Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Net op tijd

Woensdag  4 – Maart – 2020         Exodus 4 : 24 – 26

Lezen:  Exodus 4 : 18 – 31

En het gebeurde onderweg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam en hem wilde doden. Toen nam Zippora een vuurstenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon. Zij wierp die voor Mozes’ voeten en zei: Werkelijk, je bent voor mij een bloedbruidegom. Toen liet Hij hem met rust. Vanwege de besnijdenissen zei zij toen: Bloedbruidegom.

(BGT) Toen Mozes onderweg was naar Egypte, kwam de Heer in een nacht op Mozes af. Hij wilde Mozes doden. Toen ging Sippora, de vrouw van Mozes, vlug haar zoon besnijden. Ze pakte een scherp stuk steen. Daarmee sneed ze de voorhuid van haar zoon af. Met de voorhuid raakte ze de voeten van Mozes aan. En ze zei: ‘Door dit bloed kun je mijn man blijven.’ Dat zei ze omdat hun zoon nu besneden was. Toen liet de Heer Mozes met rust.

Aantekening

Exodus 4 : 24 – 26  >  Dit verhaal is niet alleen belangrijk om wat het vertelt, maar ook om wat het laat zien. Niet alleen heeft God aan Zijn verbond gedacht (Exodus 2:24); ook Zijn volk moet denken aan de verbondsvoorwaarden. God houdt Mozes verantwoordelijk voor de consequenties van het verbond met Abraham, o.a. dat hij zijn zoons besnijdt (Genesis 17:9-14). Door dit na te laten, kon hij worden ‘afgesneden’ (zie over deze zware straf aantekening bij Genesis 17:14; Exodus 12:15; Leviticus 7:11-36; Numeri 9:6-14). Dit zou hem zijn leven hebben gekost, ware het niet dat zijn vrouw ingreep. Weer wordt Mozes’ leven gespaard door andermans handelen, ditmaal zijn vrouw Zippora.

Tekstverwijzing aantekening  >  Genesis 17:14  >  moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.Iedere onbesneden man was uitgesloten van de voorrechten van het verbond. De besnijdenis maakte onderscheid tussen hen die geloofden in het belang van de Goddelijke beloften aan Abraham en hen die dat niet deden. Dit schiep een belangrijk theologisch probleem voor de Vroege Kerk, toen meer en meer heidenen in Christus geloofden als Redder en Heere. Terwijl sommige Joodse gelovigen betoogden dat de besnijdenis noodzakelijk was voor de redding*, stelde Paulus dat ‘rechtvaardigheid’ komt door het geloof en dat het gaat om de besnijdenis van het hart, niet van de voorhuid (zie Romeinen 2:25-29; 1 Korinthe 7:18-19; Galaten 6:15).

Exodus 12 : 15  >  Het eten van iets gezuurds tijdens de zeven dagen had als gevolg: die persoon moet uit Israël worden uitgeroeid (ook vers 19). M.a.w. gezuurd brood (brood dat gerezen was) eten tijdens het Pascha was een zware zonde. Nu is ‘uitgeroeid worden’ de straf op meerdere wetsovertredingen: bv. niet besneden worden (Genesis 17:14), dat iemand die onrein is het vlees van een dankoffer eet (Leviticus 7:20-21) en incest (Leviticus 20:17). Maar in de meeste gevallen staat er niet uitdrukkelijk bij hoe dit ‘uitroeien’ plaatsvindt: of Israël dat moet doen dan wel of God de overtreding ziet en de straf uitvoert*. In verband met het Pascha kan de toevoeging dat die persoon ‘uit de gemeenschap van Israël’ moet worden uitgeroeid (12:19) betekenen dat de Israëlieten iemand van het vieren van het Pascha moesten weren als ze erachter kwamen dat hij dit gebod had overtreden. Maar ook wanneer dit hier is bedoeld, is het in de eerste plaats gebaseerd op wat ‘uitgeroeid worden’ voor iemand betekent in verband met zijn verhouding tot de Heere, zodat het een barmhartige waarschuwing kan inhouden om het verbond niet te breken, tenzij hij ermee doorgaat en definitief moet worden ‘uitgeroeid’. Soms bracht Gods oordeel voor de overtreder een vroegtijdige dood met zich mee.*

Leviticus 7 : 11 – 36  >  Het dankoffer. Het dankoffer wordt onderverdeeld in drie soorten, al naargelang de bijbehorende beweegredenen: een lof- en dankoffer (als reactie op Gods gunst jegens de offeraar; vers 12, 13, 15), een gelofteoffer (een offergave ter vervulling van een gelofte; vers 16) en een vrijwillige gave (als er geen specifieke verplichting is om een offergave te doen; vers 16). van zijn volksgenoten worden afgesneden (vers 20, 21, 25, 27). Volgens sommigen betekent dit dat de persoon wordt afgezonderd van zijn gezin en familieleden. Maar volgens anderen wordt het elders geassocieerd met de dood (Exodus 31:14; Numeri 4:18-20). Daarom is hun conclusie dat het verwijst naar de voortijdige dood van de zondaar. In beide gevallen is het een zware straf. Over het verbod inzake het eten van vet en bloed (Leviticus 7:22-27),* Het borststuk en de rechterachterbout (de allerbeste delen van een dier) van het dankoffer gaan respectievelijk als een beweegoffer en als hefoffer naar de priesters. De verwijzing naar hun zalving (Leviticus 7: 35-36) loopt vooruit op Hoofdstuk 8, hun wijding.

Numeri 9 : 6 – 14  > Het uitgestelde Pascha. Het gebruikelijke Pascha werd correct gehouden in ‘de eerste maand’ (vers 5), maar sommige mensen konden daar niet aan meedoen, omdat zij onrein waren door het aanraken van een dood lichaam. De dood is een van de belangrijkste bronnen van onreinheid (zie hoofdstuk 19). Zoals verklaard in hoofdstuk 5*, kunnen mensen die onrein zijn niet in het kamp wonen, laat staan dat zij konden deelnemen aan de eredienst. Maar het Pascha niet houden terwijl men daar wel toe in staat is, is een ernstige zonde, waardoor iemand moet worden afgesneden (9:13). ‘Afgesneden’ betekent waarschijnlijk een plotselinge en mysterieuze dood als Goddelijke straf, hoewel sommige exegeten denken dat het misschien kan verwijzen naar uitsluiting uit Israël of een gerechtelijk oordeel (vgl. voor andere overtredingen die deze straf verdienen Leviticus 17:4, 9; 20:6, 18; Numeri 15:30-31; 19:13). Degenen die getroffen waren door onreinheid, waren niet verplicht het Pascha later te vieren, ze mochten het een maand later dan gebruikelijk vieren, met inachtneming van de gebruikelijke verordeningen (9:11-12). Wanneer er een vreemdeling bij u verblijft (vers 14). Vreemdelingen die bij hen woonden, mochten het Pascha vieren als ze dat wilden, hoewl ze dat niet verplicht waren. Ze moesten wel de sabbat en de Grote Verzoendag houden (Exodus 20:10; Leviticus 16:29).       

Kind van het verbond            Exodus 4 : 24 – 25        (Uit de Vrouwen Bijbel)

De Heere komt Mozes tegemoet en wil hem doden. Zippora begrijpt wat er gebeuren moet om de dood van haar man te verhinderen. Zij besnijdt haar zoon, als teken van het verbond (Genesis 17:9-14). Ook de zoon van Zippora en Mozes is een kind van het verbond. En kinderen van het verbond worstelen soms hevig in hun relatie met God. Dat geldt voor Mozes, maar bijvoorbeeld ook voor Jakob (Genesis 32). Maar wie bij het verbond hoort, mag leven!

Doortastend                 Exodus 4 : 26                        (Uit de Vrouwen Bijbel)

Zippora noemt Mozes haar ‘bloedbruidegom’. Een raadselachtig woord. Veel blijft onduidelijk in dit bijbel gedeelte. Maar door het doortastende optreden van Zippora behoudt Mozes het leven. Soms moet je ineens doortastend handelen: door bij een hertstilstand te reanimeren, bijvoorbeeld. Achteraf sta je misschien te trillen op je benen. ‘Dat ik dat gedurfd heb …’ Je hebt gehandeld vanuit het verlangen om een leven te redden. Om dat het leven van ieder mens waardevol is in Gods ogen.

Zippora                       Exodus 4 : 25                        (Uit de Vrouwen Bijbel)

Zippora is een van de zeven dochters van Jethro, de priester van Midian. Bij de waterput ontmoet ze een vreemdeling, die haar en haar zussen helpt als ze lastiggevallen worden door de herders. De ‘Egyptische man’ – Mozes – jaagt de herders weg en helpt hen bij het putten van water voor het vee. Daarom wil hun vader Mozes graag in huis ontvangen. Hij mag zelfs blijven en trouwen met Zippora. Maar Mozes is en blijft een allochtoon in Midian. Bij de naamgeving van zijn oudste zoon klinkt dat door: ‘ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land’ (Exodus 2:22).

Zippora’s vader, de priester van Midean, respecteert de Heere (Exodus 18:9-12) en denkt op een waardevolle manier met Mozes mee (Exodus 4:18 en 18:13-26). Zippora komt duidelijk van goeden huize. Daarnaast is ze een sterke vrouw. Zij volgt haar man op een gevaarlijke missie naar Egypte. Mozes en Zippora worden halverwege die reis al verrast door dreiging: niet de farao, maar God staat Mozes naar het leven (Exodus 4:24-26). Zippora legt direct verband tussen het doodsgevaar en de bijzondere positie van de eerste zoon (Exodus 4:22-23). Haar zoon Gersom is nog niet besneden. Wat er precies is gebeurd, is niet duidelijk (vergelijk daarvoor maar eens een paar verschillende bijbel vertalingen). Wel is duidelijk dat Zippora de verantwoordelijkheid neemt voor de uitvoering van de besnijdenis. En dat is heel ongewoon voor een vrouw.

Bij de uittocht uit Egypte is Zippora niet aanwezig. Mozes heeft haar voor die tijd teruggestuurd naar haar vader in Midian. Wanneer het volk in de woestijn zwerft, brengt Jethro zijn dochter Zippora en zijn twee kleinzoons Gersom en Eliëzer terug naar Mozes. Vanaf dat moment trekt Zippoa mee met het volk Israël, door de woestijn naar het land van de belofte.  

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *