TEKST VOOR VANDAAG
GENESIS 14 : 19 – 20
DAG 7
LEZEN: GENESIS 14 : 13 – 24
THEMA: Abram gezegend
(HSV) [19] En hij zegende hem en zei: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! [20] En geloofd zij God, de Allerhoogste, Die overgeleverd heeft uw tegenstanders in uw hand! En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
(BGT) [19-20] En hij zegende Abram. Hij zei: ‘Ik dank de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Want hij heeft ervoor gezorgd dat u de strijd gewonnen hebt. God zal u gelukkig maken, Abram.’ Abram gaf aan Melchisedek een tiende deel van alles wat hij meegenomen had van de overwonnen koningen.
Aantekening
Genesis 14 : 19 – 20 Melchizedeks zegen schrijft Abrams overwinning toe aan de macht van God. Door aan Melchizedek van alles een tiende deel te geven, bevestigt Abram de betrouwbaarheid van Melchizedeks woorden. Die hemel en aarde bezit. Hoewel God heel de wereld geschapen heeft om Zijn tempel te zijn, onthult Genesis dat Gods eigendomsrecht op de aarde verworpen is door hen die Hem niet gehoorzamen (zie Inleiding: [1]Kernthema’s), in het licht daarvan is Melchizedeks erkenning van Gods autoriteit opmerkenswaardig, zeker in een polytheïstische omgeving.
Melchizedek Genesis 14 : 18 (Uit de Vrouwen Bijbel)
Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’ (Hebreeën 7:2). Melchizedek, de priester koning, komt Abram brood en wijn brengen. Het is de eerste keer dat brood en wijn samen worden genoemd in de Bijbel. Dat kan niet zonder betekenis zijn als we bedenken dat Melchizedek in Hebreeën 7 vergeleken wordt met Jezus Christus. De Koning van de gerechtigheid, de Koning van de vrede, komt met brood en wijn.
[1] Kernthema’s:
- De Heere God is zowel transcendent als immanent en heeft de aarde geschapen om de plaats van Zijn woning te zijn. Hij stelt mensen aan als Zijn priesterlijke onderkoningen of vertegenwoordigers, zodat zij de aarde zouden vervullen en zorgvuldig heersen over de andere schepselen (Genesis 1:1-2:5).
(transcendent = uitstijgend boven bepaalde grenzen, vooral de grenzen van de wereld die we kunnen waarnemen, buitenzintuiglijk.)
(Immanent = innerlijk, erbij horend, tot de structuur van de zaak of het geheel behorend; tegengest. → transcendent: God als immanente oorzaak van de dingen | immanente gerechtigheid ).
- Het eerste menselijke paar verzaakt zijn priesterlijke en koninklijke plichten. Het komt in opstand tegen God en bedriegt Hem door te handelen maar de voorstellen van de slang. Hun moedwillige ongehoorzaamheid tast de menselijke natuur en de harmonieuze orde van de schepping aan (Genesis 3:1-24; 6:5-6).
- God kondigt genade aan dat het nageslacht van de vrouw verlossing van de tirannie van de slang voor de mensheid zal bewerken. Genesis schetst dan een unieke familielijn die toont hoe de leden ervan een bijzondere verhouding tot God genieten en een bron van zegen zijn voor een wereld die onder het oordeel van God ligt (Genesis 3:15; 4:25; 5:2; 6:8-9; 11:10-26; 12:1-3; 17:4-6; 22:16-18; 26:3-4, 24; 27:27-29; 28:14; 30:27-30; 39:5; 49:22-26).
- Als gevolg van de ongehoorzaamheid van de mens verwordt zijn unieke verhouding tot de aardbodem, met moeitevolle arbeid en zelfs hongersnood tot gevolg. Hoewel Genesis de gevolgen van de verbroken relatie levendig tekent, schildert het ook de bijzondere familielijn als verlichting brengend van deze last (Genesis 3:17-19; 5:29; 9:20; 26:12-33; 41:1-57; 47:13-26; 50:19-21).
- Terwijl het bij de straf voor de vrouw gaat om de pijn bij het baren van kinderen (Genesis 3:16), spelen vrouwen een essentiële rol bij het voortzetten van de unieke familielijn. Met Gods hulp wordt zelfs onvruchtbaarheid overwonnen (Genesis 11:30; 21:1-7; 25:21; 29:31-30:24; 38:1-30).
- De verdorvenheid van de menselijke natuur veroorzaakt dat families uit elkaar gaan wanneer broederlijke genegenheid ontaardt in een wrevel en haat (Genesis 4:1-16; 13:5-8; 25:22-23, 29-34; 27:41-45; 37:2-35). Hoewel Genesis de aandacht vestigt op de realiteit van familietwisten, hebben de familieleden de mogelijkheid om bewerkers van verzoening te zijn (Genesis 13:8-11; 33:1-11; 45:1-28; 50:15-21).
- God gebruikt verbanning uit Eden en verstrooiing over de aarde om de zondaars te straffen (Genesis 3:22-24; 4:12-16; 11:9). De landbelofte is echter een teken van Goddelijke genade (Genesis 12:1-2, 7; 13:14-17;15:7-21; 26:2-3; 28:13-14; 50:24).
- Alhoewel God bereid is bijna de gehele mensheid vanwege haar verdorvenheid te vernietigen. (Genesis 6:7, 11-12; 18:17-33), verlangt Hij dat de aarde wordt bevolkt door mensen die rechtvaardig zijn (Genesis 1:28; 8:17; 9:1, 7; 15:1-5; 17:2; 22:17; 26:4; 28:3; 35:11; 48:4).