HSV: [41] Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam [42] – want zij zullen horen van Uw grote Naam, van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm – wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt, [43] luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb.
NBV21: [41] Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om uw naam eer te bewijzen, [42] – want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen –, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, [43] luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel, die ik heb gebouwd.
BGT: [41] Stel dat er iemand uit een ver land komt, iemand die niet bij het volk van Israël hoort. Hij komt hierheen [42] omdat hij over u gehoord heeft, over uw macht en uw kracht. En hij komt bij deze tempel bidden. [43] Luister dan! Luister naar hem vanuit de hemel, de plaats waar u woont. Doe alles wat die vreemdeling u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde weten wie u bent. Dan zullen ze eerbied voor u hebben, net zoals uw volk Israël eerbied voor u heeft. En dan weten ze dat dit uw tempel is, het huis dat ik voor u gebouwd heb.
Aantekening bij:
1 Koningen 8:41-43 De vijfde smeekbede gaat niet over de Israëlieten, maar over de vreemdelingdie gehoord heeft over de grote Naam van de Heere, Zijn sterke hand en uitgestrekte arm(Deuteronomium 4:34; 5:15) en die zijn gebed naar de tempel richt. Salomo wil dat de vreemdeling ook gebedsverhoring zal krijgen en dat alle volken van de aarde Gods Naam zouden kennen en vrezen (Jesaja 2:1-5; 56:6-8; Lukas 7:1-10).