TEKST VOOR VANDAAG
DEUTERONOMIUM 17 : 14-15
DAG 29
LEZEN: DEUTERONOMIUM 17 : 14 – 20
THEMA: Koningswet
(HSV) [14] Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u dan zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn, [15] dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.
(BGT) [14] Straks komen jullie in het land dat de Heer, je God, aan jullie zal geven. Jullie zullen het veroveren en er gaan wonen. Stel dat jullie dan zeggen: ‘Wij willen een koning, net als de volken om ons heen.’ [15] Dan is dat goed. Jullie mogen iemand koning maken die de Heer, jullie God, zal uitkiezen. Het moet wel iemand zijn van jullie eigen volk. Het mag niet iemand zijn uit een ander land of van een ander volk.
Aantekening
Deuteronomium 17 : 14 – 15 Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken. Zie 1 Samuël 8:5, 20. Het zal nog een aantal eeuwen duren voordat Israël een koning heeft. Toch biedt Deuteronomium al wetgeving voor die mogelijkheid. Het taalgebruik suggereert dat er tijd verstreken is: u dat (land) in bezit neemt en erin woont, en u dan zegt. Genesis 17:6 spreekt al profetisch over koningen die tot Abrahams nageslacht zullen behoren. die de Heere, uw God, verkiezen zal. Het volk vraagt om een koning, net als alle andere volken. God komt aan die wens tegemoet, maar staat er wel op dat Hij die koning zal uitkiezen. Toch lijkt het erop dat God het volk een rol wil laten spelen in de aanstelling van een koning. De koning moet uit het midden van uw broeders komen, oftewel een landgenoot zijn.