Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Heilig verbond bedreigd

Lezen: Daniël 11 : 25 – 35  

Vrijdag 20 november 2020             Daniël 11 : 29 – 30

Op de vastgestelde tijd zal hij terugkeren en tegen het zuiden oprukken, maar het zal niet zijn zoals de eerste of zoals de laatste keer. Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal terugkeren en toornen tegen het heilige verbond en hij zal zijn eigen wil ten uitvoer brengen. Hij zal, terwijl hij terugkeert, op hen letten die het heilige verbond verlaten.

(BGT) Later zal de slechte koning nog een keer met een leger naar het Zuiden gaan. Maar deze keer zal het anders aflopen. Want hij wordt aangevallen door Romeinse schepen. Hij wordt bang en gaat terug. Als hij terugkomt, is hij verschrikkelijk kwaad. Daarom verbiedt hij de mensen om in de tempel tot God te bidden. Intussen is hij een vriend van mensen die geen respect hebben voor de heilige tempel.

Aantekening

Daniël 11 : 29 – 30  >  In 168 voor Christus (d.w.z. de door God vastgestelde tijd) viel Antiochus IV  Epifanes Egypte weer binnen, maar deze keer werd hij vernederd verslagen. De Romeinen hadden de Ptolemeeën gesteund, en Antiochus IV was geen partij voor het Romeinse leger, vooral niet voor de schepen van de Kittiërs (‘Kittië’ is de oude naam Cyprus, maar werd steeds meer gebruikt voor landen rond de Middellandse Zee in het algemeen, in dit geval speciaal de Romeinen). Diverse historici uit de oudheid (vgl. Polybus, Historia, 29.27; Livius, De geschiedenis van Rome, 45) vertellen het verhaal van de nederlaag van Antiochus IV. Zij melden dat de Romeinse commandant Gaius Popilius Leanas Antiochus IV buiten Alexandrië ontmoette en hem  een brief van de romeinse senaat overhandigde, waarin hem bevolen werd Egypte te verlaten of het risico van een oorlog met Rome te lopen. Vervolgens tekende hij een cirkel rond Antiochus IV en zei hem een besluit te nemen voordat hij uit de cirkel zou stappen. Antiochus IV verkoos wijselijk Egypte te verlaten. In 167 voor Christus richtte hij zijn woede op de Joden (hij zal … toornen tegen het heilige verbond en hij zal zijn eigen wil ten uitvoer brengen) en stuurde het hoofd van zijn belastinginners, Apollonius, naar Jeruzalem. Aanvankelijk leek Apollonius vreedzaam te komen, maar op de sabbat begon hij mensen te doden en de stad te plunderen (vgl. 1 Makkebeën 1:30-32; 2 Makkebeën 5:25-26). Hij beloonde de Joden die de Hellenistische politiek steunden, zoals de hogepriester Menelaüs (hij zal op hen letten die het heilige verbond verlaten).

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      De een na de ander

Lezen: Daniël 11 : 13 – 24  

Donderdag 12 november 2020            Daniël 11 : 17-19

Hij zal zijn zinnen erop zetten om met de kracht van heel zijn koninkrijk te komen, en billijke voorwaarden met zich meebrengen en die ten uitvoer brengen. Hij zal hem een dochter uit de vrouwen geven om het koninkrijk te gronde te richten, maar zij zal niet standhouden, en zij zal voor hem niet zijn. Dan zal hij zijn zinnen zetten op de kustlanden en hij zal er vele veroveren. Een leider zal echter een einde maken aan zijn smaad tegen hem, zonder dat hij zijn smaad aan hem kan vergelden. Ten slotte zal hij zijn blik slaan op de vestingen van zijn eigen land, maar hij zal struikelen en ten val komen, en niet meer gevonden worden.

(BGT) Daarna maakt hij een plan om meer macht te krijgen in het Zuiden. Hij spreekt af dat zijn dochter mag trouwen met de koning van het Zuiden. Maar zijn plan mislukt. Daarna maakt de koning van het Noorden een nieuw plan. Hij stuurt zijn leger naar de landen aan de Middellandse Zee. Maar daar houdt een sterk leger hem tegen. De koning van het Noorden kan niets terugdoen. Zo komt er een einde aan zijn geweld. Daarna stuurt hij zijn leger naar de belangrijkste steden in zijn eigen land. Maar ook daar verliest hij. Zijn macht is voorbij, en hij verdwijnt.

Aantekening

Daniël 11 : 17 – 19  >  Nadat generaal Scopas zich had overgegeven, werd Egypte gedwongen tot een bondgenootschap met de Syriërs. Antiochus III de Grote gaf zelfs zijn dochter Cleopatra (niet de beroemde vrouw uit latere tijd die verbonden was met Julius Caesar en Marcus Antonius) ten huwelijk aan Ptolemaeus V. Antiochus hoopte dat haar nakomelingen over Egypte zouden heersen en hem meer macht over Egypte zouden geven, maar Cleopatra steunde Ptolmaeus V Epifanes in plaats van haar vader (zij zal niet standhouden, en zij zal voor hem niet zijn). De verzen 18 en 19 geven het aanvankelijke succes weer van Antiochus III in de kustlanden (een verwijzing naar Klein-Azië en mogelijk ook het vasteland van Griekenland), maar werd hij werd uiteindelijk verslagen door Romeinse en Griekse troepen. De Romeinen dwongen hem in 188 voor Christus een verdrag te tekenen bij Apanea en afstand te doen van grondgebied en het grootste deel van zijn militaire macht, en 20 krijgsgevangenen te leveren (een van hen was zijn zoon Antiochus IV Epifanes). Hij moest ook een grote schatting betalen aan Rome. Hij keerde naar huis terug en werd door een woedende menigte gedood (hij zal struikelen en ten val komen) terwijl hij probeerde een tempel van Zeus in Elymais te beroven om de zware schatting aan Rome te kunnen betalen.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Opgaan, blinken en verzinken

Lezen: Daniël 11 : 2b – 12  

Woensdag 18 november 2020               Daniël 11 : 2

Nu zal ik u dan de waarheid bekendmaken. Zie, er zullen nog drie koningen in Perzië aan de macht komen, en de vierde zal grotere rijkdom verwerven dan alle anderen. Als hij sterk geworden is door zijn rijkdom, zal hij allen opzetten tegen het koninkrijk Griekenland.

(BGT) Maar nu zal ik vertellen over een grote oorlog. En wat ik je vertel, zal zeker gebeuren. In Perzië zullen steeds nieuwe koningen de macht krijgen. De laatste koning zal de rijkste zijn van allemaal. Door zijn rijkdom krijgt hij veel macht. Dan zorgt hij ervoor dat iedereen in verzet komt tegen het Griekse rijk.

Aantekening

Daniël 11 : 2  >  Er zouden nog drie koningen in Perzië aan de macht komen na Kores (Cambyses [530-522], Smerdis [522] en Darius I Hystaspes [522-486] en dan zou een vierde, die meer rijkdom en macht zou hebben dan de anderen, in conflict komen met Griekenland. Deze vierde koning was Xerxes I [486-464], die Griekenland zou binnenvallen, maar verslagen zou worden in de slag bij Salamis (480).

Perzië                          Daniël 11 : 2                          (Uit de Mannen Bijbel)

Het Perzische leger bestond voornamelijk uit gewone soldaten, boogschutters, ruiters en zogenaamde ‘onsterfelijken’, keurtroepen. Het normale leger kende een eerste linie die uit ongeveer 40.000 man bestond. Daarachter stonden de boogschutters. De ruiters fungeerden altijd aan de flanken en achter de linies. De bewapening was een speer en een boog. De commandanten waren te herkennen aan de speer die met goud was belegd.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Krachten

Lezen: Daniël 10 : 12 – 11 : 2a  

Dinsdag 17 november 2020            Daniel 10 : 20 – 21

Toen zei hij: Weet u waarom ik naar u toe ben gekomen? Nu zal ik terugkeren om tegen de vorst van Perzië te strijden. En zodra ik vertrokken ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen. Ik zal u echter vertellen wat is opgetekend in het boek van de waarheid – al maakt niet één zich met mij sterk tegen hen, behalve uw vorst Michaël.

(BGT) Toen zei hij: ‘Weet je waarom ik naar je toe gekomen ben? Ik moet je vertellen wat er gaat gebeuren. Dat is allemaal al opgeschreven, en zo zal het zeker gaan. Ik moet snel teruggaan om te vechten tegen de engel die Perzië beschermt. Als ik dat gedaan heb, moet ik vechten tegen de engel die het Griekse rijk beschermt. En er is niemand die mij zal helpen, behalve Michaël, de engel die Israël beschermt.

Aantekening

Daniël 10 : 20  >  De engel verklaarde dat hij terug zou keren om tegen de vorst van Perzië te strijden en daarna tegen de vorst van Griekenland, de geestelijke tegenhanger van het volgende wereldrijk dat zou opkomen. Dit grijpt al vooruit op de openbaringen in hoofdstuk 11.

Daniël 10 : 21  >  Het boek van de waarheid verwijst waarschijnlijk naar het plan dat God heeft voor Israël en voor de wereld. De strijd tegen de satanische machten gaat nog steeds door, hoewel er steeds andere menselijke tegenstanders zijn. Telkens weer wordt het volk van God ter aarde gebogen, maar het wordt niet vernietigd omdat God het blijft steunen en versterken door de dienst van Zijn eigen engelen (vgl. Hebreeën 1:14).

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Indrukwekkend

Lezen: Daniël 10 : 1 – 11  

Maandag 16 november 2020          Daniël 10 : 5 – 6

Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man, gekleed in linnen, Zijn heupen [1]omgord met het fijne goud uit Ufaz. Zijn lichaam was als turkoois, Zijn gezicht als het uiterlijk van de bliksem, Zijn ogen als vuurfakkels, Zijn armen en Zijn voeten als de glans van gepolijst koper en het geluid van Zijn woorden als het geluid van een menigte.

(BGT) Ik keek rond en zag een man in witte kleren. Om zijn middel had hij een gouden band. Zijn lichaam had de glans van een mooie edelsteen. Zijn gezicht gaf licht als de bliksem, en zijn ogen schitterden als vlammen. Zijn armen en voeten hadden een mooie glans, alsof ze van koper waren. Zijn stem klonk als het lawaai van een grote groep mensen.

Aantekening

Daniël 10 : 5 en 6  >  Aan het eind van Daniëls vasten ontving hij een visioen van een hemels Wezen, gekleed in linnen, Zijn heupen omgord met … goud. Zijn lichaam gloeide met een innerlijk licht, als turkoois, een schitterende edelsteen, en Zijn gezicht straalde als de bliksem met ogen als vuurfakkelsen armen en voeten als gepolijst koper, het geluid van Zijn woorden klonk als het geluid van een menigte. Toch was deze luisterrijke Man niet instaat Zijn taak te vervullen zonder hulp van Michaël, een van de voornaamste vorsten (Daniël 10:13). Het is derhalve niet zeker dat dit een fysieke manifestatie was van God of Christus. Het kan ook een van de engelen van god geweest zijn die de luister van hun Meester weerspiegelen (zie Ezechiël 1:10). De openbaring van Gods luister die door deze machtige verschijnen straalde, was overweldigend. Daniël werd tegen de grond gedrukt en zijn metgezellen sloegen op de vlucht om zich te verbergen.

Geestelijke strijd                   Daniël 10 : 1 – 14          (Uit de Vrouwen Bijbel)

In het derde jaar van Kores mogen de ballingen naar Israël terugkeren. Daniël blijft in Babel. Hij is al zo’n tachtig jaar als hij een laatste visioen ontvangt. Hij ontmoet een engel, die hem vertelt dat de verhoring van Daniëls gebed met drie weken vertraagd is. Een demon – de vorst van Perzië genoemd – vocht met de engel. De aardsengel Michaël kwam helpen bij die strijd. Dank God voor Zijn engelen.


[1]  Openbaring 1:13, 14, 15

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Nog zeventig weken

Lezen: Daniël 9 : 15 – 27  

Zondag 15 november 2020             Daniël 9 : 24 – 27

Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.  Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.

(BGT) God heeft besloten dat het zeventig weken slecht zal gaan met het volk en de heilige stad. Daarna is de straf voor hun fouten voorbij. Dan zullen ze altijd leven zoals God het wil. Wat de profeten voorspeld hebben, zal dan uitkomen. De tempel kan weer als een heilig gebouw gebruikt worden. Er is voorspeld dat Jeruzalem weer opgebouwd zal worden. Je kunt er zeker van zijn dat dat zal gebeuren. Maar eerst zullen er zeventig moeilijke weken komen. In de eerste zeven weken daarvan gaat er iemand regeren die door God uitgekozen is. Daarna komen er 62 weken waarin de hele stad Jeruzalem opgebouwd zal worden. Maar het zal een moeilijke tijd zijn. Na die 62 weken wordt er iemand vermoord die door God uitgekozen is. En niemand zal hem helpen. Dan gaat er een koning regeren die met een leger de stad en de tempel verwoest. Eén week lang zal die koning sterk zijn. Hij krijgt veel mensen aan zijn kant. Midden in die week verbiedt hij de mensen om offers te brengen. Hij zet dan een altaar van een afschuwelijke afgod in de tempel. Dat blijft daar staan totdat er iemand komt die het kapotmaakt. Want dat heeft God beslist. Het leven van die koning zal eindigen in een ramp. Maar tot het einde van zijn leven zal er oorlog zijn. Alles wordt verwoest. Zo heeft God het beslist.’’

Aantekening

Daniël 9 : 20 – 27  >  Het antwoord van Gabriël: 70 weken vóór de beloofde verlossing. De engel Gabriël, die voor het eerst verscheen in hoofdstuk 8, haast zich naar Daniël om hem te openbaren dat er nog meer staat te gebeuren.

Daniël 9 : 24 – 27   >  Er zijn veel verschillende opvattingen over de betekenis van de zeventig weken(letterlijk ‘zeventig zeventallen’), maar de drie belangrijkste zijn: (1) het tekstgedeelte verwijst naar de gebeurtenissen onder Antiochus IV Epifanes (175-164 voor Christus); (2) de 70 zeventallen moeten figuurlijk verstaan worden; en (3) het tekstgedeelte verwijst naar gebeurtenissen rond de geboorte van Christus. De meeste geleerden vatten de 70 ‘zeventallen’ op als 70 maal 7 jaar (490 jaar), maar ze passen deze jaren op verschillende perioden in de geschiedenis toe*. Belangrijk is in elk geval dat God een bepaalde tijd genoemd heeft, zodat het volk de moed niet zou verliezen.

  •  Degene die de eerste opvatting huldigen, nemen meest al aan dat het woord

 … om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen (vers 25) verwijst naar de profetie van Jeremia over de ‘zeventig jaar gevangenschap’ (Jeremia 25:1, 11) die begon in 605 voor Christus, (sommigen beginnen te tellen vanaf 586, toen de Babyloniërs de tempel verwoesten) en duurde tot de reiniging van de tempel door Judas Makkabeüs (164) of de dood van Antiochus IV Epifanes (164). Dit betekent echter maar een gedeeltelijke vervulling van de ‘zeventig weken’ (490 jaar na 605 is 115 voor Christus, en 586 is 96 voor Christus). Een bezwaar tegen dit gezichtspunt is dat het moeilijk te duiden is hoe de gebeurtenissen ten tijde van Antiochus IV zouden overeenkomen met de ‘zeventig weken’ (zoals ‘de overtreding te beëindigen’, ‘de zonden te verzegelen’, ‘een eeuwig gerechtigheid tot stand te brengen’).

  • Geleerden die de tweede opvatting huldigen, geloven dat de 490 jaar (7 +

 62 + 1, elk vermenigvuldigd met zeven jaar) symbolisch staat voor tijdsperioden aan het eind van de 1e eeuw na Christus. Steun voor dit symbolisme is te vinden in het voorkomen van ‘zeventig’ in Daniël 9:2 en de verbinding van ‘zeven’ met de wekelijkse sabbat (Leviticus 23:3), het Wekenfeest (Leviticus 23:11-16, ‘zeven weken’), het sabbatsjaar (Leviticus 25:3-4, verbonden met boetedoening van het volk in Leviticus 26:34-35; 2 Kronieken 36:21) en het jubeljaar (Leviticus 25:8, ‘zeven weken/sabbatten maal zeven jaren’). Deze getallen kunnen duiden op de precieze tijdsbepaling door God. Eén benadering voor deze tweede opvatting is eenvoudigweg te zeggen dat 70 x 7 het uiterst volmaakte betekent en dat daar verder geen invulling aan hoeft te worden gegeven. Een andere benadering is uit te gaan van drie perioden, waarvan de eerste periode loopt vanaf het decreet van Kores dar de Joden weer mochten terugkeren en de tempel herbouwen (538 voor Christus) tot ongeveer de tijd van Ezra en Nehemia in de 5e eeuw (ca. 458-433). De 62 weken bestrijken dan de tijd van ca. 400 voor Christus tot de komst van Christus. De laatste ‘zeven’ loopt dan van de eerste komst van Christus tot enige tijd na Zijn dood, maar vóór de verwoesting van de tempel in 70 na Christus. Een argument tegen deze opvatting is dat de berekening 7 + 62 + 1 week juist bedoeld lijkt te zijn een nauwkeurige chronologie te geven, meer dan alleen maar de opeenvolging van drie perioden in de geschiedenis. Bovendien lijkt het doel van de zeventig weken niet bereikt te zijn in 70 na Christus (‘de overtreding te beëindigen’, ‘de zonden te verzegelen’, ‘een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen’). Sommige exegeten die van dit standpunt uitgaan hebben gesteld dat het duidt op de perioden die in verband staan met de wederkomst van Christus. Dan is het laatste bezwaar niet geldig.

  • De derde opvatting ziet de ‘zeventig zeventallen’ als een letterlijke periode

van 490 jaar, die haar einde bereikt in de tijd van Christus. Maar wat moet dan als begindatum worden gekozen? (a) Waarschijnlijk niet 538 voor Christus, toen Kores de Joden toestemming gaf terug re keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen (2 Kronieken 36:23; Ezra 1:2-4), want dat was geen decreet om de stad te herbouwen, en 538 min 490 wordt 48 voor Christus, een onbelangrijke datum. (b) Een redelijke mogelijkheid is het decreet van Arthahasta in Ezra 7:12-26, dat plaatsvond in 458 voor Christus.[1] Hoewel dit decreet voornamelijk gaat over voorzieningen voor de tempel, gaat het ook over benoemingen van ‘rechters en gerechtsdienaren’ (Ezra 7:25). Er kan dus aangenomen worden dat ook de stad werd herbouwd. En 490 jaar na 458 voor Christus is precies 33 na Christus, het jaar waarin hoogst waarschijnlijk Christus gekruisigd is.* Deze berekening past ook bij Daniël 9:24, want de dood van Christus bracht de dingen waarvan gezegd werd dat ze in die zeventig weken gedaan zouden worden: ‘de overtreding te beëindigen, zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen’. Misschien is ook een betere interpretatie van deze verklaring dat de 7 + 62 = 69 weken in vers 25 ons brengen in 26 na Christus. Sommige nieuwtestamentisch geleerden zijn van mening dat Jezus Zijn werk begon in 26 na Christus en stierf in het jaar 30. Maar vers 26 zegt alleen maar: ‘Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn’. Bij deze verklaring vond Jezus’ dood plaats vlak na de 62 weken. (bij deze interpretatie van het vers kan de dood van Jezus in 30 of 33 na Christus plaatsgevonden hebben.) (c) Een derde mogelijkheid voor het begin van de 490 jaar is 445 voor Christus, toen Arthahsata Nehemia brieven gaf met toestemming de muren te herbouwen en een huis te bouwen in Jeruzalem (Nehemia 2:5-8; vgl. Nehemia 2:1 voor de datering, 13 jaar na Ezra 7:7). Maar 490 jaar na 445 voor Christus levert 46 na Christus op, een datering die ver na de kruiseging van Christus ligt. Een alternatief hiervoor is aan te nemen dat de dood van Christus plaatsvond in de 69eweek, 39 na Christus, maar ook dat is te laat. Sommige exegeten verdedigen echter dat een ‘jaar’ in deze profetie moet berekend worden als 12 maanden van 30 dagen = 360 dagen (vgl. Daniël 12:7, 11; Openbaring 11:2; 12:6). Op die basis is 69 ‘weken’ van zulke jaren gelijk aan 483 jaren van 360 dagen, en dan is de uitkomst 32 of 33 na Christus, afhankelijk van het feit of de brief van Arthahsata in Nehemia 2:5-8 gedateerd wordt in 445 of 444 voor Christus. Het is moeilijk een keuze te maken tussen deze twee alternatieven.

Een bijkomende kwestie is of de profetie van Daniël de mogelijkheid van een breuk tussen 69e en de 70e week toelaat. Dispensationalistische exegeten* stellen dat Daniël 9:26 voor de hele kerk geldt en dat vers 27 de zeventigste week beschrijft, met de grote ellende van zeven jaren en het verschijnen van de antichrist. Dispensationalisten stellen dat het visioen van Daniël allereerst betrekking lijkt te hebben op gebeurtenissen die het volk Israël betreffen, niet de heidenen. Andere exegeten zijn van mening dat een dergelijke breuk niet is vervat in de woorden van Daniël.

Het is erg moeilijk om een keuze te maken tussen deze verklaringen, omdat er dan ook vragen rijzen naar een juiste benadering van bijbelse profetie. Ondanks dat alles is het van belang de boodschap van Daniël tot zijn gehoor niet mis te verstaan, namelijk dat God de tijd voor deze gebeurtenissen heeft vastgesteld en dat Zijn volk daarom moet vertrouwen en volhouden.

