Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Hooggestemd

Lezen: Psalm 47   

Vrijdag 22 Mei 2020                       Psalm 47 : 9 – 10

God regeert over de heidenvolken; God zit op Zijn heilige troon. De edelen van de volken voegen zich bij het volk van de God van Abraham; want de schilden van de aarde zijn van God. Hij is zeer hoog verheven!

(BGT) God is koning van alle volken. Hij zit op zijn heilige troon. De leiders van de volken komen bij elkaar om de God van Abraham te dienen. De leiders van de aarde horen bij God. Hij is hun koning, hij is machtig!

Aantekening

Psalm 47  >  Deze psalm bezingt Gods koningschap, d.w.z. Zijn regering over heel de aarde (zie aantekening bij Psalm 5:3). De beloften aan Abraham (Psalm 47:10), dat alle volken in hem gezegend zullen worden (Genesis 12:3), zijn gegrond op het feit dat er slechts één ware God is, aan Wie heel de mensheid eer en trouw verschuldigd is. Gelijksoortige psalmen zijn Psalm 93; 96 – 99.

Aantekening bij Psalm 5 : 3  >  mijn Koning en mijn God. Sommige psalmen die spreken over de Heere als ‘Koning’ doen denken aan Zijn regering over heel de schepping. Andere, zoals deze, verwijzen naar Hem als Koning over Zijn volk. Het Davidische koningschap – als het goed functioneerde – maakte geen enkele aanspraak op Goddelijk koningschap, hoewel een ongelovige koning God ertoe kon brengen het volk te straffen (vgl. 1 Samuël 8:7; 12:12-15).

Psalm 47 : 9 – 10  >  God regeert over de heidenvolken. Gods troon is Zijn 

heiligdom in Jeruzalem, van waaruit Hij Zijn regering uitstrekt over de heidenvolken. De psalm richt zich op de tijd dat de heidense edelen van de volken zich voegen bij het volk van de God van Abraham, d.w.z. het volk waarnaar de zegen van Abraham uiteindelijk is gekomen.

Gods instrument                   Psalm 47 : 10                      (Uit de Mannen Bijbel)

Het volk Israël heeft een unieke positie. In het Oude Testament zien we hoe God een verbond al uit met dit volk en hun het Beloofde Land geeft. Hij noemt hen Zijn volk. Dat is een eer die geen enkel ander volk ten deel valt.

Deze Psalm beschrijft die unieke positie. Maar de schrijver beseft ook dat Gods plan verder reikt dan het volk Israël zelf. ‘De edelen van de volken voegen zich bij het volk van de God van Abraham’ (vers 10).  God wil door het voorbeeld van Israël de andere volken bereiken, zodat ook die volken Hem zullen dienen. Hij is immers Koning over de hele aarde (vers 8).

Wij zijn niet het volk Israël, maar wel kinderen van God (Romeinen 8:15-17). Soms zijn we vooral druk met onze eigen relatie tot God. We danken Hem dat Hij ons als Zijn kinderen heeft aangenomen, maar vergeten om ons heen te kijken naar mensen die God nog niet kennen. God wil dat iedereen Hem leert kennen (Johannes 3:16). Net als het volk Israël ben jij deel van het grotere plan van God om Hem bekend te maken aan de mensen om je heen. Jij bent een instrument in Gods hand, Ben je beschikbaar. 

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Hemel en aarde

Lezen: Mattheüs 28 : 16 – 20   

Donderdag 21 Mei 2020                 Mattheüs 28 : 18

En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: [1]Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

(BGT) Jezus kwam dichterbij en zei tegen de leerlingen: ‘God heeft mij alle macht gegeven, in de hemel en op de aarde.

Aantekening

Mattheüs 28 : 18  >  alle macht. Jezus is opgestaan en heeft absolute macht over hemel en aarde, dit volgt uit Zijn God-zijn. Zijn macht is gegeven door de Vader, en dat betekent dat Hij aan de Vader onderworpen blijft (zie aantekening bij 1 Korinthe 15:28).

Aantekening bij 1 Korinthe 15 : 28  >  de Zoon … Zich onderwerpen aan Hem. Jezus is één met God de Vader en Hem gelijk in Godheid (1 Korinthe 8:6; Johannes 10:30; 14:9; Hebreeën 1:8), maar toch onderworpen aan Hem (Markus 14:36; Johannes 5:19, 26-27, 30; 17:4). Dit vers laat zien dat Zijn onderworpenheid aan de Vader eeuwig blijft. God zal alles in allen zijn, niet in de zin dat God alles is en alles God is, zoals sommige oosterse godsdiensten schetsen, maar in de zin dat Gods opperste gezag over alles voor eeuwig zal bestaan en nooit meer in het gedrang zal komen. 

Is elke man een rabbi, een leermeester?    Mattheüs 28:16-20  (Uit de Mannen Bijbel)

De laatste verzen van Mattheüs worden heel vaak gebruikt, in verschillende situaties. Zendelingen worden erdoor aangespoord om naar verre volken te gaan. Anderen worden bemoedigd door de verzekering dat Jezus alles kan, en dat Hij aal macht heeft. Bemoedigd door de wetenschap dat Hij ook elke dag bij hen is. Ook als ze dat niet zo voelen.

Is dit gedeelte ook voor gewone mannen van nu bedoeld? In vers 19 staat twee keer iets over onderwijs: alle volken moeten onderwezen, en ze moeten de geboden van god leren. Lesgeven kan toch niet iedereen? Toch wel. Wie vader is, zal zijn kinderen onderwijzen. Als je op je werk leidinggeeft, moet je jouw mensen ook het een en ander leren. Maar goede collega’s, die het beste met elkaar voorhebben, willen ook het allerbeste met elkaar delen: het Evangelie van Gods liefde. Bij het overdragen van die kennis zijn niet altijd veel woorden nodig. Het goede voorbeeld van een vader of van een collega kan veel betekenen. En als je aan jouw christelijke voorbeeld woorden wilt toevoegen, dan krijg je hulp van jouw Meester. Hij heeft alle macht en helpt je ook om de goede woorden te vinden. 


[1]  Psalm 8:7; Mattheüs 11:27; Lukas 10:22; Johannes 3:35; 17:2; 1 Korinthe 15:27; Efeze 1:22; Hebreeën 2:8

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Geregelde ruzie

Lezen: Exodus 21 : 12 – 27   

Woensdag 20 Mei 2020                     Exodus 21 : 17

[1]En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.

(BGT) Iemand die zijn vader of moeder mishandelt, moet gedood worden. Ook iemand die zijn vader of moeder vervloekt, moet gedood worden.

Aantekening

Exodus 21 : 17  >  Op vervloeken van vader of moeder staat de doodstraf, en dit wordt vermeld midden tussen bepalingen over dood of verwonding. Dat benadrukt de ernst van het gebod om vader en moeder te eren (Exodus 20:12; vgl. Markus 7:9-10). Zoals al eerder is vermeld: Israëls trouw aan God blijkt niet alleen uit aanbidding, maar ook uit het huiselijk leven (Exodus 12:26; 13:8; vgl. ook Deuteronomium 4:9; 6:7). 


[1]  Leviticus 20:9; Spreuken 20:20; Mattheüs 15:4; Markus 7:10

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Vrije slaven

Lezen: Exodus 21 : 1 – 11   

Dinsdag 19 Mei 2020                           Exodus 21 : 2

Wanneer u [1]een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij man vertrekken.

(BGT) Als iemand een Israëlitische slaaf gekocht heeft, moet die slaaf zes jaar voor zijn meester werken. In het zevende jaar is de slaaf vrij. Hij hoeft niets te betalen, hij mag gewoon weggaan. 

Aantekening

Exodus 21 : 2 – 11 > De bepalingen over de slaven in Israël handelen over het binnenkomen in een huishouding en het verlaten daarvan. Ze bieden een regeling die rechtvaardig is voor de slaven en voor de huishouding waar ze bij hebben gehoord. De Israëlieten moeten bedenken hoe het leven in Egypte is geweest, en ervoor oppassen dat ze elkaar niet op dezelfde manier gaan onderdrukken (zie Leviticus 25:35-46). De maatschappelijke situatie van de slaven vroeg om bepalingen over de terugkeer naar de vrijheid. Maar dat het volwaardige mensen zijn, en niet alleen maar bezittingen, wordt als een vanzelfsprekendheid beschouwd. Dat blijkt ook hieruit dat deze bepalingen losstaan van de wetten over verloren eigendommen (zie Exodus 21:33-22:15). (Vgl. aantekening bij 1 Korinthe 7:21; Efeze 6:5; Kolossenzen 3:22-25; Filemon vers 18-19)

Aantekening bij 1 Korinthe 7 : 21  >  slaaf (Grieks doulos). De romeinse manier van slaven houden verschillen van het slavendom in Noord-Amerika gedurende de 17e eeuw. Slaven mochten over het algemeen werken voor geld en om genoeg te kunnen sparen om zich vrij te kunnen kopen (zie Mattheüs 24:15, waar slaven veel geld en een geweldige verantwoordelijkheid werd toevertrouwd). Het Nieuwe Testament gaat er vanuit dat mensenhandel zonde is (1 Timotheüs 1:10; Openbaring 18:11-13), en Paulus spoort de christelijke slaven aan die ook vrij kunnen worden, van die gelegenheid gebruik te maken. De vrijgekomen slaaf werd officieel bestempeld als ‘vrijgelatene’ en bleef vaak werken voor zijn vroegere meester. Veel nog bestaande inscripties van vrijgelatenen geven aan dat de tendens bestond om de familienaam van de vroegere meester aan te nemen (nu hun ‘werkgever’) en hem te blijven eren.

Aantekening bij efeze 6 : 5  >  Slaven. Zie aantekening bij 1 Korinthe 7:21. Naar schatting vormden slaven ongeveer een derde van de bevolking van een stad als Efeze. Men beschouwde hen als een wezenlijk onderdeel van de familie, dus de instructies van Paulus over de omgang met slaven vormen een natuurlijk onderdeel van zijn bespreking van familierelaties. In zowel de Griekse al de Romeinse cultuur hadden slaven beperkte rechten en stonden bloot aan uitbuiting en mishandeling. Paulus keurt het systeem van slavernij niet af. Hij geeft instructies aan gelovige heren en slaven over hun relatie met elkaar in de Heere, en hoe zij dit in de praktijk kunnen brengen binnen de grenzen van hun sociale en wettelijke cultuur. Het resultaat, zoals vaak is gezien, is dat slavernij in de oudheid langzaam uitstierf door de invloed van het christendom (zie de inleiding op Filemon: Doel, aanleiding en achtergrond). De principes in dit gedeelte gelden vandaag de dag in de zin van onderdanigheid aan elke wettelijk ingestelde autoriteit. De enige uitzondering is als zo’n wettelijk ingestelde autoriteit van de gelovige zou verlangen dat deze ongehoorzaam is aan Gods woord, of dat hij zijn toewijding aan Christus fundamenteel in gevaar brengt (zoals het geval in Handelingen 4:18-20). Christus. Het zou natuurlijk zijn voor slaven om hun heer naar het vlees te haten. Voldoen aan de aardse verplichtingen is echter een dienstbetoon aan de Heere (vgl. Efeze 6:6-7).

Aantekening bij Kolossenzen 3 : 22 – 25  >  Slaven, wees in alles uw aardse heren gehoorzaam. De relatie tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen is door God ingesteld vanaf de schepping. Vandaar dat Paulus’ aanwijzingen voor het huwelijk de volmaakte wil van God betreffen. Slavernij echter is iets wat door mensen is ontstaan. De schrift regelt deze instelling zonder haar aan te bevelen (zie aantekening bij 1 Korinthe 7:21; Efeze 6:5; 1 Timotheüs 1:10), en het kwaad van mensenhandel wordt in het Nieuwe Testament veroordeeld (1 Timotheüs 1:10; vgl. Openbaring 18:11-13). Net als in de Romeinse wereld zullen er ook in Kolosse veel slaven zijn geweest. Paulus behandelt hen met waardigheid en doet een beroep op hen om Christus in hun hart, werk en gedrag te eren. Filemon (zie het boek Filemon) was een van de slavenhouders die woonde in Kolosse. Slaven moeten hun werk van harte doen, niet in de eerste plaats om het hun aardse meesters naar de zin te maken, maar alsof se het werk doen voor de Heere. De uitgangspunten van Kolossenzen 3:22-4:1 zijn ook nu nog van toepassing op werkgevers en werknemers.

Aantekening bij 1 Timotheüs 1 : 10  >  ontuchtplegers overtreden Exodus 20:14. Grieks pornos verwijst naar mensen die seksueel gedrag vertonen dat in strijd is met Gods morele wet. Mannen die met mannen slapen (Grieks ‘arsenokoitës) slaat op mannen die meedoen aan homoseksuele handelingen, en de bewoordingen van de LXX in Leviticus 18:22; 20:13 weerklinken erin. Sommigen hebben aangevoerd dat alleen bepaalde vormen van homoseksueel gedrag aan de orde zijn (zoals homoseksuele prostitutie, pedefolie, ontrouw in relaties of gedrag van mensen die van nature geen homoseksuele verlangens hebben). Er zijn echter geen aanwijzingen in de woorden van de tekst, of de context, of in aanwijzing uit de oude wereld om te bewijzen dat Paulus op iet anders doelde dan op allerlei vormen van homoseksueel gedrag.** mensenhandelaars (Grieks ‘andrapodistës) toont aan da Paulus iedere vorm van gedwongen slavernij beschouwde als zondig en een overtreding van Exodus 20:15. Leugenaars en meinedigen overtreden Exodus 20:16. gezonde leer. Het deelwoord van het Griekse werkwoord ‘ugiainö (ook te vinden in 1 Timotheüs 6:3; 2 Timotheüs 1:13; 4:3; Titus 1:9, 13; 2:1, 2), draagt de gedachte van ‘gezondheid bevorderende’ leer in zich. In 2 Timotheüs draagt het bij aan een uitgebreide metafoor (beeldspraak) waarin de dwaalleer verraderlijk gif verspreidt door het lichaam (‘als kanker’, 2 Timotheüs 2:17) terwijl de ware leer het lichaam gezond maakt.

Aantekening bij Filemon vers 18 en 19  >  als hij u iets onrecht aangedaan heeft. Onesimus was niet alleen gevlucht, maar had waarschijnlijk ook geld van Filemon gestolen. Daarvan kon hij de reis naar Rome betalen en er een tijdje wonen. De Romeinse samenleving eiste zware straffen voor gevluchte slaven, die soms de dood tot gevolg hadden. Dus Paulus vraagt wel iets heel bijzonders van Filemon om Omesimus’ schuld kwijt te schelden. (Over slavernij in de Romeinse samenleving, zie aantekening bij 1Korinthe 7:21 en Efeze 6:5) Ik, Paulus, heb eigenhandig geschreven. Hoewel Paulus mogelijk de brief aan Timotheüs dicteerde (zie Filemon ver 1) neemt hij op dit punt de pen over en ondertekent met zijn eigen naam. Dit bevestigt dat hij persoonlijk garant zal staan voor betalen van alle schade die Filemon geleden heeft. Het is een opmerkelijk aanbod: Paulus, een verarmde gevangene, stelt zich totaal financieel aansprakelijk voor alles wat Onesimus aan Filemon, een rijke man, schuldig is. dat u ook uzelf aan mij schuldig bent.Paulus verwijst hier naar Filemons bekering, die hij aan Paulus’ bediening te danken had, Filemon stond dus bij Paulus in een nog veel grotere ‘schuld’, namelijk zijn eeuwige leven. De schuld van Onesimus was hierbij vergeleken een schijntje.        


[1]  Deuteronomium 15:12; Jeremia 34:14

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Ontzag

Lezen: Exodus 18 : 18 – 26   

Maandag 18 Mei 2020                      Exodus 20 : 19

[1]Zij zeiden tegen Mozes: Spreekt ú met ons, dan zullen wij luisteren, maar laat God niet met ons spreken, anders sterven wij.

(BGT) Ze zeiden tegen Mozes: ‘Als u tegen ons spreekt, zullen we luisteren. Maar God moet niet meer tegen ons spreken. Want dan zullen we sterven.’

Aantekening

Exodus 20 : 18 – 20  >  De vorige keer dat Israël op die manier donderslagen en bliksems meemaakte, was bij de plaag van de hagelstenen in Egypte (zie Exodus 9:23-26). Mozes zegt tegen de mensen dat ze niet bevreesd moeten zijn dat God hen zal doden (Exodus 20:20), en legt hen uit dat God hen op de proef stelt, opdat de vreze voor god hun in het land voor ogen zal staan (zie Deuteronomium 6:2)


[1]  Deuteronomium 5:25; Hebreeën 12:19

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Gezag

Lezen: Exodus 20 : 1 – 17   

Zondag 17 Mei 2020                      Exodus 20 : 1 – 17

Toen sprak God al deze woorden:

2Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.

3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

4U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.

5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten,

6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.

7U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.

8Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt.

9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,

10maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.

11Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.

12Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.

13U zult niet doodslaan.

14U zult niet echtbreken.

15U zult niet stelen.

16U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.

17U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.

(BGT) Hij zei: 2‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.

3Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.

4Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 5Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere godendienen.

Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 6Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.

7Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.

8Vier de sabbat, want dat is een bijzondere dag. 9Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 10Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 11Ik heb in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat daar leeft. Maar ik rustte op de zevende dag. Daarom heb ik de zevende dag gezegend. Ik heb er een heilige dag van gemaakt.

12Heb respect voor je vader en je moeder. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven.

13Vermoord niemand.

14Ga niet vreemd.

15Steel niet.

16Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.

17Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn huis, zijn vrouw, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel, en van al zijn bezit.’

Aantekening

Exodus 20 : 1  >  Toen sprak God al deze woorden. Hij sprak zo dat heel het volk het kon horen. Vgl. de herhaalde vermelding van zichtbare en hoorbare tekenen van Gods tegenwoordigheid op de berg Sinaï (Exodus 19:16-20; 20:18) en Zijn uitspraak ‘U hebt zelf gezien dat Ik met u vanuit de hemel gesproken heb’ (Exodus 20:22).

Exodus 20 : 2  >  Ik ben de Heere, uw God, die u uit het land Egypte … geleid heeft. Deze aanhef wil, als inleiding op de Tien Geboden en heel de wet, Israël ervan doordringen dat Gods oproep tot verbondstrouw jegens Hem gebaseerd is op de grote daden die God eerder voor hen heeft verricht. Gehoorzaamheid aan Gods geboden is het middel waardoor Israël kan aannemen en genieten wat Hij heeft gedaan door hen uit Egypte te bevrijden en hen tot Zijn persoonlijk eigendom te nemen. Door heel Israëls geschiedenis heen zal de Heere de verlossing uit Egypte aanhalen om uit te drukken Wie Hij is. Daarbij zal Hij hen vaak herinneren aan wat Hij voor hen heeft gedaan, en hen oproepen om zo te leven dat het daarbij past (bv. Richteren 6:8; 1 Samuël 10:18; Psalm 81:11; Jeremia 34:13).

Exodus 20 : 3  >   U zult geen andere goden … hebben. De Heere eist exclusieve verbondstrouw. Als enige ware God van hemel en aarde kan en wil Jij geen verering van andere ‘goden’ toestaan (vgl. Exodus 22:20; 23:13, 24, 32). M.a.w. de enige aanvaardbare vorm van geloofspraktijk is monotheïsme, de verering van de enige God. voor Mijn aangezicht. De Hebreeuwse uitdrukking kan betekenen ‘de voorkeur gevend boven Mij’, ‘in Mijn tegenwoordigheid’ of ‘tegenover Mij’. Hier zal zijn bedoeld ‘in Mijn tegenwoordigheid’: geen andere goden vereren naast de Heere. Dit blijkt uit het volgende: (1) Het scheppingsverhaal maakt ‘andere goden’ irrelevant, omdat alleen de Heere het scheppingswerk heeft verricht (Genesis 1:1-2:3). (2) Door de gebeurtenissen in Egypte heeft de Heere getoond de meerdere te zijn van ‘andere goden’ (vlg. Exodus 12:12; 15:11; Ezechiël 20:7-8). (3) En voortdurend klinkt de oproep om alleen de Heere te dienen (Exodus 22:20; 23:13, 24, 32-33; vgl. Deuteronomium 6:13-15). Dit gebod laat zich er niet over uit of er überhaupt andere goden bestaan. Mozes uitspraak aan de volgende generatie maakt duidelijk ‘dat de Heere God is, niemand anders dan Hij alleen’ (Deuteronomium 4:35, 39; zie ook Psalm 86:10; Jesaja 44:6, 8; 45:5, 6, 18 en 1 Korinthe 8:4-6). Zie ook aantekening bij Deuteronomium 5:7.

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 7  >  geen andere goden. De onvergelijkbaarheid van God (Deuteronomium 4:34, 39) heeft als logisch gevolg dat alleen Hij aanbeden moet worden. De Israëlieten waren niet de enigen monotheïsten in de oudheid. De Egyptische farao Achnaton (Amenhotep IV, regeerde ca 1350-1334 voor christus) aanbad Aton, d.w.z. de zonnegod, als de enige god (overigens zonder het bestaan van andere goden te ontkennen). Maar dit soort monotheïsme is duidelijk anders: de Aton is gepersonifieerd in de zon, en hij is onpersoonlijk en mechanisch. De Heere is niet een onderdeel van de schepping; Hij is persoonlijk en etisch en heeft een verbond met Zijn volk.

Exodus 20 : 4 – 6  >  U zult voor uzelf geen beeld maken. In Egypte en Kanaän zag men de goden vaak in verband met bepaalde aspecten van de schepping. En men maakte bepaalde afbeeldingen waarin men ze vereerde. De Heere daarentegen heeft door de plagen en de uittocht duidelijk laten blijken dat Hij alle aspecten van de schepping beheerst, omdat de gehele aarde van Hem is (Exodus 9:29; 19:5). In verband hiermee verbiedt Hij Israël een beeld te maken van iets in de hemel of op de aarde om dat te aanbidden (Exodus 20:4-5a). De Heere motiveert dit verbod met het feit dat Hij een na-ijverig God is (zie Exodus 34:14; Deuteronomium 6:15), en dat Hij geen zichtbare gestalte heeft; men moet zich van Hem ook niet een voorstelling maken alsof Hij in zo’n gestalte woont (Deuteronomium 4:15-20). Israël heeft gezien wat er met Egypte is gebeurd toen de farao weigerde te erkennen wat God over Zichzelf wilde openbaren. Nu krijgt Israël de waarschuwing om niet hetzelfde te doen, al is God ook barmhartig en genadig (zie Exodus 34:6-7). Met ‘de wateren onder de aarde’ worden wateren bedoeld die lager staan dan het land, geen ‘ondergrondse wateren’ die men niet kon zien. De Israëlieten mogen geen vissen of krokodillen of andere dieren vereren. 

Exodus 20 : 5 – 6  >  een na-ijverig God. God de Schepper is alle eer waard van Zijn schepping. In feite kunnen Zijn schepselen alleen maar goed functioneren als ze God de eer en aanbidding geven die Hij verdient. Gods na-ijver is dus tevens Zijn ijver voor het welzijn van Zijn schepping. de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen. De ervaring bevestigt dat slecht gedrag van ouders bij hun kinderen en kleinkinderen vaak lijden als gevolg heeft. Het is juist een van de smartelijke kanten van de zonde, dat die naast de zondaar zelf ook anderen beschadigt. Maar deze regel wordt op twee manieren beperkt: (1) het geldt alleen voor hen die Mij haten. d.w.z. wie in ongeloof volharden, als vijanden van God. De kringloop van de zonde en lijden kan door bekering worden doorbroken. (2) Het lijden treft het derde en vierde geslacht, maar Gods barmhartigheid (Exodus 20:6) bereikt duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen (dus tot duizendste generatie, vgl. Deuteronomium 7:9).

Exodus 20 : 7  >  Gods Naam ijdel gebruiken (zie aantekening bij Deuteronomium 5:11) betekent allereerst Gods Naam gebruiken bij een leugenachtige eed of ter bekrachtiging van een oneerlijke zaak (Leviticus 24:10-16). De Heere heeft Zijn Naam geopenbaard aan Mozes (Exodus 3:14-15), en steeds Zichzelf bekendgemaakt in verband met Zijn daden voor Israël (zie Exodus 5:24; 6:5-7). Nu waarschuwt Hij Israël ervoor Zijn Naam te gebruiken los van Zijn persoon, Zijn wezen of Zijn kracht.

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 11  >  de Naam … gebruiken betekent deze uitspreken in een eed (vgl. Psalm 16:4); ijdel betekent ‘om een onwaardige reden’ (bv. in een list). Dit gebod verbiedt dus het gebruik van Gods Naam voor het doen van een belofte of eed die men niet van plan is te vervullen. Het verbiedt ook meineed, en ook het toeschrijven van verkeerde bedoelingen of karaktertrekken aan God (zoals in Deuteronomium 1:27). 

Exodus 20 : 8 – 11  >  Israël moet de sabbatdag gedenken door die te heiligen (vers 8; zie aantekening bij Deuteronomium 5:12-15). Met Zijn voorschriften voor het inzamelen van manna (zie Exodus 15:22-26) was de Heere al begonnen met het brengen van het volksleven in het ritme van zes dagen werken (Exodus 20:9) en op de zevende dag als sabbat rusten (Exodus 20:10). Nu baseert Hij het gebod dieper op Zijn eigen handelwijze bij de schepping (Exodus 20:11; zie Genesis 2:1-3). In elk aspect van Israëls volksleven moet tot uiting komen dat dit het volk van God is en door Zijn hand wordt onderhouden. Het weekpatroon van werken en rusten moet daarvan een blijvend en wezenlijk onderdeel zijn (zie Exodus31:12-18). In Deuteronomium 5:15 geeft Mozes hiervoor nog een motief: het herinneren aan de verlossing uit de Egyptische slavernij.

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 12 – 14  >  het rusten op de sabbatdag geld ook voor het vee en voor de vreemdeling, die binnen uw poorten is (vers 14) d.w.z. buitenlanders die permanent in Israël komen wonen en de wetten van het land accepteren, maar geen eigen land kunnen bezitten (zie aantekening bij Deuteronomium 1:16-17). Het werk dat verboden wordt, wordt hier niet omschreven, maar zie Exodus 34:21; 35:3; Numeri 15:32-36.

Aantekening bij Deuteronomium 1 : 16 – 17  >  vreemdeling. Vreemdelingen waren niet-Israëlieten die in het land woonden en de heerschappij en de wet van Israël erkenden. Zij bezaten geen land en waren dus kwetsbaar voor onderdrukking. In Deuteronomium wordt telkens weer gesteld dat vreemdelingen dezelfde rechten hebben als Israëlieten (bv. Deuteronomium 10:19; 14:29; 16:11, 14; 24:14, 17, 19-21; 26:11-13; 27:19). U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak. Onpartijdigheid is een eerste vereiste voor goede rechtspraak en een eigenschap van God Zelf (Deuteronomium 10:17).

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 15  >  Exodus 20:11 omschrijft het houden van de sabbat als een imitatie van Gods rustdag na de schepping, zie Genesis 2:1-3. De motivatie voor de sabbat die hier wordt gegeven, is Israëls bevrijding uit de slavernij (vgl. Exodus 31:12-17, waar de thema’s ‘schepping’ en ‘Israël als Gods speciale verbondsvolk’ worden samengevoegd als reden om de sabbat te houden,) Deuteronomium spoort Israël regelmatig aan om in gedachten te houden dat zij slaven waren in het land Egypte als aanmoediging om de wet te houden (Deuteronomium 15:15; 16:12; 24:18,22). In gedachten houden (of: herinnering) is vaak gekoppeld aan gehoorzaamheid (Deuteronomium 7:18; 8:2, 18; 9:7; 11:2; 16:3; 24:9; 25:17; 32:7).

Exodus 20 : 12  >  Eer uw vader en uw moeder. ‘Eren’ betekent iemand behandelen met respect dat overeenkomt met zijn persoon en functie. Ten aanzien van ouders betekent het (1) een respectvolle omgang (vgl. Exodus 21:15, 17); (2) de zorg voor hen op hun oude dag (zie over dit aspect van ‘eren’ Spreuken 3:9). Jezus en Paulus hebben elk het belang van dit gebod onderstreept (Markus 7:1-13; Efeze 6:1-3; 1 Timotheüs 5:4). Dit is het enige van de Tien Geboden met een aparte belofte: opdat uw dagen verlengd worden. Dat betekent niet zomaar een lang leven, maar een leven vol van Gods nabijheid en genade. Zie aantekening bij Deuteronomium 5:16.

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 16  >   opdat uw dagen verlengt worden. Zie ook Deuteronomium 4:40; 5:33; 6:2; 11:9; 25:15; 30:18. Dit betekent niet alleen een lang leven, maar ook dat men Gods aanwezigheid en gunst ervoer: opdat het u goed gaat. Deze motivatie ontbreekt in Exodus 20:12. (zie ook Deuteronomium 4:40; 5:29, 33; 6:3, 18 enz.)

Exodus 20 : 13 – 15  >  Het zesde, zevende en achtste gebod verbieden doodslaan (vers 13; zie aantekening bij Deuteronomium 5:17), echtbreken (vers 14) en stelen (vers 15). Met ‘echtbreken’ is vooral ‘overspel plegen’ bedoeld (zie Deuteronomium 5:18), omdat in bepaalde gevallen echtscheiding wel geoorloofd was (Deuteronomium 24:1). Daarmee stelt de wet voor Israël een minimale norm voor een rechtvaardige samenleving, en biedt een kader waarbinnen het volk verder wordt opgeroepen om heilig te zijn en de Heere lief te hebben met heel hun hart, heel hun ziel en heel hun kracht (Deuteronomium 6:4-9), en hun naasten met welwillendheid en vrijgevigheid (Leviticus 19:18). Dus de Israëlieten krijgen met het achtste gebod, als basisnorm voor hun nationale leven, de oproep meer te doen dan alleen maar andermans eigendommen te ontzien! Ze moeten Gods liefde voor hen vormgeven door de vreemdelingen lief te hebben als zichzelf (Leviticus 19:33-34) Als Jezus in de Bergrede de wet aanhaalt (‘U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is …’ Mattheüs 5:21 e.v.) corrigeert Hij niet de oudtestamentische wet, maar het misverstand dat deze wet (of de interpretatie ervan) als allesomvattend was bedoeld binnen het Koninkrijk der hemelen. Zo maakt Jezus duidelijk dat iemand door zijn broeder niet te doden niet de wet vervult als hij intussen wel ‘dwaas’ tegen hem zegt. Of dat hij een man door simpelweg niet te scheiden nog niet de wet vervult als hij wel naar een vrouw kijkt om haar te begeren (zie Mattheüs 5:21-24, 27-28; en aantekening bij Mattheüs 5:21-48).

Aantekening bij Deuteronomium 5 : 17  >  U zult niet doodslaan. Het werkwoord dat hier wordt gebruikt (Hebreeuws ratsach) omvat zowel het onwettige of immorele doden van een ander mens (moord) alsook iemands dood veroorzaken door onvoorzichtig of nalatig handelen (doodslag: als in Deuteronomium 19:4-6; vgl. Numeri 35:22-25). Dit werkwoord wordt in het Oude Testament nooit gebruikt over doden tijdens oorlog. Het tegenovergestelde van moord wordt geboden in Leviticus 19:18: ‘u moet uw naaste liefhebben als uzelf.’

Aantekening bij Mattheüs 5 : 21 – 48  >  Uit deze verzen blijkt dat Jezus’ uitleg van het Oude Testament het tegenovergestelde is van de foute uitleg en toepassing door de godsdienstige leiders. Zijn uitleg begint steeds met ‘U hebt gehoord dat … gezegd is’ (Mattheüs 5:21, 27, 33, 38, 43), waarna Jezus het Oude Testament niet verandert (zie aantekening bij vers 43), maar de misvattingen die er toen over bestonden.

Aantekening bij vers 43  > U hebt gehoord dat er gezegd is … uw vijanden moet u haten. Nergens in het Oude Testament staat dat je je vijand moet haten. Jezus zegt hier: ‘U hebt gehoord’ (ver 21, 27, 33, 38 43) en corrigeert het Oude Testament dus niet, maar de foute interpretatie ervan. Gods haat tegen het kwade was een centraal thema in het Oude Testament (bv. Psalm 5:5-6), dus concludeerde men dat de boosaardigen Gods vijanden waren en dat het vanzelfsprekend was om hen te haten (vgl. Psalm 26:4-5; 139:21-22). Maar God heeft nooit geboden je vijand te haten. 

