Tekst van de dag Nog zeventig weken
Lezen: Daniël 9 : 15 – 27
Zondag 15 november 2020 Daniël 9 : 24 – 27
Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
(BGT) God heeft besloten dat het zeventig weken slecht zal gaan met het volk en de heilige stad. Daarna is de straf voor hun fouten voorbij. Dan zullen ze altijd leven zoals God het wil. Wat de profeten voorspeld hebben, zal dan uitkomen. De tempel kan weer als een heilig gebouw gebruikt worden. Er is voorspeld dat Jeruzalem weer opgebouwd zal worden. Je kunt er zeker van zijn dat dat zal gebeuren. Maar eerst zullen er zeventig moeilijke weken komen. In de eerste zeven weken daarvan gaat er iemand regeren die door God uitgekozen is. Daarna komen er 62 weken waarin de hele stad Jeruzalem opgebouwd zal worden. Maar het zal een moeilijke tijd zijn. Na die 62 weken wordt er iemand vermoord die door God uitgekozen is. En niemand zal hem helpen. Dan gaat er een koning regeren die met een leger de stad en de tempel verwoest. Eén week lang zal die koning sterk zijn. Hij krijgt veel mensen aan zijn kant. Midden in die week verbiedt hij de mensen om offers te brengen. Hij zet dan een altaar van een afschuwelijke afgod in de tempel. Dat blijft daar staan totdat er iemand komt die het kapotmaakt. Want dat heeft God beslist. Het leven van die koning zal eindigen in een ramp. Maar tot het einde van zijn leven zal er oorlog zijn. Alles wordt verwoest. Zo heeft God het beslist.’’
Aantekening
Daniël 9 : 20 – 27 > Het antwoord van Gabriël: 70 weken vóór de beloofde verlossing. De engel Gabriël, die voor het eerst verscheen in hoofdstuk 8, haast zich naar Daniël om hem te openbaren dat er nog meer staat te gebeuren.
Daniël 9 : 24 – 27 > Er zijn veel verschillende opvattingen over de betekenis van de zeventig weken(letterlijk ‘zeventig zeventallen’), maar de drie belangrijkste zijn: (1) het tekstgedeelte verwijst naar de gebeurtenissen onder Antiochus IV Epifanes (175-164 voor Christus); (2) de 70 zeventallen moeten figuurlijk verstaan worden; en (3) het tekstgedeelte verwijst naar gebeurtenissen rond de geboorte van Christus. De meeste geleerden vatten de 70 ‘zeventallen’ op als 70 maal 7 jaar (490 jaar), maar ze passen deze jaren op verschillende perioden in de geschiedenis toe*. Belangrijk is in elk geval dat God een bepaalde tijd genoemd heeft, zodat het volk de moed niet zou verliezen.
- Degene die de eerste opvatting huldigen, nemen meest al aan dat het woord
… om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen (vers 25) verwijst naar de profetie van Jeremia over de ‘zeventig jaar gevangenschap’ (Jeremia 25:1, 11) die begon in 605 voor Christus, (sommigen beginnen te tellen vanaf 586, toen de Babyloniërs de tempel verwoesten) en duurde tot de reiniging van de tempel door Judas Makkabeüs (164) of de dood van Antiochus IV Epifanes (164). Dit betekent echter maar een gedeeltelijke vervulling van de ‘zeventig weken’ (490 jaar na 605 is 115 voor Christus, en 586 is 96 voor Christus). Een bezwaar tegen dit gezichtspunt is dat het moeilijk te duiden is hoe de gebeurtenissen ten tijde van Antiochus IV zouden overeenkomen met de ‘zeventig weken’ (zoals ‘de overtreding te beëindigen’, ‘de zonden te verzegelen’, ‘een eeuwig gerechtigheid tot stand te brengen’).
- Geleerden die de tweede opvatting huldigen, geloven dat de 490 jaar (7 +
62 + 1, elk vermenigvuldigd met zeven jaar) symbolisch staat voor tijdsperioden aan het eind van de 1e eeuw na Christus. Steun voor dit symbolisme is te vinden in het voorkomen van ‘zeventig’ in Daniël 9:2 en de verbinding van ‘zeven’ met de wekelijkse sabbat (Leviticus 23:3), het Wekenfeest (Leviticus 23:11-16, ‘zeven weken’), het sabbatsjaar (Leviticus 25:3-4, verbonden met boetedoening van het volk in Leviticus 26:34-35; 2 Kronieken 36:21) en het jubeljaar (Leviticus 25:8, ‘zeven weken/sabbatten maal zeven jaren’). Deze getallen kunnen duiden op de precieze tijdsbepaling door God. Eén benadering voor deze tweede opvatting is eenvoudigweg te zeggen dat 70 x 7 het uiterst volmaakte betekent en dat daar verder geen invulling aan hoeft te worden gegeven. Een andere benadering is uit te gaan van drie perioden, waarvan de eerste periode loopt vanaf het decreet van Kores dar de Joden weer mochten terugkeren en de tempel herbouwen (538 voor Christus) tot ongeveer de tijd van Ezra en Nehemia in de 5e eeuw (ca. 458-433). De 62 weken bestrijken dan de tijd van ca. 400 voor Christus tot de komst van Christus. De laatste ‘zeven’ loopt dan van de eerste komst van Christus tot enige tijd na Zijn dood, maar vóór de verwoesting van de tempel in 70 na Christus. Een argument tegen deze opvatting is dat de berekening 7 + 62 + 1 week juist bedoeld lijkt te zijn een nauwkeurige chronologie te geven, meer dan alleen maar de opeenvolging van drie perioden in de geschiedenis. Bovendien lijkt het doel van de zeventig weken niet bereikt te zijn in 70 na Christus (‘de overtreding te beëindigen’, ‘de zonden te verzegelen’, ‘een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen’). Sommige exegeten die van dit standpunt uitgaan hebben gesteld dat het duidt op de perioden die in verband staan met de wederkomst van Christus. Dan is het laatste bezwaar niet geldig.
- De derde opvatting ziet de ‘zeventig zeventallen’ als een letterlijke periode
van 490 jaar, die haar einde bereikt in de tijd van Christus. Maar wat moet dan als begindatum worden gekozen? (a) Waarschijnlijk niet 538 voor Christus, toen Kores de Joden toestemming gaf terug re keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen (2 Kronieken 36:23; Ezra 1:2-4), want dat was geen decreet om de stad te herbouwen, en 538 min 490 wordt 48 voor Christus, een onbelangrijke datum. (b) Een redelijke mogelijkheid is het decreet van Arthahasta in Ezra 7:12-26, dat plaatsvond in 458 voor Christus.[1] Hoewel dit decreet voornamelijk gaat over voorzieningen voor de tempel, gaat het ook over benoemingen van ‘rechters en gerechtsdienaren’ (Ezra 7:25). Er kan dus aangenomen worden dat ook de stad werd herbouwd. En 490 jaar na 458 voor Christus is precies 33 na Christus, het jaar waarin hoogst waarschijnlijk Christus gekruisigd is.* Deze berekening past ook bij Daniël 9:24, want de dood van Christus bracht de dingen waarvan gezegd werd dat ze in die zeventig weken gedaan zouden worden: ‘de overtreding te beëindigen, zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen’. Misschien is ook een betere interpretatie van deze verklaring dat de 7 + 62 = 69 weken in vers 25 ons brengen in 26 na Christus. Sommige nieuwtestamentisch geleerden zijn van mening dat Jezus Zijn werk begon in 26 na Christus en stierf in het jaar 30. Maar vers 26 zegt alleen maar: ‘Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn’. Bij deze verklaring vond Jezus’ dood plaats vlak na de 62 weken. (bij deze interpretatie van het vers kan de dood van Jezus in 30 of 33 na Christus plaatsgevonden hebben.) (c) Een derde mogelijkheid voor het begin van de 490 jaar is 445 voor Christus, toen Arthahsata Nehemia brieven gaf met toestemming de muren te herbouwen en een huis te bouwen in Jeruzalem (Nehemia 2:5-8; vgl. Nehemia 2:1 voor de datering, 13 jaar na Ezra 7:7). Maar 490 jaar na 445 voor Christus levert 46 na Christus op, een datering die ver na de kruiseging van Christus ligt. Een alternatief hiervoor is aan te nemen dat de dood van Christus plaatsvond in de 69eweek, 39 na Christus, maar ook dat is te laat. Sommige exegeten verdedigen echter dat een ‘jaar’ in deze profetie moet berekend worden als 12 maanden van 30 dagen = 360 dagen (vgl. Daniël 12:7, 11; Openbaring 11:2; 12:6). Op die basis is 69 ‘weken’ van zulke jaren gelijk aan 483 jaren van 360 dagen, en dan is de uitkomst 32 of 33 na Christus, afhankelijk van het feit of de brief van Arthahsata in Nehemia 2:5-8 gedateerd wordt in 445 of 444 voor Christus. Het is moeilijk een keuze te maken tussen deze twee alternatieven.
