Bijbel open in 2023

Bijbel open in 2023

Dag: 276 

Lezen: 2 Koningen 24:18-25:7

Thema: Jeruzalem omsingeld

Tekst voor vandaag: 2 Koningen 25:1

 

HSV: [1] Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden de stad en bouwden er rondom schansen tegenaan.

 

NBV21: [1] Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden de stad en bouwden er rondom schansen tegenaan.

 

BGT: [1] Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden de stad en bouwden er rondom schansen tegenaan.

 

Aantekening bij: 

2 Koningen 24:18 – 25:7 daarna regeerde Jojachins oom Mattanja als vazal van Babel onder de naamZedekia.Jermia 27-29 geeft de indruk dat hij bij het begin van zijn regering (Jeremia 27:1; 28:1) oproer maakte en ten slotte ook in opstand kwam. Daarop volgde een beleg van twee jaar voor Jeruzalem. De stad viel uiteindelijk in 587 of 586 v.Chr. Terwijl de stdsmuur aan de noordkant was neergehaald, lukt het Zedekia om ’s nachts met zijn troepen, waarschijnlijk door de zuidwestelijk gelegen Bronpoort (Nehmia 3:15). Hij werd echter gevangengenomen toen hij naar de Vlakte vluchtte via Wadi Kelt bij Jericho (zie aantekening bij 2 Kronieken 36:11-16).

 

Aantekening bij 2 Kronieken 36:11-16 De regering van Zedekia (597-586 v.Chr.) liep uit in opstand, een bijna twee jaar durend beleg. De vernietiging van Jeruzalem en de tempel, en deportatie van leidinggevende figuren (zie Jeremia 52:28-30* voor meer informatie over de laatste dagen van Jeruzalem). Deze regering wordt weergegeven als het toppunt van ongehoorzaamheid aan God, waar de koning in voorgaat en waarbij het volk op grote schaal trouwbreuk pleegt (Hebreeuws Ma’al; zie aantekening bij 1 Kronieken 2:3-8). Dat ze spotten met de profeten en hen verwierpen (zie Jermia 25:4) hield in dat ze weigerden zich te bekeren, zodat er geen genezing (zie 2 kronieken 7:14) meer mogelijk was tegen de grimmigheid van de Heere (zie 2 kronieken 34:25 en aantekening bij 2 Koningen 24:18-25:7). 

 

Aantekening bij 1 Kronieken 2:3-8 In het overzicht van de kroniekenschrijver neemt Juda de voornaamste plaats in onder Israël, een kwestie van Goddelijke keuze. Juda is zowel ‘leider’ van de andere stammen alsook het begin van David en zijn lijn, die de dragers zijn van Gods beloften vooe Israël (zie 1 Kronieken 28:4). Juda’s vijf zonen laten zowel Gods oordeel over ongehoorzaamheid zien (Er, Onan en Sela), alsook Zijn uitverkiezende genade waarmee Hij de geslachtslijnen voortzet van Perez en Zerah, de tweeling die uit de buitenechtelijke gemeenschap met Tamar geboren werd (Genesis 38). Achar is in de Hebreeuwse tekst ‘akar’ (‘last’), een voorbeeld van een woordspeling op degene die Israël in het ongeluk stort (Hebreeuws ‘oker) (zie Jozua 7:24-26). Ontrouw (Hebreeuws ma’al). Dit is de eerste keer dat een sleutelwoord in dit boek voorkomt dat weergeeft dat Israël geen ontzag had voor de Heere en verzuimde Hem de gehoorzaamheid en aanbidding te geven die Hem toekwam (zie Leviticus 26:40). De kroniekenschrijver ziet dit als het oerbeeld van Israëls zonde, die in zijn geschiedenis vanaf het begin tot het einde steeds voorkomt (zie 1 Kronieken 5:26; 9:1; 2 Kronieken 12:2; 26:16, 18; 28:19; 29:6, 19; 30:7; 36:14). Enkele vreselijke gevolgen van ma-al zijn het verlies van het Beloofde Land en de ellende van de ballingschap. Ondanks dat zal de kroniekschrijver aantonen dat deze straffen ongedaan gemaakt kunnen worden door oprecht berouw en trouwe gehoorzaamheid. Zo’n houding komt bovenal tot uiting in ware aanbidding overeenkomstig de wet van Mozes. De voorouders van David staan hierna opgesomd; dat David uitverkozen is, heeft vooral te maken met het instellen van die aanbidding in Israël.

 

Vlucht                 (Uit de vrouwen Bijbel)

 

2 Koningen 25:3-7, 19-21 Wat een drama. In Paniek vluchten de strijdbare mannen weg. Ze denken vooral aan zichzelf, de vrouwen en kinderen worden zonder bescherming achter gelaten. Het zal de mannen niet redden. Hoe is dat nu eigenlijk? Zijn de vooral gericht op onszelf, ons eigen geluk, of onze eigen redding? Of denken we ook (of vooral) aan het welzijn en behoud van de ander?   

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *