Dagelijks Woord

Dagelijks Woord

Zondag 28 april 2019 – 1 Kronieken 17:20-22

[1]HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben. [2]En wie is als Uw volk Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken door het doen van grote en ontzagwekkende dingen, door heidenvolken te verdrijven van voor de ogen van Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt. U hebt Uw volk Israël voor U tot Uw volk gemaakt, voor eeuwig, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.

(BGT) Heer, er is niemand zoals u. Er bestaat geen andere god. Alles wat we over u gehoord hebben, is waar.En geen volk is zo bijzonder als uw volk Israël. Israël is het enige volk op aarde dat door u bevrijd is, toen u hen weghaalde uit Egypte. Iedereen kent u. U hebt geweldige wonderen gedaan voor uw volk, u hebt andere volken weggejaagd. Heer, Israël is uw volk, en u bent hun God, voor altijd.

Overdenking

Na dat David zich ervan bewust werd dat hij in een huis van cederhout woonde en de ark van God onder tentkleden stond, wilde David een huis voor God bouwen en daar de ark onderbrengen. De profeet Nathan was het eens met David en zei tegen hem: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u. Maar God was het daar niet mee eens, en gaf Nathan die nacht woord dat hij tegen David moest zeggen, hier noemt God David Mijn dienaar: Zo zegt de Heere: U mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen. En tevens moest Nathan David zeggen dat een zoon van hem een huis voor de Heere zou gaan bouwen. David zal teleurgesteld zijn geweest, maar toch lezen wij in de dagtekst van vandaag dat hij God groot maakt, en looft voor de dingen die God gedaan heeft voor hem en zijn volk. Ook weet David dat het God is die zijn huis heeft gezegend, en niet alleen nu maar voor eeuwig. Dit geld nu ook voor ons als wij Jezus, Zijn zoon, volgen en doen wat Hij ons heeft geleerd. 


[1]  Deuteronomium 3:24; 4:35; 6:4; 1 Koningen 8:23, 60; Psalm 86:8; Jesaja 37:16, 20; Daniël 3:20; Hosea 13:4

[2]  Deuteronomium 4:7; 33:29; Psalm 147:20