HSV: [8] Daarop zei Jezus tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
NBV21: [8] Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe.’
BGT: [8] Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’
Aantekening bij:
Lukas 20:1-8 Jezus’ bevoegdheid betwist. De vraag naar Jezus’ bevoegdheid (vers 1-2) hangt nauw samen met de tempelreiniging (Lukas 19:45-48). Jezus’ tegenvraag (vers 3-4) brengt Zijn tegenstanders in verlegenheid (vers 5-7). toen Hij … onderwees. Vgl. Lukas 19:47. deze dingen. Niet alleen de reiniging van de tempel, maar ook Zijn genezingen en het onderwijs in de tempel (en elders), omdat Jezus volgens de maatstaven van de vragenstellers geen officieel gezag heeft als priester of schriftgeleerde. De doop (nl. het dienstwerk) van Johannes, was die uit de hemel (d.w.z. uit God; Lukas 15:7, 18, 21) of uit de mensen (d.w.z. van puur menselijke oorsprong; vgl. aantekening bij Mattheüs 21:25-27). Om het door Jezus’ vraag (vers 4) opgeworpen dilella te omzeilen, zeiden ze dat ze het niet wisten. Want ze vreesden voor de gevolgen, als zij kritisch zouden uitlaten over Johannes de Doper. Ook zijn door Gods gezag gedekte dienst werk had losgestaan van het officiële Joodse gezag. Maar hun betuiging van onwetendheid maakt duidelijk dat ze dan ook Jezus’ dienstwerk niet kunnen beoordelen! Als zij niet weten of Johannes de Doper van God kwam, kunnen ze dat ook niet weten van Jezus. Tegenover zoveel vijandigheid besluit Jezus hun vraag niet te beantwoorden, en Hij brengt daarmee hun onkunde aan de dag.
Korte overdenking
Als we zo dit bijbelgedeelte lezen, komt bij mij de gedacht naar boven hoe zouden wij dit vragen? Ik denk dat wij zouden vragen om een legimitatiebewijs en dan had Jezus ons gevraagd of wij ons legimitatiebewijs wilden laten zien. Maar wat moeten wij dan zeggen als wij de vraag krijgen of wij in God geloven of niet? Ja als we in de kerk zijn is het moeilijk om te getuigen dat we Jezus hebben aangenomen als onze Redder en dat wij door de doop gereinigd zijn, en door Jezus bloed en offer kinderen van God zijn. Maar als iemand op straat vraat of je in Jezus gelooft, wat dan? Als de persoon die de vraag stelt alleen is en er verder niemand bij is zal het nog gaan maar als er mensen bij zijn van wie je weet dat ze niets hebben met het geloof wat dan? Hier in ons bijbelgedeelte is het voor de vragenstellers ook moeilijk om uit te komen voor hun gedachten over Jezus, zij wisten het antwoord wel ook al zeiden ze het niet te weten. Maar het kost wat als je voor Jezus kiest. Dus vaak kies je dan maar de weg van de minste weerstand en zeg je dat je het niet weet. Jezus zag veel vijandigheid om zich heen en daarom koos Hij, om niet te antwoorden op de vraag. Jezus kiest dus duidelijk om niet in discussie te gaan met mensen die naar de bekende wegvragen. De bijbel leert ons om te evangeliseren en niet om discussies aan te gaan.
Uit de mannen Bijbel
Parels voor de zwijnen? Lukas 20:1-8
Eerlijkheid is een grote deugd. Mooi als je eerlijk omgaat met de mensen om je heen. Moet je dan altijd zeggen hoe het zit? Moet je voor iedereen je ziel onthullen? Jezus laat ons zien van niet. Er is een grens. Pas op dat mensen je eerlijkheid niet misbruiken. We hoeven geen parels voor de zwijnen te werpen, en voor sommige onthullingen is de tijd misschien nog niet rijp.
Aantekening bij Mattheüs 21:25-27 > uit de hemel of uit mensen? De onoprechtheid van de leiders blijkt uit hun weigering om deze vraag te beantwoorden, maar Jezus strikt hen ook, want zij zijn de godsdienstige leiders en moeten nu hun onkunde bekennen. En als zij niet weten of Johannes van God was, hoe kunnen ze dan beoordelen of Jezus dat is?