Een bijkomende kwestie is of de profetie van Daniël de mogelijkheid van een breuk tussen 69e en de 70e week toelaat. Dispensationalistische exegeten* stellen dat Daniël 9:26 voor de hele kerk geldt en dat vers 27 de zeventigste week beschrijft, met de grote ellende van zeven jaren en het verschijnen van de antichrist. Dispensationalisten stellen dat het visioen van Daniël allereerst betrekking lijkt te hebben op gebeurtenissen die het volk Israël betreffen, niet de heidenen. Andere exegeten zijn van mening dat een dergelijke breuk niet is vervat in de woorden van Daniël.
Het is erg moeilijk om een keuze te maken tussen deze verklaringen, omdat er dan ook vragen rijzen naar een juiste benadering van bijbelse profetie. Ondanks dat alles is het van belang de boodschap van Daniël tot zijn gehoor niet mis te verstaan, namelijk dat God de tijd voor deze gebeurtenissen heeft vastgesteld en dat Zijn volk daarom moet vertrouwen en volhouden.
Daniël 9 : 24 > De boodschap van Gabriël was dat de verzoeken van Daniël om verandering in de toestand van zijn volk en stad beantwoord zouden worden. Het jaar waarin Daniël zijn verzoek deed (vgl. vers 1 met 2 Kronieken 36:23; Ezra 1:2-4), zou het begin betekenen van het einde van de verwoesting van Jeruzalem, want Kores vervulde dat toen hij het volk van God toestond naar huis terug te keren. Maar Gabriël gaat verder dan die gebeurtenis en legt uit wanneer de definitieve verwoesting van Jeruzalem voorbij zal zijn. De overtreding, zonden en ongerechtigheid van Israël die ertoe geleid hadden dat god hen verlaten had (Daniël 9:7), zouden uiteindelijk verzoend worden. God zou eeuwige gerechtigheid brengen en Zijn volk tot een heilige natie maken. Omdat het volk in het verleden de woorden van de profeten veronachtzaamd had (vers 6) zou de Heere hun woorden verzegelen zoals een oude schrijver een brief zou verzegelen. God zou doorn het vervullen van de woorden van de profeten deze bestempelen als echt van Hem afkomstig, om de Heiligheid van heiligheden te zalven kan betrekking hebben op de tempel in Jeruzalem en zijn herinwijding door Judas Makkabeüs in 164 voor Christus, of op de ‘zalving’ van het hemelse ‘heiligdom’ door Christus toen Hij stierf (vgl. Hebreeën 9:11-14, 23-24); sommigen laten het zelfs betrekking hebben op een toekomstige tempel in navolging van hun lezing van Ezechiël 40-48. De Heere zou het beloofde nieuwe verbond van Jeremia 31:31-33 in werking brengen. Dit nieuwe verbond zou echter niet ingaan aan het einde van de 70 jaren van ballingschap. Die periode van oordeel was een klein deel van het grotere plan van God dat eerder zeventig weken (of ‘zeventallen’) dan 70 jaar nodig zou hebben om tot stand gebracht te worden.
Daniël 9 : 25 – 26 > Het beloofde herstel van het volk van God en van het heiligdom zou in drie stappen komen. (Zie aantekening bij vers 24-27 voor de verschillende meningen over de datering.) De eerste zeven weken/zeventallen zouden lopen vanaf de uitvaardiging van het decreet dat Jeruzalem hersteld en herbouwd zou mogen worden tot de tijd dat die herbouw gereed was (misschien 458-409 voor Christus, of 445-396). Deze periode van herstel, samen met de volgende tweeënzestigweken/zeventallen nadat de stad herbouwd was, zou een tijd van moeilijkheden zijn. De Messiaanse Heerser zou verschijnen aan het einde van deze 69 weken/zeventallen. Maar ook het verschijnen van de Messias, de Vorst, zou niet onmiddellijk de vrede en gerechtigheid inluiden die Jeremia verwachtte. Erger nog, die Messias (Hebreeuws masjiach, waar ‘Messias’ van afgeleid is) zou Zelf uitgeroeid worden (vers 26), maar het zal niet voor Hemzelf zijn, een duidelijke verwijzing naar de kruisiging van Christus. Na de uitroeiing van de Messias zou een volk van een vorst (Hebreeuws nagid) … dat komen zal, Jeruzalem en zijn heiligdom verwoesten. Veel commentatoren zien in deze ‘komende vorst’ een verwijzing naar de Romeinse generaal Titus, wiens leger Jeruzalem verwoestte in 70 na Christus, of als een verwijzing naar een toekomstige antichrist. Andere exegeten denken dat deze vorst dezelfde is als de ‘Mezias-Vorst’ (Hebreeuws masjiach nagid) die in vers 25 verwacht wordt. Deze persoon wordt aangeduid als ‘Messias’, waarbij de nadruk ligt op Zijn priesterlijk werk van het Zichzelf aanbieden als slachtoffer, en als ‘heerser’ Wiens volk zich niet onder Zijn heerschappij wil scharen. De voornaamste oorzaak van de verwoesting van de stad en de tempel in 70 na Christus was de overtreding van het volk van God in het verwerpen van de Messias Die God hun gezonden had (Lukas 19:41-44).
Daniël 9 : 27 > zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. In de HSV verwijst dit naar de verzoening door Christus. Met de dood van Jezus aan het kruis waren zoenoffers uit het Oude Testament overbodig geworden (Hebreeën 10:1-9). Zijn dood bracht hen die door God verkozen waren onder het nieuwe verbond met de Heere. Volgens een andere verklaring, als ‘de vorst die komen zal’ (Daniël 9:26) niet de Messias is, maar en tegenstander van het volk van God, van het volk van God, dan betekent ‘hij zal slachtoffer en graanoffer doen ophouden’ dat hij de tempel zal vernietigen, en dan heeft de voorspelling betrekking op de vernietiging van Jeruzalem. Het slot van vers 27 is uitermate moeilijk te vertalen. Letterlijk staat er: ‘In het midden van die zeven zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden, en wegens het uiterste [of ‘vleugel’] van de gruwelen die verwoesting veroorzaken, tot aan het einde dat bepaald is, zal het uitgegoten worden tot verwoesting’. Over de verbinding van ‘gruwelen’ en ‘verwoesting’.* Van dispensationalistische geleerden komt nog een derde verklaring. Volgens hen zal Daniël 9:27 in vervulling gaan aan het einde van de tijd van de kerk, tijdens de grote verdrukking. De verklaring voor deze lezing is de volgende: Als de eerste 69 weken eindigen met de dood van Jezus, en als Hij wederkomt na de ‘70e week’ om de verwoester te straffen, dan moet er een ruimte in de tijd zijn tussen deze weken (de tijd van de kerk). Vaak wordt dit dan verklaart als de tijd dat God bezig is met de kerk, en dat dat dus geen deel uitmaakt van de ‘zeventig weken/zeventallen’. Volgens andere geleerden heeft vers 27 op een aardse heerser die een einde maakt aan de offerdienst. Volgens deze interpretatie zal de heerser in de 70e week, die tot een climax leidt, (in deze lezing de ‘antichrist’) het verbond (‘verdrag of overeenkomst’) voor velen (d.w.z. het Joodse volk) versterkenvoor drieënhalf jaar en hij maakt dan ‘een einde aan slachtoffer en graanoffer’ die hij toegelaten had in de herbouwde tempel (vgl. Jesaja 66:6; Ezechiël 40:44; 47; Openbaring 3:12; 11:1-2). Het doen ophouden van de offers zal dan de voorbode zijn van de ‘grote ellende’ in de tweede helft (in deze lezing van Openbaring 7:14; vgl. Mattheüs 24:21) omdat dat een tijd zal zijn van intensieve vervolging. Het laatste deel van Daniël 9:27 laat dan uiteindelijk gruwel zien van het verwoestende eindgericht over de antichrist (de verwoester). Andere exegeten achten de voorspelling in vers 27 niet zo specifiek.
Wederopbouw Daniël 9 : 25 – 27 (Uit de Vrouwen bijbel)
Soms word je er zo moe van in de wereld. Eerst knapt men voor miljoenen een vliegveld op en een paar jaar later wordt het in een burgeroorlog kapotgeschoten. Daarna moet er weer jet nodige geld in geïnvesteerd worden. Wat is dat zinloos. Deze cyclus van opgaan, blinken en verzinken is ook eeuwenlang de realiteit geweest van de stad Jeruzalem.
[1] Aantekening bij Ezra 7:6-7 >> Ezra is ook een vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes. Ongetwijfeld deed God een schriftgeleerde opstaan die bedreven was in de wet, omdat het volk na zo’n langdurige ballingschap nauwelijks meer wist hoe het volgens de wet van Mozes leven. Blijkbaar had Ezra de koning om toestemming en middelen gevraagd om naar Jeruzalem te gaan (vers 7). Arthahsasta is bereidwillig, omdat God, Die Ezra gunstig gezind is, tot hem spreekt, en de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de Heere, zijn God, over hem was.* Hij komt met een nieuwe golf migranten, waaronder priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempeldienaren. De ballingen kwamen niet allemaal tegelijk terug.