Woord voor vandaag

Woord voor vandaag

Dag: 113

Lezen: Jeremia 30:1-11 

Thema: Geknakt, niet gebroken

Tekst voor vandaag: Jeremia 30:10 

 

HSV: [10] U dan, wees niet bevreesd, [1]Mijn dienaar Jakob, spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël, want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen, uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap, zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is, en niemand hem schrik aanjaagt.

 

NBV21: [10] Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, heb geen angst, Israël – spreekt de HEER. Ik zal je uit dat verre land bevrijden, uit de ballingschap breng Ik je nageslacht terug. Het volk van Jakob keert terug en zal in vrede leven, zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opgeschrikt.

 

BGT: [10] De Heer zegt: ‘Wees niet bang, Israël, mijn volk. Want ik zal jullie bevrijden uit het verre land waar jullie naartoe gebracht zijn. Ik breng jullie terug naar huis. Ik laat jullie teruggaan naar je eigen land. Daar zullen jullie in vrede leven, zonder zorgen. En jullie hoeven voor niemand meer bang te zijn.

 

Aantekening bij: Jeremia 30:10

Wees niet bevreesd, want God zal optreden ten behoeve van het volk. Mijn dienaar Jakob. Zie aantekening bij Jesaja 42:1-9. Jakob terugkeert, en dan is de ballingschap ten einde.

 

Aantekening bij Jesaja 42:1-9 > Dit is de eerste van vier profetieën (ook wel ‘Liederen’ genoemd) over de Knecht van de Heere, vervuld in Jezus Christus (vgl. Jesaja 49:1-13; 50:4-9; 52:13-53:12). Jesaja zinspeelt in heel hoofdstuk 40-55 op de ‘Knecht van de Heere’. Als er ‘knecht’ of dienaar staat, wordt hiermee vaak het volk Israël als geheel bedoeld (Jesaja 41:8-9; 43:10; 44:1-2, 21, 26; 45:4; 48:20); maar soms is ‘de Knecht’ een specifiek iemand binnen Israël Die apart gezet is van het volk, met een roeping om Israël en daarbuiten te dienen (Jesaja 49:5-6; 50:10; zie aantekening bij Jesaja 52:13; 53:11). De tweede profetie (Jesaja 49:1-13), waaruit blijkt dat Gods Knecht niet Israël zelf is, noemt Hem wel ‘Israël’ (Jesaja 49:3). Hij vertegenwoordigt en belichaam hier het hele volk. De traditionele christelijke opvatting dat Gods Knecht een Messiaanse Persoon is, dekt dan ook precies Jesaja’s bedoeling: (1) In Gods verbond met David vertegenwoordigen en belichamen zijn opvolgers Gods volk als geheel: Israël is Gods ‘zoon’ (Exodus 4:22-23), en de koning wordt bij zijn kroning Gods ‘zoon’ (2 Samuël 7:14; vgl. Psalm 89:27-28). Dus de Knecht van de Heere volgt het model van Davids opvolgers. (2) Gods Knecht voltooit de uitbreiding van het koningschap over alle heidenvolken (Jesaja 42:1-4; 52:13-15), wat het werk is van de Messias uit het geslacht van David in hoofdstuk 7-12. (3) Latere profeten noemen een Nakomeling van David – en met name de Messias –  Gods Knecht (Ezechiël 31:23-24; 37:25; Haggaï 2:24; Zacharia 3:8; Jeremia 33:21-22, 26), reden te meer om ook de Knecht bij Jesaja te zien als een Messiaanse Persoon. Naast Zijn koninklijke functie vervuld de Knecht ook een profetische (Jesaja 49:1; 50:4, 10) en een priesterlijke rol Jesaja 53:11; vgl. Psalm 110:4, dat Zijn priesterdienst verbindt met Zijn koningschap). Jesaja’s toehoorders moeten weten dat God de ballingen zal terugbrengen en dan Israëls opdracht zal vervullen door middel van Zijn Knecht, Die Hij na de terugkeer uit de ballingschap op een bepaald moment zal doen opstaan. Hierop is heek hun volksbestaan gericht.

 

Aantekening bij Jesaja 52:13 > verstandig handelen. Zijn taak zal gelukken. verhoogd en verheven. Zie aantekening bij Jesaja 6:1. In Johannes 12:38-41 combineert Johannes Jesaja 6 met de vierde profetie over de Knecht van de Heere en zegt dat Jesaja Jezus’ heerlijkheid zag; de herhaling in dit vers bevestigt Johannes’ visie.

 

[Aantekening bij Jesaja 6:1 > In het jaar dat koning Uzzia stierf (ca 740 v.Chr.) kwam in Juda een einde aan een langdurige voorspoed (zie 2 Kronieken 26). Uzzai had Gods heiligheid getrotseerd en was melaats geworden. Zijn zoon Jotham had ca. 10 jaar meegeregeerd (2 Kronieken 26:16-21). zag ik de Heere zitten op een  … troon. De eeuwige Koning houdt in de hemel een rechtszitting. De uitdrukking hoge en verheven komt ook elders ij Jesaja voor (Jesaja 52:13; 57:15) en hoort bij Jesaja’s stijl. Dat Johannes 12:38-41 Jesaja 6:9 in combinatie met Jesaja 53:1 citeert, toont aan dat Johannes de Knecht van de Heere in Jesaja 52:13-53:12 niet alleen zag als Messiaans, maar ook als Goddelijk. De tempel in Jeruzalem was een model van de tempel in de hemel (vgl. Hebreeën 9:24; Openbaring 4:1-4).

 

Aantekening bij Jesaja 52:13-53:12 > De Knecht van de Heere draagt de zonde. De vierde en laatste van de vier profetieën (of liederen) van de Knecht van de Heere, vaak geciteerd in het Nieuwe Testament (bv. Handelingen 8:30-35; 1 Petrus 2:22-25), beschrijft de Messias (zie aantekening bij Jesaja 42:1-9). Jesaja verklaart ten slotte hoe de Heilige van Israël Zijn zondige volk kan zegenen: Al Gods beloften worden aan hen vervuld doordat Gods lijdende en zegenvierende Knecht door Zijn offer hun schuld voor God uitdelgt. In deze profetie staat: ‘Ik’ voor de Heere, ‘Hij’ voor Zijn Knecht en ‘Wij’ voor Diens discipelen, die zelf de Knecht nodig hebben om hun schuld te dragen (Jesaja 53:4-6). Daarom kan de Knecht van de Heere niet Israël zijn, of de vromen van Israël.   


[1]  Jesaja 41:[13] Want Ik ben de HEERE, uw God, Die uw rechterhand vastgrijpt en tegen u zegt: Wees niet bevreesd, Ik help u.

    Jesaja 43:[5] Wees niet bevreesd, want Ik ben met u. Vanwaar de zon opkomt, zal Ik uw nageslacht halen en vanwaar zij ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.

    Jesaja 44:[1] Maar nu, luister, Jakob, Mijn dienaar, Israël, die Ik verkozen heb!

     Jeremia 46:[28] U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob, spreekt de HEERE, want Ik ben met u. Ik ga immers een vernietigend einde maken aan alle heidenvolken waarheen Ik u verdreven heb. Aan u echter zal Ik geen vernietigend einde maken. Ik zal u bestraffen met mate, maar u beslist niet voor onschuldig houden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *