Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

EZECHIËL 39 : 2 – 3 

DAG 127

LEZEN: EZECHIËL 39 : 1 – 16 

THEMA: Ontwapenend

(HSV) [2] Ik zal u omkeren, u [1]meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen, [3] maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

(BGT) [2] Ik dwing je om je land in het verre noorden te verlaten. Ik haal je daar weg en breng je naar het land Israël. [3] Maar als je daar bent, zal ik je wapens afpakken en je machteloos maken.              

Aantekening

Ezechiël 39 : 1 – 6  Gods tegenstand tegen Gog wordt herhaald als de inval van Israël verdergaat, maar alleen om aan te tonen dat het leger van Gog uitsluitend door de hand van God zal vallen. Over Mesech en Tubal, zie aantekening bij Ezechiël 38:2. het uiterste noorden. Zie aantekening bij Ezechiël 38:6.

Aantekening bij Ezechiël 38:2 Gog, het land van Magog. Deze beide namen zijn het voorwerp geweest van uitgebreid onderzoek en speculatie, zowel in Joodse als in christelijke literatuur, maar er is geen overeenstemming over hun betekenis. Sommige exegeten denken dat ‘Gog’ een versluierde verwijzing is naar een historische figuur, zoals Gyges, een koning van Lydië in Klein-Azië uit de 7e eeuw voor Christus. In dat geval zou de profetie gaan over een toekomstige aanvaller, vergelijkbaar met Gyges. Anderen hebben gedacht dat het voorzegging was van Alexander de Grote (356-323 voor Christus). Maar op andere plaatsen geeft Ezechiël herkenbare duidingen of gebruikt hij duidelijker symbolen, en een verband met Alexander de Grote zou allesbehalve duidelijk zijn. Daarom nemen vele exegeten aan dat deze passage een profetie is die gaat over een aanval tegen Israël in een verdere toekomst. In rabbijnse literatuur en in de Aramese targoems worden Gog en Magog dikwijls gezien als leiders van een grote aanval op Israël in een toekomstige Messiaanse tijd. Magog wordt vooral gezien als representant van de van de Scythen. Zij beheersten uitgestrekte gebieden van Azië ten noorden van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee (het moderne Rusland, Oekraïne en Kazachistan). Ook veroverden zij volken ten oosten en ten zuiden van de Zwarte Zee (het moderne Georgië, Armenië en Turkije). In het Nieuwe Testament zijn Gog en Magog de namen van de heidenvolken die door satan worden geleid om Jeruzalem aan te vallen aan het eind van de ‘duizend jaar’ (Openbaring 28:8). Hoewel de andere geografische namen in deze passage te herleiden zijn (zie aantekening bij Ezechiël 38:5; 38:6), blijven Gog en Magog raadselachtig, misschien omdat de profetie alleen maar wil wijzen op een nog onbekende toekomstige leider van een grote aanval tegen Gods volk, iemand wiens identiteit niet bekend zal worden voordat de profetie in vervulling gaat. In de profetie wordt ook geen tijd gespecificeerd, behalve het vage ‘aan het einde van de jaren’ in vers 8 en ‘in later tijd’ (letterlijk ‘aan het einde van de dagen’) in vers 16. Mesech en Tubal, voor het eerst genoemd in Genesis 10:2, liggen in Klein-Azië (zie aantekening bij Ezechiël 27:13).

Aantekening bij Ezechiël 38:6 Gomer verwijst waarschijnlijk naar de Cimmeriërs die ten noorden van de Zwarte Zee leefden (het moderne Oekraïne en het zuidelijke deel van Rusland), maar die verdreven waren door de overwinnende Scythen en verhuisden naar een gebied ten zuiden van de Zwarte Zee, in Anatolië (het moderne Turkije). Voor Beth-Togarma, zie aantekening bij Ezechiël 27:14. Het uiterste noorden lijkt te slaan op vijanden uit het verre noorden van Israël, zonder de namen van deze vijanden specifiek te noemen. Deze uitdrukking (herhaald in Ezechiël 38:15; 39:2) heeft sommige exegeten ertoe gebracht dit op te vatten als een voorzegging van een toekomstige aanval tegen Israël door Rusland (Rusland is het land dat het verste ten noorden van Israël ligt, en Moskou ligt precies ten noorden van Jeruzalem). Anderen zien dit echter als een algemene voorzegging van invallers uit het noorden (zie aantekening bij Ezechiël 38:2). Op andere plaatsen in het Oude testament beschrijft deze uitdrukking de plaats waar God regeert (Psalm 48:3) of waar God Zijn troon wil vestigen (Jesaja 14:13). Dat zou een symbolische verklaring van deze Godsspraak suggeren.

Ezechiël 27 : 13  De namen Javan, Tubal en Mesech worden voor het aangetroffen als zonen van Jafeth in Genesis 10:2 (met herhaling in 1 Kronieken 1:5). In de tijd van Ezechiël gaven de namen echter geografische gebieden aan, misschien bewoond door nakomelingen van deze mannen. Het gaat hier vooral om er de plaatsen op grote afstand mee aan te duiden waarmee Tyrus handeldreef. Specifieker was ‘Javan’ (Hebreeuws Yawan) een oudtestamentische verzamelnaam voor Griekenland of de Grieken (dezelfde Hebreeuwse term wordt in Daniël 8:21; 10:20; 11:2; Zacharia 9:13 vertaald met ‘Griekenland’). ‘Tubal’ slaat op het oude Tabal in wat nu Centraal-Turkije is (in nieuwtestamentische tijden de provincie Kappadocië). ‘Mesech’ heeft betrekking op een volk dat in de Griekse literatuur bekendstond als Moschoi, gevestigd in een omgeving aan de zuidoostelijke hoek van de Zwarte Zee (het noordelijkste deel van het moderne Turkije).  


[1]  Ezechiël 38:[4] Ik zal u omkeren, Ik zal haken in uw kaken slaan en Ik zal u doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht met grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *