Tekst van de dag bijzondere arbeiders
Lezen: Mattheüs 9:35 – 10:4
Zondag 14 Juni 2020 Mattheüs 10 : 2 – 4
De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon die Petrus genoemd werd, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, die ook Thaddeüs genoemd werd; Simon Kananites en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
(BGT) Nu volgen de namen van de twaalf leerlingen. Om te beginnen Simon, die ook Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. Verder Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs, de tollenaar, en Jakobus, de zoon van Alfeüs. Ten slotte Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.
Aantekening
Mattheüs 10 : 2 > apostelen (mv. van Grieks ‘apostolos; in Mattheüs alleen hier gebruikt; zie aantekening bij Romeinen 1:1) waren aangewezen als Jezus’ speciale vertegenwoordigers, terwijl onder ‘discipelen’ (Mattheüs 10:1) iedereen verstaan werd die in Jezus geloofde. Elke lijst van de twaalf begint met Petrus (vgl. Markus 3:16-19; Lukas 6:13-16; Handelingen 1:13), omdat hij woordvoerder was. Petrus, Jakobus en Johannes waren de vertrouwelijkste discipelen.
Mattheüs 10 : 3 – 4 > De twaalf apostelen waren nogal verschillend: o.a. vissers, een tollenaar (Mattheüs) en een fanatiek ijveraar (Simon Kananites). Judas Iskariot wordt altijd als laatste vermeld: ‘Iskariot’ gaf hoogstwaarschijnlijk aan waar hij vandaan kwam. Hij was de penningmeester van de groep (Johannes 12:6) en Jezus’ verrader.*
Aantekening bij Romeinen 1 : 1 > dienstknecht. Zie aantekening bij 1 Korinthe 7:21 over het gebruik van het woord ‘slaaf’ in de 1e eeuw (Grieks doulos, ‘dienstknecht, slaaf’). Dit predicaat geeft aan dat Paulus een slaaf van Christus is, maar tegelijkertijd herinnert het aan de geëerde dienstknechten van god in het Oude Testament, zoals Mozes, Jozua, David en de profeten (Jozua 14:7; 24:29; 2 Koningen 17:23; Psalm 89:4). apostel benadrukt dat het gezag van Paulus gelijk is aan het gezag van de 12 apostelen die door Christus werden gekozen. De apostelen werden specifiek door Christus geroepen (Mattheüs 10:1-7; Handelingen 1:24-26; Galaten 1:1) en zij hadden de opgestane Heere Jezus gezien (Handelingen 1:22; 1 Korinthe 9:1; 15:7-9). Zij vestigen de gemeente en gaven er leiding aan, onder Jezus Christus. Ze hadden het gezag om Gods woorden te spreken en te schrijven, in gezag gelijk aan de Schrift van het Oude Testament (1 Korinthe 14:37; 2 Korinthe 13:3; Galaten 1:8-9; 1 Thessalonicenzen 2:13; 4:15; 2 Petrus 3:2, 15-16). Jezus verscheen aan Paulus toen Paulus op weg was naar Damascus. Jezus riep Paulus toen om apostel te zijn (Handelingen 9; 22; 26; 1 Korinthe 9:1; 15:8-9; Galaten 1:13-17). Door het ongebruikelijke tijdstip van zijn roeping trok Paulus de conclusie dat er na hem geen andere apostelen meer zouden worden geroepen (1 Korinthe 15:8). Evangelie (Grieks eèangelion) betekent ‘goed nieuws’. Hieronder viel niet alleen de oproep om door geloof gered te worden, maar ook Paulus’ volledige boodschap m.b.t. Jezus Christus, en hoe Christus’ verlossing het hele leven en de hele geschiedenis transformeert.
Aantekening bij 1 Korinthe 7 : 21 > slaaf (Grieks doulos). De Romeinse manier van slaven houden verschilde van het slavendom in Noord-Amerika gedurende de 17e en 19e eeuw. Slaven mochten over het algemeen werken voor geld en om genoeg te kunnen sparen om zich vrij te kunnen kopen (zie Mattheüs 25:15, waar slaven veel geld en een geweldige verantwoordelijkheid werd toevertrouwd). Het Nieuwe Testament gaat ervan uit dat mensenhandel zonde is (1 Timotheüs 1:10; Openbaring 18:11-13), en Paulus spoort de christelijke slaven aan die ook vrij kunnen worden, van die gelegenheid gebruik te maken. De vrijgekomen slaaf werd officieel bestempeld als ‘vrijgelatene’ en bleef vaak werken voor zijn vroegere meester. Veel nog bestaande inscripties van vrijgelatenen geven aan dat de tendens bestond om de vroegere meester aan te nemen (nu hun ‘werkgever’) en hem te blijven eren.