| Bijbel open in 2023 |
Dag: 202
Lezen: Spreuken 28:1-9
Thema: Geef gehoor aan de wet
Tekst voor vandaag: Spreuken 28:7
HSV: [7] [1]Wie de wet in acht neemt, is een verstandige zoon, maar wie omgaat met hen die zich te buiten gaan, maakt zijn vader te schande.
NBV21: [7] Een zoon met inzicht houdt zich aan wat hem is geleerd, wie met brassers omgaat, maakt zijn vader te schande.
BGT: [7] Als je je houdt aan wat je geleerd hebt, ben je verstandig. Als je omgaat met slechte mensen, doe je je ouders verdriet.
Aantekening bij:
Spreuken 28:2-12 De bedoeling van de afzonderlijke spreuken spreekt grotendeels voor zichzelf. Maar als groep zeggen ze dat rechtvaardige mensen een essentieel onderdeel vormen van een rechtvaardige samenleving. Dat betekent dat er geen goede maatschappelijke orde zal zijn op plaatsen waar veel individuen – en dan vooral de machthebbers -onrechtvaardig zijn. De opbouw van de tekst veronderstelt zijn eenheid. De verzen 2 en 12 zetten samen dit gedeelte tussen haakjes. In vers 2 staat dat een maatschappij voorspoed heeft als de mensen inzicht hebben, maar dat ze veel heersers heeft als ze slecht is. Vers 12 stelt dat de mensen het succes van de rechtvaardigen vieren, maar dat ze verbergen als de goddelozen aan de macht komen. Deze verzen vormen dus een inclusio. Twee trefwoorden verbinden de verzen 2 en 12. In vers 2 zijn er ‘veel’ (Hebreeuws rab) vorsten, in vers 12 os er ‘veel’ (Hebreeuws rab) glans; vers 2 spreekt over ‘mensen’ (Hebreeuws ‘adam’) met inzicht, vers 12 spreekt over ‘mensen’ (Hebreeuws ‘adam’) die ver te zoeken zijn. Tussen deze twee verzen in zijn er onder de spreuken nog veel andere parallellen. De verzen 3 en 8 gaan beide over de manier van behandelen van de ‘armen’ of ‘geringen’: door verdrukking (vers 3) of met ontferming (vers 8). De verzen 4, 7 en 9 leren dat de houding van een mens t.o.v. de wet’ (Hebreeuws torah) uitmaakt of iemand goed of slecht zal zijn. De verzen 5 en 10 spreken over het onderscheiden van goed en kwaad (vers 5) en over het leiden van anderen op het goede of slechte pad (vers 10). Het woord kwaad (Hebreeuws ra’) verbindt vers 5 met vers 10. Ten slotte zegt vers 6 dat een arme man moreel hoger kan staan dan een ‘rijk’ iemand, en vers 11 zegt dat een arme man door de pretentie van een ‘rijk man’ heen kan zien. Samen gevat toont dit gedeelte dat ieder lid van een maatschappij integer moet zijn, wil het goed met haar gaan. Dat geldt in hoge mate voor haar bestuurders. De drie spreuken over de wet (vers 4,7, 9) geven aan dat een gezonde vrees voor de Heere, zoals weerspiegeld in het respect van de mensen voor de Thora, het enige is wat de mensen in staat zal stellen om hun integriteit te bewaren
[1] Spreuken 19:[1] Beter een arme die in zijn oprechtheid zijn weg gaat, dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.