Exodus 20 : 16  >  Een vals getuigenis spreken (zie Exodus 23:1-3) betekent: in een rechtsgeding een vals getuigenis afleggen waardoor je naaste kan worden veroordeeld. De Schrift verbiedt dit vanwege het vernietigend effect tussen de mensen en vanwege de opperste minachting van Gods wezen (zie Spreuken 6:16-19; 12:22; 19:5, 9). Israëls volksleven moest Gods recht en gerechtigheid weerspiegelen. Vals spreken moest men uitbannen, vooral als het was om winst te behalen ten koste van een ander en het recht te buigen.

Exodus 20 : 17  >  De vorige vier geboden hebben te maken met daden en woorden (verzen 13-16). Maar het tiende gebod waarschuwt tegen het begeren van iets wat van uw naaste is. Als iemand iets begeert, laat hij die begeerte de verhouding met andere mensen bepalen. Daar kan moord, diefstal of leugen uit voortkomen om iets in bezit te krijgen. Omdat begeerte inhoudt dat je het bezit van wat je begeert belangrijker vindt dan Godsvertrouwen en gehoorzaamheid aan de Gever van alles wat nodig is, is het ook overtreding van het eerste gebod. Dat maakt Paulus duidelijk als hij begeerte of hebzucht ‘afgoderij’ noemt  (Efeze 5:5; Kolossenzen 3:5).

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Houvast

Lezen: Psalm 34   

Zaterdag 16 Mei 2020                    Psalm 34 : 18 – 19

Zij roepen en de HEERE hoort, Hij redt hen uit al hun benauwdheden. [1]De HEERE is nabij de gebrokenen van hart, Hij verlost de verbrijzelden van geest.

(BGT). De Heer luistert als mensen om hulp roepen. Hij redt hen uit alle gevaar. De Heer is dicht bij mensen die geen hoop meer hebben, hij helpt mensen die de moed verliezen.

Aantekening

Psalm 34 : 16 – 23  >  De Heere zorgt voor wie op Hem vertrouwen. De slotpassage zegt in algemene termen hoe de Heere zorgt voor Zijn gelovigen – d.w.z. er zijn geen bijzondere voorbeelden, zoals in vers 5–8. Hier ligt ook de nadruk op het verschil tussen de manier waarop God Zijn gelovigen en de goddelozen behandelt. De Hebreeuwse uitdrukkingen gebrokenen van hart en verbrijzelden van geest (Psalm 34:19) verwijzen naar de trots en de halsstarrigheid in iemands hart als hij vernederd wordt (vgl. Psalm 51:19; 69:21 147:3). De psalm is er duidelijk over dat zowel de rechtvaardigen als de goddelozen (zie de herhaling in Psalm 34:20, 22) aanvechtingen kennen. Het verschil ligt in de gevolgen (niet schuldig), vers 23; en schuldig vers 22). Het is mogelijk dat Johannes 19:36 de verbinding legt tussen Psalm 34:21 (Hij bewaart al zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken) en Exodus 12:46 om te benadrukken dat Jezus niet alleen het Paaslam was, maar ook een lijdende Rechtvaardige, Die God zou rehabiliteren. Voor verlost, zie aantekening bij Psalm 25:22.

Aantekeningen bij Psalm 25 : 22  >  Gebed voor heel het volk. “Verlossen” brengt doorgaans de gedachte van redding en bescherming over, special wanneer Israël het onderwerp is (bij voorbeeld 44:27; 111:9; 130:7-8) of een trouwe gelovige (bij voorbeeld 34:23; 55:19; 71:23). Op enkele plaatsen (hoewel hier niet) voedt het de gedachte van het vrijkopen door een plaatsvervanger of een losprijs (bijvoorbeeld Exodus 13:13; Leviticus 27:29).


[1]  2 Timotheüs 3:11

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Bekend met de onbekende God

Lezen: Handelingen 17 : 22 – 34   

Vrijdag 15 Mei 2020             Handelingen 17 : 30 – 31

God dan [1]verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren, en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man [2]Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan.

(BGT) Paulus eindigde zijn toespraak met deze woorden: ‘Lange tijd leefden de mensen zonder God te kennen. God heeft hen daar niet voor gestraft. Maar nu wil God dat alle mensen gaan doen wat hij wil. Iedereen moet een nieuw leven beginnen. Want de dag komt dat God zal rechtspreken over de wereld. God heeft die dag zelf bepaald. En hij heeft een man uitgekozen om namens hem recht te spreken. Iedereen kan weten dat dit echt gaat gebeuren. Want God heeft die man uit de dood laten opstaan.’

Aantekening

Handelingen 17 : 30  >  Nu verlegde Paulus duidelijk de aandacht naar Christus, hij distantieerde zich vanaf dit moment van de filosofen. voorbijzien. God bracht vroeger geen onmiddellijk oordeel over de wereld (maar Paulus waarschuwt in het volgende vers voor het komende oordeel).

Handelingen 17 : 31  >  Hij de wereld … zal oordelen betekent dat iedereen verantwoording moet afleggen, ook deze Atheense filosofen. door Hem uit de doden te doen opstaan. Jezus is niet zomaar een godsdienstleraar. Zijn opstanding is de kern van Gods plan met de mensheid en de basis van onze hoop op de komende opstanding van ons lichaam (1 Korinthe 15:42-57; Openbaring 21:4). Dit is ook het sterkste argument om mensen mee te overtuigen om Christus aan te nemen (Handelingen 2:24, 32). Nog belangrijker is, zegt Paulus, dat Zijn opstanding Hem bracht aan Gods rechterhand, waardoor Hij de macht heeft om Rechter en Verlosser te zijn Handelingen 2:30-36).

Een ongemakkelijke boodschap    Handelingen 17:29-31       (Uit de Mannen Bijbel)

Bij zijn toespraak in Athene spreekt Paulus over God Die ‘de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft’ (Handelingen 17:31). Maar god is toch goed en vergevend? Daar hoort toch geen ‘oordeel’ bij? Het lijkt wel of Jezus Zelf iets heel anders zegt: ‘Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden’ (Johannes 3:17).

God is inderdaad goed, barmhartig, vergevend, liefdevol. Maar Hij is ook rechtvaardig. Hij laat zonde niet onbestraft – dat zou onrechtvaardig zijn. Gods liefde voor ons is dat Hij ons Zijn Zoon heeft gegeven. Jezus, God Die mens werd, is voor onze zonden gestorven. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar ontvangt het eeuwige leven. Het oordeel komt over wie Hem niet aannemen (Johannes 3:18).

In ons tolerante land laten we anderen zo veel mogelijk vrij in wat ze geloven. Paulus deed dat anders. Zijn boodschap aan de Atheners was radicaal met een duidelijke oproep tot bekering. In Hem geloven geeft leven. Zonder Jezus worden mensen veroordeeld. Geen gemakkelijke boodschap. Maar wel van levensbelang. Ook nu.


[1]  Lukas 24:47

[2]  Handelingen 10:42

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Nieuwsgierig

Lezen: Handelingen 17 : 16 – 21   

Donderdag 17 Mei 2020          Handelingen 17 : 18

En enige epicurische en stoïsche wijsgeren raakten met hem in een twistgesprek. En sommigen zeiden: Wat zou deze praatjesmaker toch willen zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; want hij verkondigde hun Jezus en de opstanding.

(BGT) Daar had hij ook discussies met verschillende filosofen. Sommigen van hen zeiden: ‘Wat heeft die man een praatjes! Wat wil hij nou eigenlijk zeggen?’ Anderen zeiden: ‘Hij zal wel een boodschapper zijn van onbekende goden.’ Dat zeiden ze omdat Paulus vertelde over Jezus en zijn opstanding.

Aantekening 

Handelingen 17 : 16 – 21  >  Verkondiging op de markt. Paulus verkondigt het Evangelie aan de Atheners.

Handelingen 17 : 18  >  Paulus sprak met vertegenwoordigers van de twee populairste filosofieën van dat moment: het [1]stoïcisme en het [2]epicurisme. Ze noemden Paulus een praatjesmaker (Grieks spermologos, letterlijk ‘iemand die zaadjes opraapt’, van het oudere en weinig gebruikte legö,‘oprapen’). D.w.z. iemand die ideeën als een kip oppikt en ze vervolgens uitspreekt zonder ze zelf helemaal te doorgronden.


[1]  Leer van de stoïcijnen / onverstoorbare gelijkmoedigheid, het niet tonen van zijn emoties

[2]  Leer van de Griekse filosoof Epicurus / het streven naar genot als levenshouding 

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Onderzoek en tegenwerking

Lezen: Handelingen 17 : 10 – 15   

Woensdag 13 Mei 2020      Handelingen 17 : 11 t/m 13

En dezen waren edeler van gezindheid dan die in Thessalonica, want zij ontvingen het Woord met grote bereidwilligheid [1]en onderzochten dagelijks de Schriften om te zien of die dingen zo waren. Velen dan van hen geloofden, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen. Maar toen de Joden van Thessalonica te weten gekomen waren dat het Woord van God door Paulus ook in Berea verkondigd werd, kwamen zij ook daar [2]de menigten in verwarring brengen.

(BGT). De Joden in Berea waren vriendelijker dan de Joden in Tessalonica. Ze wilden het goede nieuws over Jezus graag horen. En elke dag lazen ze in de heilige boeken om te kijken of het waar was wat Paulus zei. Veel Jodengingen in Jezus geloven, en ook veel niet-Joodse vrouwen en mannen in de stad. De Joden in Tessalonica hoorden dat Paulus het goede nieuws over Jezus nu in Berea vertelde. Toen kwamen zij daar ook naartoe en ze zorgden ervoor dat het in de hele stad onrustig werd.

Aantekening

Handelingen 17 : 11  >  edeler van het Grieks eùgenës, dat oorspronkelijk ‘van edele geboorte’ betekende. Het woord werd ook gebruikt voor mensen van edel gedrag, waarmee onbekrompen, eerlijk en bedachtzaam werd bedoeld. Dus Lukas vond dat de Bereeërs de boodschap ‘edeler’ aannamen met grote bereidwilligheid en de Schriften als hoogste autoriteit onderzochten om te zien of die dingen zo waren. Lukas prijst het onderzoeken van de Schriften en moedigt alle gelovigen aan om dit als gewoonte te hebben. Hij bevestigt ook het feit dat de Schrift helder is en dat het mogelijk is de Bijbel juist te verstaan, niet alleen voor wetenschappers maar ook voor de gewone man die ijverig en toegewijd leest, zich bewust van zijn afhankelijkheid van Gods hulp.

Open houding              Handelingen 17 : 11 – 12                (Uit de Vrouwen Bijbel)

In de Synagoge van Berea wordt met aandacht en een open houding geluisterd naar de prediking. Na de sabbat slaan de Joden de schriften erop na om te onderzoeken of het klopt wat Paulus vertelt. En velen, ook aanzienlijke vrouwen, komen tot geloof. Wat neem jij mee van deze houding? Lees ook 2 Timotheüs 3:16-17.

2 Timotheüs 3 : 16Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid,

17opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.


[1]  Jesaja 34:16; Lukas 16:29; Johannes 5:39

[2]  1 Thessalonicenzen 2:14