HSV: [13] Daarvoor was hij ingehuurd, zodat ik bevreesd zou worden en zo zou handelen, en zondigen, en zodat zij iets zouden hebben om mij een slechte naam te bezorgen, om mij te kunnen honen.
NBV21: [13] Hij was betaald om mij bang te maken, zodat ik op zijn voorstel zou ingaan en heiligschennis zou plegen. Dan hadden ze iets om mij zwart te maken en mij in opspraak te brengen.
BGT: [13] Semaja was betaald om mij bang te maken, zodat ik met hem mee zou gaan naar de tempel. Maar dan zou ik een grote fout maken. En dat zou voor mensen een reden zijn om kwaad over mij te spreken. Dan zou iedereen slecht over mij denken.
Aantekening bij:
Nehemia 6:13 bevreesd … worden zou hier het tegenovergestelde van geloof zijn dus zondigen (zie Deuteronomium 1:28-33, en ook aantekening bij Ezra 3:3; Nehemia 4:14). Zulk ongeloof zou zijn vijanden de kans geven om Nehemia te honen (zie Nehemia 5:19) en zo zijn gezag te ondermijnen.
Aantekening bij Ezra 3:3 op zijn fundament. Waarschijnlijk waren er nog zichtbare resten van het oorspronkelijke altaar (wat mogelijk blijkt uit Jeremia 41:4-5). In ieder geval was de exacte plaats nog bekend. Het altaar krijgt absolute voorrang, omdat het ook als eerste het land binnengebracht was, vele jaren eerder (Deuteronomium 27:1-8). De haast om het op te richten werd misschien nog groter door de schrik voor de volken van de landen rondom. Dit zijn de inwoners van Judea – en misschien van de buurlanden – die niet bij de groep teruggekeerde ballingen hoorden. Misschien zijn sommigen wel van Joodse origine, maar ze vormen een hechte groep, en worden al snel tegenstanders van het werk. Het volk kent opnieuw verschrikking, net als toen zij het land voor de eerste maal bezetten, en schrik hen overmand haf (Numeri 14:1-3). Maar in dit geval zijn ze vastbesloten, ondanks hun schrik. Er moeten dagelijks brandoffers gebracht worden op het altaar, ’s morgens en ’s avonds, zoals Mozes geboden had in Exodus 29:38-42.
Aantekening bij Nehemia 4:14 Wees niet bevreesd is zowel een bevel als een vermaning, verankerd in de oproep om te geloven dat God Zijn vijanden kan verslaan (zie ook Deuteronomium 1:21, 29; Jozua 1:9), net zoals Hij vroeger heeft gedaan (tijdens de uittocht uit Egypte en de verovering van Kanaän).