Tekst van de dag Gezag
Lezen: Exodus 20 : 1 – 17
Zondag 17 Mei 2020 Exodus 20 : 1 – 17
Toen sprak God al deze woorden:
2Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.
3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
4U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.
5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten,
6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
7U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.
8Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt.
9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,
10maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.
11Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.
12Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.
13U zult niet doodslaan.
14U zult niet echtbreken.
15U zult niet stelen.
16U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
17U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.
(BGT) Hij zei: 2‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.
3Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.
4Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 5Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere godendienen.
Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 6Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.
7Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.
8Vier de sabbat, want dat is een bijzondere dag. 9Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 10Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 11Ik heb in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat daar leeft. Maar ik rustte op de zevende dag. Daarom heb ik de zevende dag gezegend. Ik heb er een heilige dag van gemaakt.
12Heb respect voor je vader en je moeder. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven.
13Vermoord niemand.
14Ga niet vreemd.
15Steel niet.
16Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.
17Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn huis, zijn vrouw, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel, en van al zijn bezit.’
Aantekening
Exodus 20 : 1 > Toen sprak God al deze woorden. Hij sprak zo dat heel het volk het kon horen. Vgl. de herhaalde vermelding van zichtbare en hoorbare tekenen van Gods tegenwoordigheid op de berg Sinaï (Exodus 19:16-20; 20:18) en Zijn uitspraak ‘U hebt zelf gezien dat Ik met u vanuit de hemel gesproken heb’ (Exodus 20:22).
Exodus 20 : 2 > Ik ben de Heere, uw God, die u uit het land Egypte … geleid heeft. Deze aanhef wil, als inleiding op de Tien Geboden en heel de wet, Israël ervan doordringen dat Gods oproep tot verbondstrouw jegens Hem gebaseerd is op de grote daden die God eerder voor hen heeft verricht. Gehoorzaamheid aan Gods geboden is het middel waardoor Israël kan aannemen en genieten wat Hij heeft gedaan door hen uit Egypte te bevrijden en hen tot Zijn persoonlijk eigendom te nemen. Door heel Israëls geschiedenis heen zal de Heere de verlossing uit Egypte aanhalen om uit te drukken Wie Hij is. Daarbij zal Hij hen vaak herinneren aan wat Hij voor hen heeft gedaan, en hen oproepen om zo te leven dat het daarbij past (bv. Richteren 6:8; 1 Samuël 10:18; Psalm 81:11; Jeremia 34:13).
Exodus 20 : 3 > U zult geen andere goden … hebben. De Heere eist exclusieve verbondstrouw. Als enige ware God van hemel en aarde kan en wil Jij geen verering van andere ‘goden’ toestaan (vgl. Exodus 22:20; 23:13, 24, 32). M.a.w. de enige aanvaardbare vorm van geloofspraktijk is monotheïsme, de verering van de enige God. voor Mijn aangezicht. De Hebreeuwse uitdrukking kan betekenen ‘de voorkeur gevend boven Mij’, ‘in Mijn tegenwoordigheid’ of ‘tegenover Mij’. Hier zal zijn bedoeld ‘in Mijn tegenwoordigheid’: geen andere goden vereren naast de Heere. Dit blijkt uit het volgende: (1) Het scheppingsverhaal maakt ‘andere goden’ irrelevant, omdat alleen de Heere het scheppingswerk heeft verricht (Genesis 1:1-2:3). (2) Door de gebeurtenissen in Egypte heeft de Heere getoond de meerdere te zijn van ‘andere goden’ (vlg. Exodus 12:12; 15:11; Ezechiël 20:7-8). (3) En voortdurend klinkt de oproep om alleen de Heere te dienen (Exodus 22:20; 23:13, 24, 32-33; vgl. Deuteronomium 6:13-15). Dit gebod laat zich er niet over uit of er überhaupt andere goden bestaan. Mozes uitspraak aan de volgende generatie maakt duidelijk ‘dat de Heere God is, niemand anders dan Hij alleen’ (Deuteronomium 4:35, 39; zie ook Psalm 86:10; Jesaja 44:6, 8; 45:5, 6, 18 en 1 Korinthe 8:4-6). Zie ook aantekening bij Deuteronomium 5:7.
