TEKST VOOR VANDAAG
DEUTERONOMIUM 18:1-2
DAG 30
LEZEN: DEUTERONOMIUM 18 : 1 – 13
THEMA: Met grond zonder grond
(HSV) [1] De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben samen met Israël; [1]de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten. [2] Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders;[2] de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.
(BGT) [1-2] De Levieten mogen werken als priester voor de Heer. Dat heeft hij hun beloofd. Zij kunnen leven van een deel van de offers die aan de Heer gebracht worden. De Levieten bezitten namelijk geen eigen grond, zoals de andere Israëlieten.
Aantekening
Deuteronomium 18 : 1 – 2 De levitische priesters zijn de volwassen mannen uit de hele stam Levi.Zij mogen geen erfdeel of grondbezit hebben. Zie Deuteronomium [3]12:12 en aantekening.de Heere, Die is zijn erfelijk bezit. Zie Numeri 18:20. Dit wijst op het voorrecht om de Heere te dienen in het centrale heiligdom en de bijbehorende zegen om voortdurend in Gods nabijheid en tegenwoordigheid te mogen verkeren.
Levi
Levi is voortgekomen uit bedrog. Hij is de derde zoon van Lea die door haar vader op een listige manier aan Jakob uitgehuwelijkt wordt. In het samengestelde gezin van deze aartsvader vormt hij met z’n volle broers Ruben, Simeon en Juda het oudste kwartet kinderen. Hij trekt vooral met Simeon op. Ze worden in de Bijbel nogal eens in één adem genoemd, en dan klinken hun namen niet al te positief. Het zijn broeders van het kwaad. Zij hebben ooit met voorbedachten rade de weerloze mannen van het stadje Sichem uit eerwraak vermoord en het vee gestolen (Genesis 34:25 en 28). Op dit gebeuren komt Jakob terug in de afscheidswoorden die hij op zijn sterfbed uitspreekt. Ook dan wordt Levi tegelijk met zijn broer Simeon genoemd. Jakob typeert hen als werktuigen van geweld omdat zij ontstoken zijn in woede en zich moedwillig vergrepen hebben aan een grote gemeenschap van jong en oud. Levi en zijn nakomelingen zullen daarom geen erfdeel krijgen in het Beloofde Land (Genesis 49:7). Dat maakt het wonder des te groter dat later juist zijn stam mag dienen in het heiligdom waar God woont. De Levieten krijgen een belangrijke taak in de dienst aan de HEERE, doordat ze tijdens de uittocht naar Kanaän niet meegedaan hebben aan de aanbidding van het gouden kalf (Exodus 32:25-26). De Levieten bezitten geen grond, maar krijgen wel 48 steden toegewezen, verspreid over heel Israël (Numeri 35:1-8). Zes daarvan zijn de zogeheten vrijsteden. Van Levi zelf weten we niet veel meer dan dat hij met z’n broers Jozef verkocht heeft aan Midianitische kooplieden en dat hij er jaren later bij was toen Jozef zich als onderkoning van Egypte bekendmaakte. Hij is daarna met de hele familie geëmigreerd naar Egypte, waar hij ook gestorven en begraven is (Genesis 46).
[1] Numeri 18:[20] Ook zei de HEERE tegen Aäron: U zult in hun land geen erfelijk bezit nemen, en u zult geen aandeel in het midden van hen hebben. Ik ben uw deel en erfelijk bezit, in het midden van de Israëlieten.
[2] Deuteronomium 10:[9] Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.
1 Korinthe 9:[13] Weet u niet dat zij die de tempeldienst verrichten, van het heilige eten? En dat zij die steeds bij het altaar verkeren, hun deel ontvangen van de offers van het altaar?
[3] Deuteronomium 12:[11b] Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de HEERE belooft, (vervolg op pagina 2)
[12] en daar zult u zich verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zonen en uw dochters, uw slaven en uw slavinnen, en de Leviet die binnen uw poorten is, want hij heeft geen aandeel of erfelijk bezit samen met u.
Aantekening bij vers 12: verblijden. Zie vers 7 hoofdstuk 12, dat over gezinnen in het algemeen spreekt. Nu worden specifieke leden van de huishouding genoemd, waaronder slaven en slavinnen en de Leviet (bevolkingsgroepen die geen land bezaten). De Levieten waren verspreid over verschillende steden, ten dienste van de andere stammen. Zij bezaten geen land (aandeel of erfelijk bezit) en waren voor hun levensonderhoud afhankelijk van giften en offers (Deuteronomium 12:19; Numeri 26:62). Op deze manier was aanbidding een gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg.