HSV: [10] Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
NBV21: [10]Toen God zag dat zij inderdaad braken met hun kwalijke praktijken, zag Hij ervan af hen te treffen met het onheil dat Hij had aangekondigd, en Hij deed het niet.
BGT: [10] God zag wat de inwoners van Nineve deden. Hij zag dat ze een eind maakten aan hun slechte gedrag. En hij kreeg medelijden en veranderde zijn plan. Hij had gedreigd de stad te verwoesten, maar hij deed het niet.
Aantekening bij: Jona 3:10 Slechte … kwade. Beide woorden zijn een vertaling van het Hebreeuwse ra’ah (zie aantekening bij Jona 1:2). Het gebruik van hetzelfde woord onderstreept het nauwe verband tussen menselijk handelen en Goddelijke reactie. God liet de beoogde ramp niet plaatsvinden omdat de Ninevieten berouw hadden over hun kwaad (zie aantekening bij Jona 3:4). Vanuit een tijdelijk perspectief reageert God op menselijk handelen, vanuit een eeuwigheidsperspectief kiest God het middel (menselijk berouw) en de uitkomst (Goddelijk mededogen). Het berouw van de heidenen staat in contrast met het herhaaldelijk gebrek aan berouw van de kant van Israël (zie aantekening bij vers 7-8).
Aantekening bij Jona 1:2 Ninevé lag op de oostoever van de rivier de Tigris, ca. 350 km ten noorden van het huidige Bagdad, en meer dan 800 km ten noordoosten van Israël. Het woord dat hier vertaald is als grote (Hebreeuws gadol, ook vertaald als ‘hevige’, ‘zware’, Jona 1:4, 12) komt 14 keer voor in Jona. Ninevé was een belangrijke (‘grote’) stad (zie Jona 3:3). kwaad. Dit Hebreeuwse woord (Hebreeuws ra’ah, het woord komt 9 keer voor in Jona zie tabel) kan ‘slecht’ of ook ‘ramp’ betekenen. De Ninevieten waren slecht en er stond hun een ramp re wachten.
Aantekening bij Jona 3:4 Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd! Voor ‘ondersteboven keren’ wordt hetzelfde werkwoord gebruikt als voor de vernietiging van Sodom en Gomorra door God (Genesis 19:21, 25, 29). Hoewel de dreiging absoluut lijkt, is er een voorwaarde aan verbonden: als de mensen berouw tonen, zal God mededogen tonen (zie Jeremia 18:7-8). Jona kent deze voorwaard (zie Jona 4:2) en de koning van Ninevé hoopt dat die uitweg er is (zie Jona 3:9).
Aantekening bij Jona 3:7-8 op bevel van de koning. Het lijkt vreemd dat de koning zegt dat iedereen moet vasten en rouwkleren aantrekken terwijl ze dat al gedaan hadden (vers 5). Het is daarom waarschijnlijk dat vers 5 en vers 6-9 niet in chronologische volgorde staan. Eerst gaf de koning het bevel en daarna voerden de mensen het uit (zie een vergelijkbare oproep tot berouw in Joël 1:13-14). Door het gedrag van de mensen al voor het bevel van de koning te vermelden, benadrukt de auteur de onmiddellijke reactie van de mensen. Bovendien reageren zij op de prediking van Jona en niet alleen op het bevel van de koning. De Ninevieten bekeerden zich ieder van zijn slechte weg, terwijl de Israëlieten dat niet deden (vgl. 2 Koningen 17:13-14).
Veertig (Uit de mannen Bijbel)
Jona 3:4 Ninevé krijgt veertig dagen om zich te bekeren. Het getal 40 staat voor een overgangstijd en ook voorbereidingstijd. De regen tijdens de zondvloed hield veertig dagen aan. Mozes leefde veertig jaar in de woestijn. De verkenners trokken veertig dagen door het Beloofde Land. Elia vastte veertig dagen. Jezus werd veertig dagen verzocht in de woestijn en verscheen gedurende veertig dagen na Zijn opstanding aan Zij volgelingen.