Vrijdag 23 november 2018 – Genesis 2:7

Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.

(BGT) Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij maakte hem van aarde. Hij blies adem in zijn neus, en toen ging de mens leven.

Aantekening

Genesis 2 : 7  >  toen vormde de Heere God de mens uit het stof van de aardbodem. Het woord ‘vormde’ (Hebreeuws jatsar) levert het beeld op van een pottenbakker die klei in een bepaalde vorm kneedt. De nauwe relatie tussen mens en de aardbodem wordt uitgedrukt in de Hebreeuwse woorden om die weer te geven, respectievelijk ‘adam en adamah. blies de levensadem in zijn neusgaten.

Hier blaast God – naar de geest, ziel en lichaam – het leven in degene die Hij schiep om Zijn beeld te dragen. levend wezen. Dezelfde Hebreeuwse term wordt ook gebruikt in Genesis 1:20, 24 om schepselen van zee en land aan te duiden. Hoewel menselijke wezens veel gemeen hebben met andere levende wezens, geeft God alleen aan mensen een koninklijke en priesterlijke positie. Hij maakt alleen hen ‘naar Zijn beeld’ (Genesis 1:27). (Zie de aanhaling van deze passage bij Paulus in 1 Korinthe 15:45.) 

Genesis 2 : 7  >   maakte: hier wordt mogelijk verwezen naar het scheppende werk van de pottenbakker (zie Jes. 29:16; zie aantekening). Net als de mens worden de dieren door God gemaakt (2:19) en worden ze levende wezens genoemd (1:20, 24). stof, uit aarde: de mens is enerzijds verbonden met de aarde en lijkt fysiek op de dieren, anderzijds verschilt hij van de overige aardse wezens omdat hij Gods vertegenwoordiger is, belast met de taak te heersen over de aarde (1:28). Paulus verwijst in 1 Kor. 15:45 naar deze tekst.

Aantekeningen Studiebijbel in Perspectief