HSV: [3] Ik zeg u: Nee, maar als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen.
NBV21: [3] Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen.
BGT: [3] Nee, dat is echt niet zo. Jullie moeten je leven veranderen. Anders zullen jullie allemaal op die manier sterven.
Aantekening bij:
Lukas 13:1-5 De gebeurtenissen betreffende de Galileeërs die door Pilatus omgebracht waren, en de gebeurtenissen bij de val van de toren in Siloam worden verder nergens in de Bijbel vermeld. van wie Pilatus het bloed … vermengd had. Blijkbaar heeft Pilatus mensen laten doden die wilden offeren (zie aantekening bij Lukas 23:1). Denkt u … grotere zondaars zijn geweest? Is Jezus’ retorische vraag. Inderdaad dachten veel mensen dat rampen en ziekten het gevolg waren van zonden van de slachtoffers (zie aantekening bij Johannes 9:2), maat Jezus verklaart met een beslist Nee dat dat hier niet het geval is. als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen. Al heeft Jezus doorgaans mededogen met mensen die lijden, hier leert Hij een andere les: de tragische feiten vormen een waarschuwing dat er over de hele wereld een definitief oordeel zal komen. De toren in Siloam kan een deel van de muur van Jeruzalem zijn geweest, dicht bij het badwater Siloam.
Aantekening bij Lukas 23:1 de hele menigte van hen. De ‘Raad’ (jet Sanhedrin) van Lukas 22:66. naar Pilatus. Zie Lukas 3:1. Het Romeinse bewind over Juda zetelde eigenlijk in Caesarea, niet in Jeruzalem. Pilatus was voor het Pascha in Jeruzalem om politieke onrust voor te zijn. Hij heeft stellig onlusten in Jeruzalem opgemerkt. Later heeft hij zijn positie verloren na een verkeerd behandeld incident in Samaria. Blijkens de evangeliën hangt Pilatus’ bereidheid om Jezus terecht te stellen samen met zijn wens om de orde te handhaven, niet om recht te doen. In Joodse bronnen wordt Pilatus’ bewind (26-36 n. Chr.) afgeschilderd als hard, hebzuchtig en wreed (vgl. Lukas 13:1). Als voorbeelden van zijn minachting voor de Joodse religie vertelt Josephus dat Pilatus heidense Romeinse legeremblemen in Jeruzalem plaatste en tempelschatten aan de bouw van een aquaduct besteedde (De oude geschiedenis van de Joden. 18.55-62; zie ook Philo, Bezoek aan Gaius, 299-306). Blijkens een inscriptie heeft Pilatus in Cesarea een bouwwerk gewijd aan de keizerverering van Tiberius (zie aantekening bij Handelingen 8:40).
Aantekening bij Johannes 9:2 De vraag van de discipelen komt voort uit een algemeen heersende gedachte in het oude Jodendom: lijden komt door zonde. Het achterliggende motief – goedbedoeld, maar misplaatst – was dat men God niet wilde beschuldigen van onrecht jegens onschuldige mensen (vgl. Exodus 20:5; Numeri 14:18; Deuteronomium 5:9). Maar het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat lijden niet altijd is terug te voeren op persoonlijke zonde (b.v. Lukas 13:2-3a; 2 Korinthe 12:7; Galaten 4:13; de kruisiging van Jezus; zie ook Johannes 12:28, 37-41; 17:1, 5).
Aantekening bij Handelingen 8:40 Filippus kwam terecht in het kustgebied. Hij verkondigde eerst in Asdod en ging daarna naar Caesarea, waar hij waarschijnlijk is gaan wonen (zie Lukas 21:8). Caesarea had een grote groep Griekssprekenden. De oorspronkelijke kleine havenstad heette eerst Strato’s Toren. Zij werd door Herodes herbouwd in prachtige Griekse bouwstijl en kreeg een sterk verbeterde haven. In Filippus’ tijd zetelde daar het Romeinse bestuur over Judea. Opgravingen brachten belangrijke vondsten aan het licht, zoals de Herodespoort, een amfitheater in de vorm van de hippodroom voor paardenrennen, een paleis gebouwd op een in zee uitlopende rots (vaak aangeduid als Herodes’ paleis) en een groot, hoog aquaduct. Hij bouwde hier een tempel voor Augustus, en een inscriptie in het theater vermeldt dat Pontius Pilatus een ‘Tiberium’ inwijdde (een heilige plaats aan keizer Tiberius gewijd). Er bestond een gespannen verhouding tussen de Joodse en de heidense bevolking, en een van de oorzaken van de Eerste Joodse Revolutie (66-73 na Chr.) was de ontheiliging van de Joodse synagoge in Caesarea door de heidenen.
Uit de vrouwen Bijbel
Lijden Lukas 13:1-5
Jezus kent als geen ander de pijn van lichamelijk en geestelijke lijden. Hij kent ook het oordeel en onbegrip van de mensen. Troostvol om bij Hem te schuilen wanneer het leven getekend wordt door lijden. Jezus negeert de schuldvraag en kijkt naar de toekomst. Straks zal het lijden worden omgekeerd in vreugde voor degenen die op Hem vertrouwen.