HSV: [19] Het gebeurde, toen de poorten van Jeruzalem hun schaduwen afwierpen, vóór de sabbat, dat ik zei dat de deuren gesloten moesten worden, en ik zei dat zij ze niet mochten openen tot na de sabbat. Ik plaatste een aantal van mijn knechten bij de poorten, zodat er geen last zou binnenkomen op de sabbatdag.
NBV21: [19] Zodra het bij de poorten van Jeruzalem rustig was geworden, vlak voor het ingaan van de sabbat, beval ik dat de poortdeuren moesten worden gesloten en pas weer mochten worden geopend op de dag na de sabbat, en ik stelde een aantal van mijn mannen bij de poorten op; op sabbat kwam er geen koopwaar de stad meer binnen.
BGT: [19] ’s Avonds werd het rustig bij de poorten van de stad. Het was vlak voor het begin van de sabbat. Ik zei dat de deuren gesloten moesten worden, en dat ze pas geopend mochten worden als de sabbat voorbij was. Ik liet een paar van mijn mannen bij de poorten staan. Zo kon ik er zeker van zijn dat er op sabbat niets de stad in gebracht werd.
Aantekening bij:
Nehemia 13:19-22 Nehemia heeft nog steeds genoeg persoonlijk gezag en middelen om zijn hervormingen af te dwingen (hoewel niet duidelijk is of hij op dit moment nog landvoogd is).
Nehemia 13:15-22 Nehemia treedt op de ontheiliging van de sabbat. De gemeenschap zondigt opnieuw, deze keer door de sabbat te ontheiligen, wat Nehemia ertoe brengt om het volk terecht te wijzen.
De verwijs Bijbel verwijst bij Nehemia 13:19 naar: Openbaring 21:[10] En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan.
[11] Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis.
[12] Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten, en bij die poorten twaalf engelen. Ook waren er namen op geschreven, namelijk van de twaalf stammen van de Israëlieten.
[13] Drie poorten op het oosten, drie poorten op het noorden, drie poorten op het zuiden, en drie poorten op het westen.
[14] En de muur van de stad had twaalf fundamenten met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.
[15] En hij die met mij sprak, had een gouden meetlat om de stad op te meten, en haar poorten, en haar muur.
[16] En de stad lag daar als een vierkant, haar lengte was even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de meetlat op: twaalfduizend stadiën. Haar lengte, breedte en hoogte waren gelijk.
[17] En hij mat haar muur op: honderdvierenveertig el, een mensenmaat, die ook de maat van een engel is.
[18] En het bouwmateriaal van de muur was jaspis en de stad was zuiver goud, gelijk aan zuiver glas.
[19] En de fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,
[20] het vijfde onyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist.
[21] En de twaalf poorten waren twaalf parels. Elke poort apart bestond uit één parel, en de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas.
[22] Ik zag geen tempel in haar, want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.
[23] En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp.
[24] En de naties die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer erin.
[25] En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn.
[26] En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen.
[27] Al wat onrein is, zal er niet inkomen, en ook niemand die zich bezighoudt met gruwelen en leugens, maar alleen zij die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.