloof. 

Een rijke toekomst       Genesis 15 : 1 – 6          (Uit de Vrouwen Bijbel)

Hoe kijk jij naar de toekomst? Abram is kinderloos en al op leeftijd. In de toekomst zal zijn familie menselijkerwijs niet worden voortgezet. Hij begrijpt dan ook niet waarom de Heere hem zoveel belooft. God doet echter geen boekje open over hoe het allemaal precies zal verlopen in Abrams leven. Abram vraagt ook uiteindelijk niet naar Gods plan met zijn leven. Hij vertrouwt de God Die hem geroepen heeft uit Ur.

Belooft is belooft           Genesis 15 : 5               (Uit de Vrouwen Bijbel)

Heb jij op een heldere avond weleens naar de ontelbare sterren gekeken? Zoals God Abram eerder over het land liet kijken (Genesis 13:15), laat God hem nu in een visioen naar de sterren kijken en belooft hem een talrijk nageslacht. ‘En hij geloofde in de Heere, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid’(vers 6). Abram wordt als rechtvaardig beschouwd omdat hij God vertrouwde. God rekent ook ons tot rechtvaardig als we zien op Christus, de beloofde Verlosser.


[1]  Exodus 32:[13] Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.

   Deuteronomium 10:[22] Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft de HEERE, uw God, u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.

   Romeinen 4:[18] En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.

   Hebreeën 11:[12] Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.

[2]  Romeinen 4:[3] Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend. [9] Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen? Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid. [18] En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. [22] Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 

   Galaten 3: [6] Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend.

   Jakobus 2: [22] Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden?

[3]  Johannes 1:[12] Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

     [13] die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.

    Aantekening: Hem aangenomen. ‘Aannemen’ betekent niet alleen met je verstand feiten over Jezus aanvaarden, maar ook ons in een persoonlijke relatie aan Hem onderwerpen. Zijn Naam betekent alles wat waar is over Hem, en daarmee geheel Zijn Persoon. die … geloven (Grieks pisteuö eis) houdt persoonlijk vertrouwen in. niet uit bloed … maar uit God geboren. Geen fysieke geboorte, etnische afkomst of menselijke inspanning kan mensen tot kinderen van God maken, maar alleen Gods boven natuurlijk werk (Johannes 8:41-47; vgl. Johannes 3:16). Zodoende kunnen niet alleen Joden, maar ook heidenen Gods kinderen worden (Johannes 11:51-52; vgl. Johannes 10:16). Zie ook Johannes 3:3-8.allen … heeft Hij macht gegeven … die … geloven. Lid worden van Gods familie door aanneming tot Zijn kind wordt voorafgegaan door het zaligmakend geloof.

[4]  Hebreeën 11: [1] Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

   Aantekening: vaste grond. Grieks ‘upostasis (‘verzekerdheid’, ‘overtuiging’; Hebreeën 3:14). hoopt. Over hoop zie Hebreeën 3:5; 6:11, 18; 7:19; 10:23. een bewijs van de zaken die men niet ziet. Door het geloof (Grieks pistis) te definiëren als ‘vaste grond’ en ‘bewijs’, zegt de auteur dat het bijbelse geloof geen vage, ingebeelde hoop, geen ‘wishful thinking’ is. Integendeel, geloof is de vaste overtuiging dat er in de toekomst iets – wat nog niet zichtbaar is, maar wel door god beloofd – ook werkelijk gaat gebeuren omdat Hij het zal doen. Bijbels geloven is geen bind vertrouwen terwijl het tegenovergestelde gebeurt, geen ‘sprong in het duister’; het is een innig, overtuigd vertrouwen in de almachtige, eeuwige, alwijze eeuwig betrouwbare God. Die Zich in Zijn Woord en in de mens Jezus Christus heeft geopenbaard. Zijn beloften zijn waar gebleken van geslacht tot geslacht, en Hij zal Zijn eigen volk ‘beslist niet loslaten en … beslist niet verlaten’ (Hebreeën 13:5). Dit geloof in Gods onzichtbare werkelijkheid krijgt extra aandacht in hoofdstuk 11 (b.v. 11:7, 8; vgl. vers 3) en heeft overtuiging en ‘vaste grond’ gebracht bij allen die Christus als hun Heere en Zaligmaker aannemen.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 14 : 19 – 20

DAG 7

LEZEN: GENESIS 14 : 13 – 24

THEMA: Abram gezegend

(HSV)  [19] En hij zegende hem en zei: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! [20] En geloofd zij God, de Allerhoogste, Die overgeleverd heeft uw tegenstanders in uw hand! En Abram gaf hem van alles een tiende deel. 

(BGT)  [19-20] En hij zegende Abram. Hij zei: ‘Ik dank de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Want hij heeft ervoor gezorgd dat u de strijd gewonnen hebt. God zal u gelukkig maken, Abram.’ Abram gaf aan Melchisedek een tiende deel van alles wat hij meegenomen had van de overwonnen koningen.

Aantekening

Genesis 14 : 19 – 20  Melchizedeks zegen schrijft Abrams overwinning toe aan de macht van God. Door aan Melchizedek van alles een tiende deel te geven, bevestigt Abram de betrouwbaarheid van Melchizedeks woorden. Die hemel en aarde bezit. Hoewel God heel de wereld geschapen heeft om Zijn tempel te zijn, onthult Genesis dat Gods eigendomsrecht op de aarde verworpen is door hen die Hem niet gehoorzamen (zie Inleiding: [1]Kernthema’s), in het licht daarvan is Melchizedeks erkenning van Gods autoriteit opmerkenswaardig, zeker in een polytheïstische omgeving.

Melchizedek                 Genesis 14 : 18             (Uit de Vrouwen Bijbel)

Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’ (Hebreeën 7:2). Melchizedek, de priester koning, komt Abram brood en wijn brengen. Het is de eerste keer dat brood en wijn samen worden genoemd in de Bijbel.  Dat kan niet zonder betekenis zijn als we bedenken dat Melchizedek in Hebreeën 7 vergeleken wordt met Jezus Christus. De Koning van de gerechtigheid, de Koning van de vrede, komt met brood en wijn. 


[1] Kernthema’s: 

  1. De Heere God is zowel transcendent als immanent en heeft de aarde geschapen om de plaats van Zijn woning te zijn. Hij stelt mensen aan als Zijn priesterlijke onderkoningen of vertegenwoordigers, zodat zij de aarde zouden vervullen en zorgvuldig heersen over de andere schepselen (Genesis 1:1-2:5).

(transcendent = uitstijgend boven bepaalde grenzen, vooral de grenzen van de wereld die we kunnen waarnemen, buitenzintuiglijk.)

(Immanent = innerlijk, erbij horend, tot de structuur van de zaak of het geheel behorend; tegengest. → transcendentGod als immanente oorzaak van de dingen immanente gerechtigheid ).

  • Het eerste menselijke paar verzaakt zijn priesterlijke en koninklijke plichten. Het komt in opstand tegen God en bedriegt Hem door te handelen maar de voorstellen van de slang. Hun moedwillige ongehoorzaamheid tast de menselijke natuur en de harmonieuze orde van de schepping aan (Genesis 3:1-24; 6:5-6).
  • God kondigt genade aan dat het nageslacht van de vrouw verlossing van de tirannie van de slang voor de mensheid zal bewerken. Genesis schetst dan een unieke familielijn die toont hoe de leden ervan een bijzondere verhouding tot God genieten en een bron van zegen zijn voor een wereld die onder het oordeel van God ligt (Genesis 3:15; 4:25; 5:2; 6:8-9; 11:10-26; 12:1-3; 17:4-6; 22:16-18; 26:3-4, 24; 27:27-29; 28:14; 30:27-30; 39:5; 49:22-26).
  • Als gevolg van de ongehoorzaamheid van de mens verwordt zijn unieke verhouding tot de aardbodem, met moeitevolle arbeid en zelfs hongersnood tot gevolg. Hoewel Genesis de gevolgen van de verbroken relatie levendig tekent, schildert het ook de bijzondere familielijn als verlichting brengend van deze last (Genesis 3:17-19; 5:29; 9:20; 26:12-33; 41:1-57; 47:13-26; 50:19-21).
  • Terwijl het bij de straf voor de vrouw gaat om de pijn bij het baren van kinderen (Genesis 3:16), spelen vrouwen een essentiële rol bij het voortzetten van de unieke familielijn. Met Gods hulp wordt zelfs onvruchtbaarheid overwonnen (Genesis 11:30; 21:1-7; 25:21; 29:31-30:24; 38:1-30).
  • De verdorvenheid van de menselijke natuur veroorzaakt dat families uit elkaar gaan wanneer broederlijke genegenheid ontaardt in een wrevel en haat (Genesis 4:1-16; 13:5-8; 25:22-23, 29-34; 27:41-45; 37:2-35). Hoewel Genesis de aandacht vestigt op de realiteit van familietwisten, hebben de familieleden de mogelijkheid om bewerkers van verzoening te zijn (Genesis 13:8-11; 33:1-11; 45:1-28; 50:15-21).
  • God gebruikt verbanning uit Eden en verstrooiing over de aarde om de zondaars te straffen (Genesis 3:22-24; 4:12-16; 11:9). De landbelofte is echter een teken van Goddelijke genade (Genesis 12:1-2, 7; 13:14-17;15:7-21; 26:2-3; 28:13-14; 50:24).
  • Alhoewel God bereid is bijna de gehele mensheid vanwege haar verdorvenheid te vernietigen. (Genesis 6:7, 11-12; 18:17-33), verlangt Hij dat de aarde wordt bevolkt door mensen die rechtvaardig zijn (Genesis 1:28; 8:17; 9:1, 7; 15:1-5; 17:2; 22:17; 26:4; 28:3; 35:11; 48:4).  

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 14 : 12

DAG 6

LEZEN: GENESIS 14 : 1 – 12

THEMA: Teruggepakt

(HSV)  [12] Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee, en trokken weg; hij woonde namelijk in Sodom. 

(BGT)  [12] En ook Lot namen ze mee, de neef van Abram, met al zijn bezittingen. Lot woonde namelijk in Sodom.

Aantekening

Genesis 14 : 12  Net als het verslag van vers 11 vertelt dit vers de wegvoering van Lot en zijn bezittingen uit Sodom.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 13 : 14 – 17 

DAG 5

LEZEN: GENESIS 13 : 1 – 18 

THEMA: Uit elkaar

(HSV) [14] En de HEERE zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem afgescheiden had: Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. [15] [1]Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven. [16] [2]En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden. [17] Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.

(BGT) [14] Toen Lot weg was, zei de Heer tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, naar het noorden en het zuiden, naar het oosten en het westen.  [15] Al het land dat je ziet, zal ik aan jou en aan je nakomelingen geven. Het zal altijd van jullie zijn.  [16] Ik zal je heel veel nakomelingen geven. Ze zullen ontelbaar zijn, net zoals het zand op aarde ontelbaar is. [17] Je kunt overal heen gaan, want ik zal het land aan jou geven.’

Aantekening

Genesis 13 : 14 – 17  Nog meer dan in Genesis 12:7 beklemtonen de Goddelijke woorden niet alleen de grootte van het land dat Abrams nakomelingen zullen erven, maar ook hoe talrijk ze zullen zijn .als het stof van de aarde (Genesis 13:16) is een van de drie beelden die God gebruikt om het grote aantal nakomelingen dat Abram zal krijgen, te schetsen (vgl. Genesis 15:5; 22:17). In dit stadium heeft Abram nog steeds geen kinderen.

Beloofde land               Genesis 13 : 15             (Uit de Vrouwen Bijbel)

De bezittingen van oom en neef drijven de twee uiteen. Lot kiest het mooiste stuk land, maar wel buiten het Beloofde Land en daarmee buiten de bescherming van God. Dan spreekt God tot Abram. ‘Zie je Abram, dit land geef Ik jou en je nakomelingen.’ Beloofd Land. Abram vertrouwt erop dat God deze belofte waarmaakt, hij bouwt een altaar voor de Heere.


[1]  Genesis 12:[7] Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was.

    Genesis 15:[7] Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben.

     [18] Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:

    Genesis 17:[8] Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.

    Genesis 26:[4] Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,

    Deuteronomium 34:[4] En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.

    Handelingen 7:[5] Maar Hij gaf hem daarin geen erfdeel, zelfs geen voetstap; en Hij beloofde hem, toen hij nog geen kind had, dat Hij dat land aan hem en na hem aan zijn nageslacht in bezit geven zou.

   Verwijzing uit de verwijs Bijbel: Handelingen 13:[26] Mannenbroeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en wie onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.

     [27] Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders, die Hem niet kenden, hebben door Hem te veroordelen de uitspraken van de profeten vervuld, die iedere sabbat voorgelezen worden.

     [28] En hoewel zij geen reden voor Zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden.

     [29] En toen zij alles volbracht hadden wat er over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf.

     [30] Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

     [31] en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen die met Hem opgegaan waren van Galilea naar Jeruzalem en die nu Zijn getuigen zijn bij het volk.

     [32] En wij verkondigen u de belofte die aan de vaderen gedaan is, namelijk dat God die vervuld heeft aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,

[2]  Genesis 15:[5] Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.

   Genesis 17:[4] Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken.

   Deuteronomium 10:[22] Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte, en nu heeft de HEERE, uw God, u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.

   Jeremia 33:[22] Zoals het leger aan de hemel niet geteld en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik het nageslacht van Mijn dienaar David maken, en de Levieten, die Mij dienen.

   Romeinen 4:[17] zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren.

     [18] En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.

   Hebreeën 11:[12] Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 12  : 11 – 13 

DAG 4

LEZEN: GENESIS 12 : 10 – 20

THEMA: Vertrouwenscrisis

(HSV) [11] En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent die knap is om te zien. [12] Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten. [13] [1]Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.

(BGT) [11] Toen hij en Sarai bijna in Egypte waren, zei Abram tegen zijn vrouw: ‘Luister eens. Jij bent een mooie vrouw.  [12] Als de Egyptenaren jou zien, willen ze je natuurlijk hebben. En omdat je mijn vrouw bent, zullen ze mij dan vermoorden.  [13] Zeg maar dat je mijn zus bent. Dan laten ze mij leven en zullen ze me juist goed behandelen.’

Aantekening

Genesis 12 : 11 – 13  Bang dat zijn leven in gevaar is vanwege de schoonheid van Sarai verzint Abram een list, gestoeld op een halve waarheid (zie Genesis 20:12). Abram eigengereide optreden veronderstelt dat hij denkt dat God niet in staat is hem te beschermen. Juist als het plan mislukt, is het God Die hem redt (Genesis [2]12:17).


[1]  Genesis 20:[12] Zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden.

   Genesis 26:[7] Toen de mannen van die plaats hem naar zijn vrouw vroegen, zei hij: Zij is mijn zuster, want hij was bevreesd om te zeggen: Zij is mijn vrouw. Hij dacht: Anders zullen de mannen van deze plaats mij doden om Rebekka. Zij was namelijk knap om te zien.

[2]  Genesis 12:[17] Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 12 : 1  

DAG 3

LEZEN: GENESIS 12 : 1 – 9

THEMA: Vertreksein

(HSV)  [1] De HEERE nu zei tegen Abram: [1]Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.

(BGT) [1] De Heer zei tegen Abram: ‘Ga weg uit je eigen land en ga weg van je familie. Ik zal je zeggen naar welk land je moet gaan.

Aantekening

Genesis 12 : 1  Gods uitnodiging aan Abram roept hem om de gebruikelijke bronnen van persoonlijke identiteit en veiligheid, namelijk zijn familie en zijn land, achter zich te laten. Om te gehoorzamen moet Abram onvoorwaardelijk vertrouwen op God. Alle menselijke ondersteuning ontvalt hem totaal. De beloofde gevolgen zijn afhankelijk van Abrams gehoorzaamheid. zei. In Handelingen 7:2-3 houdt Stefanus het ervoor dat God Abram riep voordat hij in Haran woonde. De grammatica veroorlooft het inderdaad ‘had gezegd’ te vertalen in plaats van ‘zei’.


[1]  Handelingen 7:[3] en Hij zei tegen hem: Ga uit uw land en uit uw familie en kom naar een land dat Ik u wijzen zal.

   Hebreeën 11:[8] Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou.

Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

GENESIS 11 : 27

DAG 2

LEZEN: GENESIS 11 : 10 – 32 

THEMA: Halverwege

(HSV)  [27] Dit zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot.

(BGT)  [26] Toen Terach 70 jaar oud was, kreeg hij drie zonen: Abram, Nachor en Haran.

Aantekening

Genesis 11 : 27  Abram krijgt later de naam ‘Abraham’ (zie Genesis [1]17:5). [Abraham – In de laatste lettergreep van dit woord klinkt het Hebreeuwse woord voor ‘menigte’ door.]

Genesis 11 : 27  Geschiedenis van de aartsvaders. De vertelling beweegt zich nu van het algemene overzicht van de mensheid naar de specifieke familie waaruit Israël voortkomt. De verhalende stijl wordt strikt zakelijk. De verteller besteedt veel meer tijd aan het beschrijven van het leven van zijn karakters. Waar hoofdstuk 1 – 11 vele generaties overlapt in slechts 11 hoofdstukken, gaat de geschiedenis van de aartsvaders over slechts vier generaties in wel 30 hoofdstukken. Het begint met Abraham en vervolgt met Izak, en zijn beide zonen Jakob e Ezau. Het laatste gedeelte richt de aandacht op Jakobs zonen, met name Jozef. Hier worden de specifieke eigenschappen voor het bestaan van Israël duidelijk: Het (Mozaïsche) verbond van de Sinaï dat de eerste hoorders van de hoofdstukken ontvangen, zal de historische achtergrond leveren waarin Israël deze aartsvaderlijke beloften in praktijk moet brengen. In de loop van deze hoofdstukken zullen de lezers zien hoe God de leden van Zijn uitverkozen Familie bewaart. Het is hun roeping met Hem te wandelen en zo de bron te zijn van een bijzonder volk, het kanaal waardoor de zegen tot heel de wereld komt.

Genesis 11 : 27  Nakomelingen van Terah. Een nieuw opschrift, gekenmerkt door de uitdrukking ‘Dit zijn de afstammelingen van’, leidt het volgende hoofdonderdeel van Genesis in (zie aantekening bij Genesis [2]2:4). Deze hoofdstukken richten zich op de onmiddellijke nakomelingen van Terah. Ze besteden bijzondere aandacht aan Abram, omdat de unieke familielijn van Genesis via hem doorgaat.Genesis 11 : 27 – 32  Een korte introductie op de familie van Terah. Er volgen verschillende details die ertoe bijdragen de volgende vertelling te begrijpen: de dood van Haran, de vader van Lot (vers 28); de terugkeer van de familie van het zuiden naar het noorden van Mesopotanië (vers 31); en de onmogelijkheid van Abrams vrouw om kin


[1]  Genesis 17: [5] U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.

[2]  Genesis 2:[4] Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte –

Aantekening bij Genesis 2:[4] Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam. Dit is de eerste van de elf van zulke beginzinnen die structuur geven aan het boek Genesis (vgl. Genesis 5:1, met enige variatie 6:9; 10:1; 11:10; 11:27; 25:12; 25:19; 36:1; 36:9; 37:2 *). Elke aanhef richt de aandacht op wat voortkomt uit het object of de persoon die genoemd wordt. De eerste vertalers van Genesis in het Grieks (in de Septuagint, voortaan weergegeven als LXX) gebruikten het woord genesis om het Hebreeuwse woord voor ‘generaties’ (Hebreeuws toledot) over te zetten, vandaar de titel ‘Genesis’. De rest van het vers is kunstig opgebouwd als een soort spiegel, ofwel in een chiastische vorm, waarbij de delen van de twee poëtische lijnen op elkaar betrokken zijn in omgekeerde volgorde: hemel (A), aarde (B), toen zij geschapen werden (C). Op de dag dat de Heere God maakte (C’), aarde (B’) en hemel (A’). Deze vorm verenigt de twee delen van het chiasme. Daardoor worden de lezers aangemoedigd Genesis 2:5-25 in harmonie te brengen met Genesis 1:1-2:3. Heere God. In het verloop van Genesis 1:1-2:3 werd het algemene woord ‘God’ gebruikt om de Godheid aan te duiden als de transcendente Schepper. Nu wordt de lezer ingeleid in de persoonsnaam van God, te weten ‘Jahweh’ (vertaald al de Heere vanwege de oude Joodse traditie om deze persoonsnaam te vervangen door de ‘adonai, die in het Hebreeuws ‘Heer’ betekent). Het gebruik van ‘Jahweh’ in deze passage onderstreept de persoonlijke en relationele natuur van God. Het eerdere gebruik voor de voor de vertaling hiervan als ‘Heere’ en niet als ‘Jahweh’ vindt men in de gebruikelijke vertaling door de LXX (Grieks Kurios, ‘Heer’). De nieuwtestamentische auteurs halen deze vertaling vele malen aan. Zij gebruikten ook de Griekse term ‘kirios’, ‘Heer’, liever dan ‘Jahweh’ voor de Godsnaam. *