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 7 > geen andere goden. De onvergelijkbaarheid van God (Deuteronomium 4:34, 39) heeft als logisch gevolg dat alleen Hij aanbeden moet worden. De Israëlieten waren niet de enigen monotheïsten in de oudheid. De Egyptische farao Achnaton (Amenhotep IV, regeerde ca 1350-1334 voor christus) aanbad Aton, d.w.z. de zonnegod, als de enige god (overigens zonder het bestaan van andere goden te ontkennen). Maar dit soort monotheïsme is duidelijk anders: de Aton is gepersonifieerd in de zon, en hij is onpersoonlijk en mechanisch. De Heere is niet een onderdeel van de schepping; Hij is persoonlijk en etisch en heeft een verbond met Zijn volk.
Exodus 20 : 4 – 6 > U zult voor uzelf geen beeld maken. In Egypte en Kanaän zag men de goden vaak in verband met bepaalde aspecten van de schepping. En men maakte bepaalde afbeeldingen waarin men ze vereerde. De Heere daarentegen heeft door de plagen en de uittocht duidelijk laten blijken dat Hij alle aspecten van de schepping beheerst, omdat de gehele aarde van Hem is (Exodus 9:29; 19:5). In verband hiermee verbiedt Hij Israël een beeld te maken van iets in de hemel of op de aarde om dat te aanbidden (Exodus 20:4-5a). De Heere motiveert dit verbod met het feit dat Hij een na-ijverig God is (zie Exodus 34:14; Deuteronomium 6:15), en dat Hij geen zichtbare gestalte heeft; men moet zich van Hem ook niet een voorstelling maken alsof Hij in zo’n gestalte woont (Deuteronomium 4:15-20). Israël heeft gezien wat er met Egypte is gebeurd toen de farao weigerde te erkennen wat God over Zichzelf wilde openbaren. Nu krijgt Israël de waarschuwing om niet hetzelfde te doen, al is God ook barmhartig en genadig (zie Exodus 34:6-7). Met ‘de wateren onder de aarde’ worden wateren bedoeld die lager staan dan het land, geen ‘ondergrondse wateren’ die men niet kon zien. De Israëlieten mogen geen vissen of krokodillen of andere dieren vereren.
Exodus 20 : 5 – 6 > een na-ijverig God. God de Schepper is alle eer waard van Zijn schepping. In feite kunnen Zijn schepselen alleen maar goed functioneren als ze God de eer en aanbidding geven die Hij verdient. Gods na-ijver is dus tevens Zijn ijver voor het welzijn van Zijn schepping. de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen. De ervaring bevestigt dat slecht gedrag van ouders bij hun kinderen en kleinkinderen vaak lijden als gevolg heeft. Het is juist een van de smartelijke kanten van de zonde, dat die naast de zondaar zelf ook anderen beschadigt. Maar deze regel wordt op twee manieren beperkt: (1) het geldt alleen voor hen die Mij haten. d.w.z. wie in ongeloof volharden, als vijanden van God. De kringloop van de zonde en lijden kan door bekering worden doorbroken. (2) Het lijden treft het derde en vierde geslacht, maar Gods barmhartigheid (Exodus 20:6) bereikt duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen (dus tot duizendste generatie, vgl. Deuteronomium 7:9).
Exodus 20 : 7 > Gods Naam ijdel gebruiken (zie aantekening bij Deuteronomium 5:11) betekent allereerst Gods Naam gebruiken bij een leugenachtige eed of ter bekrachtiging van een oneerlijke zaak (Leviticus 24:10-16). De Heere heeft Zijn Naam geopenbaard aan Mozes (Exodus 3:14-15), en steeds Zichzelf bekendgemaakt in verband met Zijn daden voor Israël (zie Exodus 5:24; 6:5-7). Nu waarschuwt Hij Israël ervoor Zijn Naam te gebruiken los van Zijn persoon, Zijn wezen of Zijn kracht.
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 11 > de Naam … gebruiken betekent deze uitspreken in een eed (vgl. Psalm 16:4); ijdel betekent ‘om een onwaardige reden’ (bv. in een list). Dit gebod verbiedt dus het gebruik van Gods Naam voor het doen van een belofte of eed die men niet van plan is te vervullen. Het verbiedt ook meineed, en ook het toeschrijven van verkeerde bedoelingen of karaktertrekken aan God (zoals in Deuteronomium 1:27).
Exodus 20 : 8 – 11 > Israël moet de sabbatdag gedenken door die te heiligen (vers 8; zie aantekening bij Deuteronomium 5:12-15). Met Zijn voorschriften voor het inzamelen van manna (zie Exodus 15:22-26) was de Heere al begonnen met het brengen van het volksleven in het ritme van zes dagen werken (Exodus 20:9) en op de zevende dag als sabbat rusten (Exodus 20:10). Nu baseert Hij het gebod dieper op Zijn eigen handelwijze bij de schepping (Exodus 20:11; zie Genesis 2:1-3). In elk aspect van Israëls volksleven moet tot uiting komen dat dit het volk van God is en door Zijn hand wordt onderhouden. Het weekpatroon van werken en rusten moet daarvan een blijvend en wezenlijk onderdeel zijn (zie Exodus31:12-18). In Deuteronomium 5:15 geeft Mozes hiervoor nog een motief: het herinneren aan de verlossing uit de Egyptische slavernij.
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 12 – 14 > het rusten op de sabbatdag geld ook voor het vee en voor de vreemdeling, die binnen uw poorten is (vers 14) d.w.z. buitenlanders die permanent in Israël komen wonen en de wetten van het land accepteren, maar geen eigen land kunnen bezitten (zie aantekening bij Deuteronomium 1:16-17). Het werk dat verboden wordt, wordt hier niet omschreven, maar zie Exodus 34:21; 35:3; Numeri 15:32-36.
Aantekening bij Deuteronomium 1 : 16 – 17 > vreemdeling. Vreemdelingen waren niet-Israëlieten die in het land woonden en de heerschappij en de wet van Israël erkenden. Zij bezaten geen land en waren dus kwetsbaar voor onderdrukking. In Deuteronomium wordt telkens weer gesteld dat vreemdelingen dezelfde rechten hebben als Israëlieten (bv. Deuteronomium 10:19; 14:29; 16:11, 14; 24:14, 17, 19-21; 26:11-13; 27:19). U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak. Onpartijdigheid is een eerste vereiste voor goede rechtspraak en een eigenschap van God Zelf (Deuteronomium 10:17).
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 15 > Exodus 20:11 omschrijft het houden van de sabbat als een imitatie van Gods rustdag na de schepping, zie Genesis 2:1-3. De motivatie voor de sabbat die hier wordt gegeven, is Israëls bevrijding uit de slavernij (vgl. Exodus 31:12-17, waar de thema’s ‘schepping’ en ‘Israël als Gods speciale verbondsvolk’ worden samengevoegd als reden om de sabbat te houden,) Deuteronomium spoort Israël regelmatig aan om in gedachten te houden dat zij slaven waren in het land Egypte als aanmoediging om de wet te houden (Deuteronomium 15:15; 16:12; 24:18,22). In gedachten houden (of: herinnering) is vaak gekoppeld aan gehoorzaamheid (Deuteronomium 7:18; 8:2, 18; 9:7; 11:2; 16:3; 24:9; 25:17; 32:7).
Exodus 20 : 12 > Eer uw vader en uw moeder. ‘Eren’ betekent iemand behandelen met respect dat overeenkomt met zijn persoon en functie. Ten aanzien van ouders betekent het (1) een respectvolle omgang (vgl. Exodus 21:15, 17); (2) de zorg voor hen op hun oude dag (zie over dit aspect van ‘eren’ Spreuken 3:9). Jezus en Paulus hebben elk het belang van dit gebod onderstreept (Markus 7:1-13; Efeze 6:1-3; 1 Timotheüs 5:4). Dit is het enige van de Tien Geboden met een aparte belofte: opdat uw dagen verlengd worden. Dat betekent niet zomaar een lang leven, maar een leven vol van Gods nabijheid en genade. Zie aantekening bij Deuteronomium 5:16.
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 16 > opdat uw dagen verlengt worden. Zie ook Deuteronomium 4:40; 5:33; 6:2; 11:9; 25:15; 30:18. Dit betekent niet alleen een lang leven, maar ook dat men Gods aanwezigheid en gunst ervoer: opdat het u goed gaat. Deze motivatie ontbreekt in Exodus 20:12. (zie ook Deuteronomium 4:40; 5:29, 33; 6:3, 18 enz.)
Exodus 20 : 13 – 15 > Het zesde, zevende en achtste gebod verbieden doodslaan (vers 13; zie aantekening bij Deuteronomium 5:17), echtbreken (vers 14) en stelen (vers 15). Met ‘echtbreken’ is vooral ‘overspel plegen’ bedoeld (zie Deuteronomium 5:18), omdat in bepaalde gevallen echtscheiding wel geoorloofd was (Deuteronomium 24:1). Daarmee stelt de wet voor Israël een minimale norm voor een rechtvaardige samenleving, en biedt een kader waarbinnen het volk verder wordt opgeroepen om heilig te zijn en de Heere lief te hebben met heel hun hart, heel hun ziel en heel hun kracht (Deuteronomium 6:4-9), en hun naasten met welwillendheid en vrijgevigheid (Leviticus 19:18). Dus de Israëlieten krijgen met het achtste gebod, als basisnorm voor hun nationale leven, de oproep meer te doen dan alleen maar andermans eigendommen te ontzien! Ze moeten Gods liefde voor hen vormgeven door de vreemdelingen lief te hebben als zichzelf (Leviticus 19:33-34) Als Jezus in de Bergrede de wet aanhaalt (‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is …’ Mattheüs 5:21 e.v.) corrigeert Hij niet de oudtestamentische wet, maar het misverstand dat deze wet (of de interpretatie ervan) als allesomvattend was bedoeld binnen het Koninkrijk der hemelen. Zo maakt Jezus duidelijk dat iemand door zijn broeder niet te doden niet de wet vervult als hij intussen wel ‘dwaas’ tegen hem zegt. Of dat hij een man door simpelweg niet te scheiden nog niet de wet vervult als hij wel naar een vrouw kijkt om haar te begeren (zie Mattheüs 5:21-24, 27-28; en aantekening bij Mattheüs 5:21-48).
Aantekening bij Deuteronomium 5 : 17 > U zult niet doodslaan. Het werkwoord dat hier wordt gebruikt (Hebreeuws ratsach) omvat zowel het onwettige of immorele doden van een ander mens (moord) alsook iemands dood veroorzaken door onvoorzichtig of nalatig handelen (doodslag: als in Deuteronomium 19:4-6; vgl. Numeri 35:22-25). Dit werkwoord wordt in het Oude Testament nooit gebruikt over doden tijdens oorlog. Het tegenovergestelde van moord wordt geboden in Leviticus 19:18: ‘u moet uw naaste liefhebben als uzelf.’
Aantekening bij Mattheüs 5 : 21 – 48 > Uit deze verzen blijkt dat Jezus’ uitleg van het Oude Testament het tegenovergestelde is van de foute uitleg en toepassing door de godsdienstige leiders. Zijn uitleg begint steeds met ‘U hebt gehoord dat … gezegd is’ (Mattheüs 5:21, 27, 33, 38, 43), waarna Jezus het Oude Testament niet verandert (zie aantekening bij vers 43), maar de misvattingen die er toen over bestonden.
Aantekening bij vers 43 > U hebt gehoord dat er gezegd is … uw vijanden moet u haten. Nergens in het Oude Testament staat dat je je vijand moet haten. Jezus zegt hier: ‘U hebt gehoord’ (ver 21, 27, 33, 38 43) en corrigeert het Oude Testament dus niet, maar de foute interpretatie ervan. Gods haat tegen het kwade was een centraal thema in het Oude Testament (bv. Psalm 5:5-6), dus concludeerde men dat de boosaardigen Gods vijanden waren en dat het vanzelfsprekend was om hen te haten (vgl. Psalm 26:4-5; 139:21-22). Maar God heeft nooit geboden je vijand te haten.
Exodus 20 : 16 > Een vals getuigenis spreken (zie Exodus 23:1-3) betekent: in een rechtsgeding een vals getuigenis afleggen waardoor je naaste kan worden veroordeeld. De Schrift verbiedt dit vanwege het vernietigend effect tussen de mensen en vanwege de opperste minachting van Gods wezen (zie Spreuken 6:16-19; 12:22; 19:5, 9). Israëls volksleven moest Gods recht en gerechtigheid weerspiegelen. Vals spreken moest men uitbannen, vooral als het was om winst te behalen ten koste van een ander en het recht te buigen.
Exodus 20 : 17 > De vorige vier geboden hebben te maken met daden en woorden (verzen 13-16). Maar het tiende gebod waarschuwt tegen het begeren van iets wat van uw naaste is. Als iemand iets begeert, laat hij die begeerte de verhouding met andere mensen bepalen. Daar kan moord, diefstal of leugen uit voortkomen om iets in bezit te krijgen. Omdat begeerte inhoudt dat je het bezit van wat je begeert belangrijker vindt dan Godsvertrouwen en gehoorzaamheid aan de Gever van alles wat nodig is, is het ook overtreding van het eerste gebod. Dat maakt Paulus duidelijk als hij begeerte of hebzucht ‘afgoderij’ noemt (Efeze 5:5; Kolossenzen 3:5).