HSV: [14] Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.
NBV21: [14] Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.
BGT: [14] De inwoners van Jeruzalem werden als gevangenen naar Babylonië gebracht. Alle legerleiders moesten vertrekken, samen met tienduizend soldaten. Verder iedereen die werkte als timmerman of smid. Alleen de armste mensen bleven in Jeruzalem achter.
Aantekening bij:
2 Koningen 24:8-17 Jojachin. Babels terugtrekking uit het land Israël in 601 v.Chr. bleek slechts van korte duur. Jojakims opstand bracht het Babylonische leger tegen het einde van het jaar 598 aan de poorten van Jeruzalem. De stad gaf zich over aan de Babyloniërs op 15 of 16 maart 597 v.Chr. Jojachin was toen koning. Grote deportaties volgden. Over de koninklijke visie op deportaties, zie aantekening bij 2 Koningen 15:27-31. Hoewel 1-2 Koningen dit niet vermeldt, bevond de profeet Ezechiël zich onder de bannelingen. Enkel jaren later begon hij in Babel zijn optreden als profeet (Ezechiël 1:2-3).
Aantekening bij 2 Koningen 15:27-31 Pekah was de laatste Israëlitische koning tijdens de lange periode van Azaria’s bewind in Juda. De twintig jaar van Pekahs heerschappij blijkt al te beginnen vóór de tijd dat hij koning over Israël … in Samaria was. Deze heerschappij betrof slechts een deel van het Israëlitische gebied van vers 29. Want als Menahem in 738 v.Chr. koning over Israël was (zie aantekening bij vers 16-22) en Pekah rond 732 opgevolgd werd door Hosea (zie aantekening bij 17:1-2), dan kan Pekah geen 20 jaar over heel Israël hebben geregeerd. Tegen het einde van de tijd waarin hij over heel Israël regeerde, annexeerde Tiglath-Pieser, de koning van Assyrië, grote delen van het noorden en oosten van Israël tijden zijn veldtochten van 733-732 v.Chr. (zie aantekening bij 15:37; 16:7-9). De lijst met overwonnen steden ten westen van de Jordaan is niet compleet, maar geeft wel een indruk (van Ljon in het noorden van het dal Hula, dat de hoofdweg van het land Israël naar Syrië bewaakte, tot Hazor, de grootste stad in Opper-Galilea en de meest strategische plaats in de regio). De Assyriërs voerden ook een groot deel van Israëls bevolking weg. Dat ws in Tiglath-Pilesres imperium een belangrijke strategie. Daardoor vergrootte hij namelijk het aantal arbeidskrachten en verkleinde de kans op verder verzet bij de onderworpen bevolken.
Aantekening bij 2 Koningen 15:16-22 Toen versloeg Menahem Tifsah. Deze aanval op een belangrijke stad aan de eufraat is het laatste gewelddadige optreden van een Israëlitische koning die beweerde te heersen over een imperium zoals dat van Salomo (vgl. 1 Koningen 4:24). De veldtocht moet ongeveer in het begin van zijn bewind zijn geweest. Het was vóór de veldtochten van Pul, de koning van Assyrië in 742-740 v.Chr., of tijdens deze jaren. In het laatste geval was de veldtocht onderdeel van vijandelijkheden in de regio, die zich tegen Assyrië richten. ‘Pul’ is Hebreeuws voor het Akkadische ‘Pulu’, de afkorting van Tiglath-Pileser III. Hij is bekend van Babylonische koningslijsten. Zijn doel was om een Assyrisch handelscentrum te bouwen aan de grens met Egypte. Daarvoor – en om de handelsroutes tussen Filistea en Assyrië veilig te stellen – moest hij de macht hebben over de tussenliggende gebieden. Menahem betaalt Pul een schatting van duizend talenten zilver. Zodoende wordt hij een vriend van Assyrië. Zijn naam komt voor in de Assyrische verslagen over Tiglath-Pilesard geslaagde veldtocht tegen Syrië en Fenichië in 738 v.Chr.
Aantekning bij 2 koningen 17:1-2 slecht … alleen niet als zoals de koningen van Israël die vóór hem geweest waren.Net als bij de koningen van Juda die ‘niet zoals … David’ waren (2 Koningen 14:3; zie 12:2; 15:3, 34) mag de lezer zelf uitzoeken wat dat precies inhoudt. Misschien volgde Hosea Jerobeam niet in al zijn zonden na, toen hij heerste over wat restte van Noord-Israël na de Assyrische aanval in 732 v.Chr. (2 Koningen 15:27-31). Zijn troon bestijging als vazal van Assyrië is behalve in 15:30 en 17:1, ook te lezen op een inscriptie van Tiglah-Pileser III. Die beweert dat hij ‘Hosea als koning over hen aanstelde’.
2 Koningen 15:37 In die dagen begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen.
Aantekening bij 2 Koningen 16:7-9 Ik ben uw dienaar. Liever dan God om hulp te vragen, accepteert Achaz de vazzalstatus van Assyrië. Hij vraagt zijn nieuwe meester om hulp. Die hulp komt in de vorm van een Assyrische veldtocht in 733-732 v.Chr. in Syrië-Israël. De veldtocht eindigde met de verovering van Damascus en de dood van Rezin, maar ook met inlijving van grote delen van Noord-Israël en de dood van Pekah (2 Koningen 15:29-30). Kir was het oorspronkelijke thuisland van de Syriërs (Amos 9:7) en lag ergens in Mesopotanmië.