Woord voor vandaag

Woord voor vandaag

Dag: 256

Lezen: Psalm 142

Thema: Totale overgave

Tekst voor vandaag: Psalm 142:6-8

 

HSV: [6] Tot U roep ik, HEERE. Ik zeg: U bent mijn toevlucht, mijn [1]deel in het land der levenden. [7] Sla acht op mijn roepen, want ik ben volkomen uitgeteerd; [2]red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. [8] Leid mijn ziel uit de gevangenis om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, want U bent goed voor mij.          

 

NBV21: [6] Ik roep tot U, HEER: ‘U bent mijn schuilplaats, al wat ik heb in het land der levenden.’ [7] Hoor mijn noodkreet, ik ben uitgeput en moe, verlos mij van mijn vervolgers, zij zijn sterker dan ik. [8] Bevrijd mij uit de kerker, dat ik uw naam mag loven  in de kring van de rechtvaardigen: U hebt naar mij omgezien.

 

BGT: [6] Daarom roep ik naar u, Heer, want u beschermt me. U bent alles wat ik nodig heb op aarde. [7] Heer, luister naar mijn gebed! Ik kan niet meer, ik ben doodmoe. Red mij van mijn vijanden, want zij zijn sterker dan ik. [8] Bevrijd mij uit mijn ellende. Dan zal ik u danken, samen met uw volk, omdat u voor mij zorgt.

 

Aantekening bij: 

Psalm 142:6-8 Red mij van mijn vervolgers. Het laatste deel bindt heel de psalm aaneen. Vers 2 klinkt door in vers 6 met U bent mijn toevlucht vers 5 doorklinkt (‘de mogelijkheid tot ontvluchten’, met gebruikmaking van een Hebreeuws synoniem), en ik ben volkomen uitgeteerd (vers 7) is een samenvatting van vers 4-5. Dit gedeelte laat de gelovigen bidden met vrijmoedigheid en vertrouwen op Gods onverminderde zorg. De bidder merkt hoe hij moet reageren als hij het antwoord ziet (om Uw Naam te loven) en verwacht dat alle rechtvaardigen hem zullen volgen (zoals dikwijls in de psalmen komen persoonlijke ervaringen van zegen het hele volk ten goede; vgl. aantekening bij Psalm 109:30-31; en 116:12-19.

 

Aantekening bij Psalm 109:30-31 > Ik zal God loven Die mij beschermt. De psalm sluit af met hoop. De zanger belijdt dat hij de Heere op luide toon zal loven in de openbare eredienst (zodat alle gelovigen aan de lofzang deel kunnen nemen). Hij zal te vinden zijn te midden van velen in de eredienst, liever dan ten prooi te vallen aan hen die zijn ziel veroordelen.

 

Aantekening bij Psalm 116:12-19 > Hoe zal ik Hem mijn dankbaarheid tonen? Het laatste gedeelte werpt de vraag op: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, die Hij mij bewees? Het antwoord maakt gebruik van elementen uit de openbare eredienst, zoals de volgende zinnen tonen: de beker van het heil (misschien een onderdeel van het dankoffer, vers 14); de Naam van de Heere aanroepen (zie aantekening bij vers 4); mijn geloften … nakomen en U een offer van dankzegging brengen (zie aantekening bij Psalm 50:7-15; 56:13-14; 61:9; 66:13-15); in de tegenwoordigheid van al Zijn volk; en in de voorhoven van het huis van de Heere. De persoonlijke verlossing is een voorrecht voor heel het volk, en de gehele gemeente neemt deel aan de dankzegging (vgl. Romeinen 12:15).

 

Aantekening bij Psalm 116:4 > riep de Naam van de Heere aan. Dit kan een algemene term zijn om een godheid aan te roepen in het gebed (bv. 1 Koningen 18:24), maar vaker wijst het op een gebed dat in de openbare eredienst thuishoort (vgl. Genesis 4:26; 12:8; Psalm 105:1). Dat zal hier ook het geval zijn, vanwege dezelfde term in Psalm 116:3. De bede werd dus geformuleerd als onderdeel van de eredienst,

 

Aantekening bij Psalm 50:7-15 > Hij spreekt tot Zijn volk: dien Hem vanuit je hart. Gods rechtspraak is een Godsspraak die uitlegt wat het werkelijk betekent Zijn volk te zijn. Hij spreekt over hun offers (vers 8). Tegen de achtergrond van vers 10-13 en ook vers 16 richt Hij Zich tot het volk dat geneigd is te denken dat God op een of andere manier de offers nodig heeft, en dat die bijna als omkoopmiddel bruikbaar zijn om Hem tevreden te stellen. Gods antwoord (een duidelijk antwoord voor wie helder denkt over het scheppingsverhaal) is, dat Hij heel de geschapen werkelijkheid bezit en er op geen enkele manier van afhankelijk is. Vervolgens richt de Godsspraak zich op het juiste gebruik van offers (vgl. de aantekening bij Psalm 40:7-9), met de nadruk op dankoffers en geloften (Psalm 50:14) Dat waren allebei soorten van vredeoffers (Leviticus 7:11-12, 16), de enige soort offers waarvan de offeraar zelf iets at van het offerdier. De belangrijkste functie was de maaltijd samen met familie en armen, met God als gastheer. (dit is, zo blijkt in 1 Korinthe 10:16-18, de oorspronkelijke bedoeling van het christelijk Heilig Avondmaal.) Het behoren bij het volk van God betekent welkom zijn in Zijn aanwezigheid (Psalm 50:14), geheel in afhankelijkheid van Hem (vers 12) en door op de juiste manier met anderen om te gaan (vers 19-20, 23). Zo wordt het een zaak van het hart.

 

Aantekening bij Psalm 56:13-14 > U hebt mijn ziel gered van de dood. De zanger brengt zijn vertrouwen tot uitdrukking dat, als ‘God net hem is’ (vers 10), het dan zo goed als afgelopen is: God heeft zijn ziel gered van de dood. De geloften en de dankzegging zijn varianten van de vredesoffers die Gods antwoord op het gebed bezingen (vgl. Psalm 54:8; Leviticus 7:15-16).

 

Aantekening bij Psalm 61:9 > Ik zal voor Uw Naam voor eeuwig psalmen zingen. In het bijbelse wereldbeeld vindt men de volkomenheid van Gods tegenwoordigheid in de openbare eredienst. Het juiste antwoord op Gods goedheid is dan ook psalmen te zingen en zijn geloften na te komen te midden van Gods volk.

 

Aantekening bij Psalm 66:13-15 > Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan. Hier wendt de blik zich van Israël als geheel naar de individuele gelovige (ik). Iemand in Israël (daaronder de gasten begrepen) kon in moeilijke tijden een gelofte aan de Heere doen en die inlossen met brandoffers of gelofteoffers (mijn geloften nakomen), vgl. Leviticus 7:16; 22:18 en Numeri 15:3. Zoals Psalm 50:7-15 duidelijk maakt, mogen deze nooit worden gezien als losprijs bij God. Ze zijn het antwoord van persoonlijke toewijding (een functie van het brandoffer) en dankbaarheid (een functie van het gelofteoffer, een soort vredesoffer) aan God voor Zijn vrijwillige betoonde vriendelijkheid. De psalm vermeldt ze als een vreugdevolle gebeurtenis.

 

Aantekening bij Psalm 40:7-9 > Deze verzen maken deel uit van de oudtestamentische terechtwijzingen van iedereen die denkt dat het offersysteem automatisch werkt, buiten geloofsbelijdenis, berouw en gehoorzaamheid om (vgl. Psalm 50:8-15; 51:18-21; Spreuken 14:9; Jesaja 11:11-17). Dit is waarschijnlijk de reden waarom Hebreeën 10:5-7 deze verzen gebruikt (uit de LXX), omdat zijn gehoor in de verleiding kwam hun bijzondere Jodenchristendom af te werpen en terug te keren tot het ‘gewone’ Jodendom met zijn offers, in de gedachte dat zij nog steeds God zouden behagen. Zij moeten de offers zien als middelen om Gods grotere plannen te bevorderen, niet als doel in zichzelf. Iemands oren zijn doorboord (Psalm 40:7) als hij bereid is om te luisteren naar Gods woorden en die te gehoorzamen.

 

Uit de mannen Bijbel

 

Roepen tot God                              Psalm 142:8

In de psalmen treffen we veel emoties aan. De dichters brengen al deze verschillende gevoelens bij God.

Deze psalm heeft David geschreven toen hij zich in een grot verborg, waarschijnlijk voor Saul. Hij is dus in nood en smeekt God om verlossing (vers 2). Opvallend is dat David zijn nood en eenzaamheid heel concreet aan God voorlegt: niemand zag naar mij om, niemand zorgde voor mijn ziel. Met al je zorg en verdriet mag je dus naar God gaan en alles eerlijk Hem vertellen.

Tegelijkertijd valt ook op dat David niet in de nood blijft steken. Hij belijdt dat God zijn toevlucht is (vers 6). Hieruit kun je leren dat je gebed meer mag zijn dan alleen een opsomming van klachten. Terwijl je jouw eigen situatie eerlijk aan God vertelt, blijft het besef dat God sterker is dan al je klachten.

Voel jij je eenzaam en onbegrepen, zelfs door mensen die heel dicht bij je staan? Je mag roepen tot God, net als David in deze psalm. Maar verwacht het dan, terwijl je roept alleen van God. Zo ontsnap je aan negatieve gedachten en word je eraan herinnerd dat God heel veel van je houdt.

 

Uit de vrouwen Bijbel

 

Gevangenis                                    Psalm 142:8

Een gevangenis is geen plek waar je graag wilt zijn, en David wil er dan ook graag uit. Toch zijn er ook vandaag mensen die in een gevangenis of werkkamp God loven, ondanks hun boeien en martelingen. Wat is dat bemoedigend en tegelijkertijd beschamend voor ons! Denk je vandaag aan hen? Ze worden gesteund door jouw gebed of door het kaartje dat je stuurt.

 

De verwijs Bijbel verwijst bij Psalm 142:8 ook naar: Romeinen 3:[20] Daarom zal uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden.  Door de wet is immers kennis van zonde.

     [21] Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:

     [22] namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid.

     [23] Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God,

     [24] en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.


[1]  Psalm 16:[5] De HEERE is mijn enig deel en mijn beker. U onderhoudt wat het lot mij toewees.

[2]  Psalm 41:[2] Welzalig is hij die verstandig omgaat met een ellendige; in dagen van onheil zal de HEERE hem bevrijden.

    Psalm 79:[8] Denk niet aan onze vroegere misdaden, haast U, laat Uw barmhartigheid ons te hulp komen, want wij zijn volledig uitgeteerd.

   Psalm 116:[6] De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *