Dagelijks Woord
Vrijdag 20 september 2019 – 1 Johannes 5:19-20
Wij weten dat wij uit God zijn en dat de hele wereld in het boze ligt. Maar wij weten dat de Zoon van God gekomen is [1]en ons het verstand heeft gegeven om de Waarachtige te mogen kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon, Jezus Christus. [2]Die is de waarachtige God en het eeuwige leven.
(BGT) Wij weten dat we bij God horen, maar dat de hele wereld in de macht van de duivel is.Wij weten dat Gods Zoon naar de wereld gekomen is. Hij heeft ons de ware God van dichtbij leren kennen. Wij zijn verbonden met de ware God omdat we verbonden zijn met zijn Zoon, Jezus Christus. Hij is de ware God, alleen bij hem is het eeuwige leven.
Aantekening
1 Johannes 5 : 19 > wij uit God zijn. Christenen zijn geestelijk opnieuw geboren, en zijn in die zin kinderen van God. de hele wereld. Zie aantekening bij 1 Johannes 2:15.
[ 1 Johannes 2 : 15Heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.
(BGT) 15 Jullie mogen de wereld en alles wat daar normaal is, niet liefhebben. Want als iemand de wereld liefheeft, dan is de liefde van de Vader niet in hem. Aantekeningen:> Heb de wereld niet lief. Niet dat we de wereld zonder meer moeten verwerpen, want ‘God heeft de wereld liefgehad’ (Johannes 3:16). Maar Johannes waarschuwt tegen verering van een werelds systeem dat tegen God is gericht (vgl. Johannes 12:31; Jakobus 4:4; 1 Johannes 5:19). liefde van de Vader. Dit heeft waarschijnlijk een dubbele betekenis; liefde van God voor Zijn volk en omgekeerd. Het eerste wekt het tweede op. (1 Johannes 4:7, 9-10). ]
1 Johannes 5 :20 > gekomen is. Gods Zoon is vlees geworden. het verstand heeft gegeven. Christenen krijgen de genade om de bijbelse prediking te aanvaarden en de wil te krijgen om die in praktijk te brengen. om de Waarachtige te mogen kennen. Kennis van God ie een genadewerk en genadegave van God (Johannes 3:13).
[1] Lukas 24:45
[2] Jesaja 9:5; 44:6; 54:5; Johannes 20:28; Romeinen 9:5; 1 Timotheüs 3:16