Daniël 9 : 24  >  De boodschap van Gabriël was dat de verzoeken van Daniël om verandering in de toestand van zijn volk en stad beantwoord zouden worden. Het jaar waarin Daniël zijn verzoek deed (vgl. vers 1 met 2 Kronieken 36:23; Ezra 1:2-4), zou het begin betekenen van het einde van de verwoesting van Jeruzalem, want Kores vervulde dat toen hij het volk van God toestond naar huis terug te keren. Maar Gabriël gaat verder dan die gebeurtenis en legt uit wanneer de definitieve verwoesting van Jeruzalem voorbij zal zijn. De overtreding, zonden en ongerechtigheid van Israël die ertoe geleid hadden dat god hen verlaten had (Daniël 9:7), zouden uiteindelijk verzoend worden. God zou eeuwige gerechtigheid brengen en Zijn volk tot een heilige natie maken. Omdat het volk in het verleden de woorden van de profeten veronachtzaamd had (vers 6) zou de Heere hun woorden verzegelen zoals een oude schrijver een brief zou verzegelen. God zou doorn het vervullen van de woorden van de profeten deze bestempelen als echt van Hem afkomstig, om de Heiligheid van heiligheden te zalven kan betrekking hebben op de tempel in Jeruzalem en zijn herinwijding door Judas Makkabeüs in 164 voor Christus, of op de ‘zalving’ van het hemelse ‘heiligdom’ door Christus toen Hij stierf (vgl. Hebreeën 9:11-14, 23-24); sommigen laten het zelfs betrekking hebben op een toekomstige tempel in navolging van hun lezing van Ezechiël 40-48. De Heere zou het beloofde nieuwe verbond van Jeremia 31:31-33 in werking brengen. Dit nieuwe verbond zou echter niet ingaan aan het einde van de 70 jaren van ballingschap. Die periode van oordeel was een klein deel van het grotere plan van God dat eerder zeventig weken (of ‘zeventallen’) dan 70 jaar nodig zou hebben om tot stand gebracht te worden.

Daniël 9 : 25 – 26  >  Het beloofde herstel van het volk van God en van het heiligdom zou in drie stappen komen. (Zie aantekening bij vers 24-27 voor de verschillende meningen over de datering.) De eerste zeven weken/zeventallen zouden lopen vanaf de uitvaardiging van het decreet dat Jeruzalem hersteld en herbouwd zou mogen worden tot de tijd dat die herbouw gereed was (misschien 458-409 voor Christus, of 445-396). Deze periode  van herstel, samen met de volgende tweeënzestigweken/zeventallen nadat de stad herbouwd was, zou een tijd van moeilijkheden zijn. De Messiaanse Heerser zou verschijnen aan het einde van deze 69 weken/zeventallen. Maar ook het verschijnen van de Messias, de Vorst, zou niet onmiddellijk de vrede en gerechtigheid inluiden die Jeremia verwachtte. Erger nog, die Messias (Hebreeuws masjiach, waar ‘Messias’ van afgeleid is) zou Zelf uitgeroeid worden (vers 26), maar het zal niet voor Hemzelf zijn, een duidelijke verwijzing naar de kruisiging van Christus. Na de uitroeiing van de Messias zou een volk van een vorst (Hebreeuws nagid… dat komen zal, Jeruzalem en zijn heiligdom verwoesten. Veel commentatoren zien in deze ‘komende vorst’ een verwijzing naar de Romeinse generaal Titus, wiens leger Jeruzalem verwoestte in 70 na Christus, of als een verwijzing naar een toekomstige antichrist. Andere exegeten denken dat deze vorst dezelfde is als de ‘Mezias-Vorst’ (Hebreeuws masjiach nagid) die in vers 25 verwacht wordt. Deze persoon wordt aangeduid als ‘Messias’, waarbij de nadruk ligt op Zijn priesterlijk werk van het Zichzelf aanbieden als slachtoffer, en als ‘heerser’ Wiens volk zich niet onder Zijn heerschappij wil scharen. De voornaamste oorzaak van de verwoesting van de stad en de tempel in 70 na Christus was de overtreding van het volk van God in het verwerpen van de Messias Die God hun gezonden had (Lukas 19:41-44).

Daniël 9 : 27  >  zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. In de HSV verwijst dit naar de verzoening door Christus. Met de dood van Jezus aan het kruis waren zoenoffers uit het Oude Testament overbodig geworden (Hebreeën 10:1-9). Zijn dood bracht hen die door God verkozen waren onder het nieuwe verbond met de Heere. Volgens een andere verklaring, als ‘de vorst die komen zal’ (Daniël 9:26) niet de Messias is, maar en tegenstander van het volk van God, van het volk van God, dan betekent ‘hij zal slachtoffer en graanoffer doen ophouden’ dat hij de tempel zal vernietigen, en dan heeft de voorspelling betrekking op de vernietiging van Jeruzalem. Het slot van vers 27 is uitermate moeilijk te vertalen. Letterlijk staat er: ‘In het midden van die zeven zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden, en wegens het uiterste [of ‘vleugel’] van de gruwelen die verwoesting veroorzaken, tot aan het einde dat bepaald is, zal het uitgegoten worden tot verwoesting’. Over de verbinding van ‘gruwelen’ en ‘verwoesting’.* Van dispensationalistische geleerden komt nog een derde verklaring. Volgens hen zal Daniël 9:27 in vervulling gaan aan het einde van de tijd van de kerk, tijdens de grote verdrukking. De verklaring voor deze lezing is de volgende: Als de eerste 69 weken eindigen met de dood van Jezus, en als Hij wederkomt na de ‘70e week’ om de verwoester te straffen, dan moet er een ruimte in de tijd zijn tussen deze weken (de tijd van de kerk). Vaak wordt dit dan verklaart als de tijd dat God bezig is met de kerk, en dat dat dus geen deel uitmaakt van de ‘zeventig weken/zeventallen’. Volgens andere geleerden heeft vers 27 op een aardse heerser die een einde maakt aan de offerdienst. Volgens deze interpretatie zal de heerser in de 70e week, die tot een climax leidt, (in deze lezing de ‘antichrist’) het verbond (‘verdrag of overeenkomst’) voor velen (d.w.z. het Joodse volk) versterkenvoor drieënhalf jaar en hij maakt dan ‘een einde aan slachtoffer en graanoffer’ die hij toegelaten had in de herbouwde tempel (vgl. Jesaja 66:6; Ezechiël 40:44; 47; Openbaring 3:12; 11:1-2). Het doen ophouden van de offers zal dan de voorbode zijn van de ‘grote ellende’ in de tweede helft (in deze lezing van Openbaring 7:14; vgl. Mattheüs 24:21) omdat dat een tijd zal zijn van intensieve vervolging. Het laatste deel van Daniël 9:27 laat dan uiteindelijk gruwel zien van het verwoestende eindgericht over de antichrist (de verwoester). Andere exegeten achten de voorspelling in vers 27 niet zo specifiek.

Wederopbouw              Daniël 9 : 25 – 27                   (Uit de Vrouwen bijbel)

Soms word je er zo moe van in de wereld. Eerst knapt men voor miljoenen een vliegveld op en een paar jaar later wordt het in een burgeroorlog kapotgeschoten. Daarna moet er weer jet nodige geld in geïnvesteerd worden. Wat is dat zinloos. Deze cyclus van opgaan, blinken en verzinken is ook eeuwenlang de realiteit geweest van de stad Jeruzalem.          


[1]  Aantekening bij Ezra 7:6-7 >> Ezra is ook een vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes. Ongetwijfeld deed God een schriftgeleerde opstaan die bedreven was in de wet, omdat het volk na zo’n langdurige ballingschap nauwelijks meer wist hoe het volgens de wet van Mozes leven. Blijkbaar had Ezra de koning om toestemming en middelen gevraagd om naar Jeruzalem te gaan (vers 7). Arthahsasta is bereidwillig, omdat God, Die Ezra gunstig gezind is, tot hem spreekt, en de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de Heere, zijn God, over hem was.* Hij komt met een nieuwe golf migranten, waaronder priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempeldienaren. De ballingen kwamen niet allemaal tegelijk terug.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Verootmoediging

Lezen: Daniël 9 : 1 – 14  

Zaterdag 14 november 2020          Daniël 9 : 4 t/m 6

Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis en zei: Och Heere, grote en ontzagwekkende God, [1]Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid ten aanzien van hen die Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, [2]wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen. Wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel de bevolking van het land.

(BGT) In mijn gebed zei ik hoe schuldig we waren. Ik zei: ‘Heer, u bent een grote en heilige God. U doet wat u beloofd hebt. U bent goed voor de mensen die van u houden, en die leven zoals u het wilt. Maar wij zijn fout geweest. We gingen tegen uw wetten in, en we gehoorzaamden u niet. We verzetten ons tegen u, en we deden niet wat u van ons vraagt. We hielden ons niet aan uw regels. U stuurde profeten naar de koningen van ons land en de leiders van ons volk. U stuurde ze naar de belangrijkste mannen van onze families, en naar ons allemaal. Maar niemand heeft naar uw profeten geluisterd.

Aantekening

Daniël 9 : 4  >  Het gebed van Daniël begint met aanbidding en erkenning van de macht en rechtvaardigheid van God, en vervolgt met een pleidooi om het volk genadig te zijn. De Heere is een God Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid, getrouw Zijn beloften aan Zijn volk nakomend. In tegenstelling tot Gods rechtvaardigheid en trouw, was Daniëls eigen volk ontrouw geweest, zoals Daniël beleed.

Voorgaan                     Daniël 9 : 1 – 19           (Uit de Mannen Bijbel)

In het boek Daniël komen veel leiderschapsstijlen voorbij. In het eerste deel treden de Babylonische koningen Nebukadnezar en Belsazar en de Perzische koning Darius als leider op. De een wekt wat meer sympathie dan de ander, maar het zijn alle drie machtsbeluste dictators. Ze schuwen geen enkel middel om over de rug van hun onderdanen hun goddelijke status te handhaven. Afschuwwekkende tonelen spelen zich af.

In hoofdstuk 9 zien we Daniël optreden als leider. Het spreekwoord ‘Waar je mee omgaat, word je mee besmet’ blijkt voor Daniël niet op te gaan. Hij is zichzelf gebleven als kind van God. Gods woord is nog steeds de lamp voor zijn voet (Daniël 9:2) en Gods volk is nog steeds zijn volk, waarmee hij solidair is. Hij is voorganger, priester voor zijn volk. Hij knielt in hun midden neer, solidair in verootmoediging. Daarin laat hij iets zien van de Hogepriester Die komen zou: Jezus. Hij staat model voor het leiderschap in het Koninkrijk van de hemel. Hem zij de glorie (Daniël 7:14)!

Daniëls gebed               Daniël 9 : 3 – 19           (Uit de Vrouwen Bijbel)

Daniëls gebed is indrukwekkend. Hij belijdt zijn schuld en bidt om vergeving en herstel. Hij laat zien hoe groot en goed God is en hoe klein en zondig wij mensen zijn. Daarna vraagt Daniël aan God wat Hij wenst. Hoe is jou gebed? Breng jij God direct je verlanglijstje of neem je de tijd om eerst te spreken over je verhouding tot Hem: Wie Hij is en wie jij bent.

Schuld belijden namen anderen         Daniël 9 : 5          (Uit de Vrouwen Bijbel)

In Daniëls gebed valt op dat hij bidt in de wij vorm. Hij verootmoedigt zich en doet schuldbelijdenis namens zijn volk. Onze gebeden zijn vaak gericht op onszelf of op onze dierbaren. We leren van Daniël om breder te kijken. Denk aan je familie, de plaats waar je woont, de kerk, de regering, ons land en de wereld waar jij deel van uitmaakt. Waar kun jij vandaag schuld over belijden?   


[1]  Deuteronomium 7:9

[2]  Psalm 106:6; Jesaja 64:5, 6, 7

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Laat je niet overvallen, maar verrassen

Lezen: Mattheüs 24 : 29 – 44  

Vrijdag 13 november 2020             Mattheüs 24 : 30

[1]En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde [2]rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.

(BGT) Dan wordt het teken van de Mensenzoon zichtbaar aan de hemel. Alle mensen op aarde zullen huilen en jammeren. Ze zien de Mensenzoon op de wolken uit de hemel komen. Hij komt als een machtige en schitterende koning.

Aantekening

Mattheüs 24 : 30  >  het teken van de Zoon des Mensen. Sommigen denken dat er aan de hemel een soort vlag of banier ontrold wordt als christus terugkomt in ‘grote kracht en heerlijkheid’. Anderen denken dat de komst van de Zoon des mensen Zelf het teken van de voleinding der tijden is (vgl. Mattheüs 16:17; 26:64). rouw. Dit is berouw dat tot bekering leidt, of een groot verdriet om het komende oordeel. zij zullen de zoon des mensen zien (zie aantekening bij Mattheüs 8:20), als Hij op de wolken van de hemel komt. Deze woorden die herinneren aan Daniëls profetie (Daniël 7:13-14), gaan duidelijk over de eindtijd en wijzen op Jezus’ wederkomst aan het eind der tijden (vgl. 2 Thessalonicenzen 1:7-10; Openbaring 19:11-16). met grote kracht en heerlijkheid. Christus zal geopenbaard worden als eeuwige Heerser over Gods Koninkrijk, uitverkoren door de Oude van dagen om eer te ontvangen en heerschappij te voeren over de aarde en al zijn inwoners (vgl. Daniël 7:13-14). Christus zal werkelijk terugkomen, Hij ‘zal op dezelfde wijze terug komen als’ de discipelen ‘Hem naar de hemel’ hebben zien gaan (Handelingen 1:11).

Aantekening bij Mattheüs 8 : 20  >  Jezus noemt Zichzelf graag de Zoon des mensen (zie aantekening bij Johannes 1:52; Daniël 7:13) en gaf daarmee de feitelijke betekenis van Zijn identiteit en opdracht aan: (1) de ootmoedige Knecht, Die kwam om zondaars te vergeven (vgl. Mattheüs 9:6); (2) de lijdende Knecht, Die door Zijn verzoenende dood en opstanding Zijn volk verlost (Mattheüs 16:13, 27-28), en (3) de verheerlijkte Koning en Rechter, Die terug zal komen om Gods Koninkrijk op aarde te stichten (Mattheüs 25:31; 26:64). niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen. Christenen krijgen dezelfde behandeling als Jezus en kunnen dan ook geen geriefelijk, comfortabel leven verwachten (Johannes 15:18; vgl. Johannes 16:33).

Aantekening bij Johannes 1 : 52  >  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u is een plechtige verklaring om het gezag en het belang van Jezus’ uitspraken te beklemtonen. In dit evangelie komt de uitdrukking 25 keer voor. Hier is ‘u’ beide keren meervoud. de hemel geopend … en de engelen van God opklimmen en neerdalen herinneren aan het verhaal van Jakob in Genesis 28 (zie m.n. ver 12). Jezus zal een heerlijker weg zijn om bij God te komen dan de hemelse ladder waarop engelen heen en weer klommen tussen God en Jakob (Genesis 28:12; vgl. Hebreeën 10:19-20). Elke plaats waar Jezus is, wordt een nieuw ‘Bethel’ waar God geopenbaard wordt. de Zoon des mensen. Jezus is niet alleen ‘een mensenzoon’ zoals ieder mens; Hij noemt Zich herhaaldelijk (in de evangeliën 85 keer) ‘de Zoon des mensen’: de grootste Mensenzoon van alle tijden. Dit is een Messiaanse titel, toegekend aan de mysterieuze Goddelijke/menselijke figuur van Daniël 7:13-14 (‘Iemand als een Mensenzoon’), aan Wie eeuwige heerschappij zou worden verleend over alle volken op aarde (vgl. Mattheüs 26:64). De Zoon des mensen zal worden ‘verhoogd’ aan het kruis (zie aantekening bij Johannes 3:14). Hij zal goddelijke openbaring geven (Johannes 6:27) en zal met eindtijdgezag optreden (Johannes 5:27; 9:39).

Aantekening bij Daniël 7 : 13 – 14  >  De komst van de Mensenzoon. De iemand als een Mensenzoon heeft zowel menselijke als goddelijke trekken. Elders wordt deze term ‘mensenzoon’ of ‘mensenkind’ vaak gebruikt om mensen te onderscheiden van God (bv. Psalm 8:5; Ezechiël 2:1). Déze Mensenzoon lijkt echter meer te zijn dan een gewoon mens, want het ‘komen met de wolken’ is een teken van Goddelijke autoriteit (vgl. Psalm 104:3; Jesaja 19:1). Deze ‘Mensenzoon’ wordt gegeven heerschappij, eer en koningschap (Daniël 7:14; dit is vergelijkbaar met het koningschap van God, Daniël 4:34; 7:27), die op dat ogenblik in handen zijn van menselijke koningen zoals Nebukadnezar (vgl. Daniël 5:18). Maar Hij is veel belangrijker dan Nebukadnezar, want Hij zal voor altijd over de hele wereld heersen: alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren, en Zijn koningschap zal niet ten gronde gaan (Daniël 7:14). Hij moet dus meer zijn dan een gepersonifieerde vertegenwoordiger van Israël (vgl. Daniël 7:18, 27) en zeker ook meer dan een gewone engel, want geen schepsel zou het recht hebben de hele wereld voor eeuwig te beheersen. Jezus maakt er aanspraak op dat Hij deze rol zal vervullen (vgl. Markus 14:61-62). Uiteindelijk wordt dit vervuld in Openbaring 19:11-16, wanneer Jezus aan het einde der tijden komt om te oordelen en over de volken te heersen. Jezus duidt Zichzelf vaker aan met de naam ‘Zoon des mensen’ dan met welke andere titel of naam ook (zie aantekening bij Mattheüs 8:20; Johannes 1:52). Deze titel werd in het Oude Testament op twee verschillende manieren gebruikt. Allereerst om een gewoon mens aan te duiden (zie in het bijzonder Ezechiël, waar ‘mensenkind’ meer dan 90 keer gebruikt wordt voor Ezechiël zelf), en vervolgens om te verwijzen naar de Mensenzoon in Daniël 7:13, waar het een Goddelijk iemand is Die in de hemel verblijft samen met de Ouden van dagen. Dit is een aanduiding voor God, om aan te geven dat Hij van oude tijden al bestaat, niet om Hem te beschrijven als een oude man.

Toen de mensen hoorden dat Jezus de term ‘Zoon des mensen’ voor Zichzelf gebruikte, moesten ze beslissen of Hij de eerste of de tweede manier bedoelde. Feitelijk was Hij beide, maar er was vertrouwen voor nodig om te geloven dat Hij was de ‘Mensenzoon’ in Daniël. Aan het einde van Zijn verkondiging, toen Jezus beweerde dat Hij de hemelse ‘Mensenzoon’ was Die in Daniëls visioen voorspeld was, zeiden Zijn tegenstanders dat Hij godslasterlijk sprak (zie aantekening bij Mattheüs 8:20; 24:30; 26:64).


Daniël 7:10; Mattheüs 16:27; 25:31; 26:64; Markus 13:26; 14:62; Lukas 21:27 Handelingen 1:11; 2      Thessalonicenzen 1:10; Openbaring 1:7

[2]  Openbaring 1:7

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Iedereen zal de Mensenzoon (h) erkennen

Lezen: Mattheüs 24 : 15 – 28  

Donderdag 12 november         Mattheüs 24 : 26 – 27

[1]Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

(BGT) In die tijd zullen mensen tegen jullie zeggen dat de messias in de woestijn is. Of dat hij ergens in een huis is. Geloof dat niet, en ga er niet heen.  Want als de Mensenzoon komt, zal iedereen hem zien. Net zoals iedereen de bliksem in de lucht kan zien.

Aantekening

Mattheüs 24 : 26 – 27  >  Zie, Hij is in de woestijn … zie Hij is in de binnenkamers. De Messias komt niet heimelijk voor een select groepje en zal Zich niet voor de mensen verbergen. Veeleer zal Hij verschijnen als een bliksem, onverwacht en zichtbaar voor iedereen.


[1]  Lukas 17:23

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Zware tijden

Lezen: Mattheüs 24 : 1 – 14  

Woensdag 11 november 2020      Mattheüs 24 : 6 t/m 8

U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.

[1]Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Maar al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën.

(BGT) Jullie zullen horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Maar je moet daar niet van schrikken. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. Want eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. Er zal hongersnood komen, en overal zullen aardbevingen zijn. Dat is het begin van de grote rampen.

Aantekening

Mattheüs 24 : 6 – 7  >  oorlogen … hongersnoden … aardbevingen. Zulke rampzalige gebeurtenissen zullen deze tijd kenmerken, totdat Jezus terugkomt om heel de schepping te bevrijden.

Mattheüs 24 : 8  >  begin van de weeën betekent dat er een tijd van lijden voorafgaat aan het Messiaanse tijdperk (vgl. Romeinen 8:22-23). Profeten in het Oude Testament gebruiken dit beeld voor lijden in het algemeen (vgl. Jesaja 13:8; 21:3; 42:14; Jeremia 30:5-7; Hosea 13:13) maar ook voor het lijden dat Israël moet ondergaan voorafgaand aan zijn verlossing (vgl. Jesaja 26:17-19; 66:7-11; Jeremia 22:23; Micha 4:9-10).


[1]  Jesaja 19:2