HSV: [31] De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem zo het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.
NBV21: [31] Toen zei de koning: ‘Doe zoals hij zegt: dood hem en zorg dat hij begraven wordt. Door hem te doden zuivert u mij en mijn koningshuis van het onschuldig bloed dat hij vergoten heeft.
BGT: [31] Toen zei koning Salomo: ‘Doe wat Joab wil. Dood hem, en begraaf hem ook. Doe dat voor mij en mijn familie. Want Joab heeft onschuldige mensen gedood.
Aantekening bij:
1 Koningen 2:28-34 Salomo volgt Davids bevelen op (vers 5-6 en aantekening) en onderneemt actie om Joab uit de weg te ruimen. horens van het altaar. Zie aantekening bij 2 Koningen 1:50. Benaja … stak hem neer. Joab gelooft niet dat Salomo net zo meedogenloos zal zijn als hijzelf was en zelfs iemand in het heiligdom zou laten ombrengen. In overeenstemming met Exodus 21:12-14 (waar staat dat een moordenaar weggevoerd moet worden van het altaar en dan ter dood gebracht), kon toevlucht zoeken in het heiligdom alleen bij een onbedoelde moord (Exodus 21:12), dus geen opzettelijke. De bedoeling van Exodus 21:14 was niet dat het altaar bescherming zou bieden bij opzettelijke moord. David was van oordeel (zie aantekening bij 1 Koningen 2:5) dat Joab de doodstraf had verdiend vanwege de moord op Abner (2 Samuël 3:27) en Amasa (2 Samuël 20:10).
Aantekening bij 1 Koningen 2:5 wat Joab, de zoon van Zeruja, mij aangedaan heeft. Joab moet gedood worden om het huis van David te reinigen van ‘het bloed dat Joab zonder reden vergoten’ had (1 Koningen 2:31). Het is echter merkwaardig dat David zich blijkbaar niet zo bekommerde om deze bloedschuld, anders had hij zelf wel maatregelen getroffen tegen iemand die zo nuttig voor hem was geweest (bv. 2 Samuël 11:15; 14:1-33; 19:1-8). Misschien steekt er achter de woorden van David meer politieke dan vrome bezorgdheid. Als David er niet meer is, is het te gevaarlijk om Joab in leven te laten in Salomo’s verenigde koninkrijk, omdat hij meer een man van het vroegere Juda is (zoals Semï meer een man van het vroegere Israël is 1 Koningen2:8-9). Tussen deze twee storende elementen uit Juda en Israël, die harmonie in de weg staan, bevindt zich Barzillaï (vers 7; vgl. 2 Samuël 17:27-29; 19:31-39) uit Gilead in het Overjordaanse. Hij is een voorbeeld van trouwe dienst aan zijn koning, en zijn zonen mogen daarom vreedzaam aan de tafel van de koning eten.
Aantekening bij 1 Koningen 2:6 naar je wijsheid. Salomo moet niet overhaast reageren, maar moet een slim excuus bedenken om Joab van het toneel te laten verdwijnen (zie ook vers 9 i.v.m. Simeï), zodat hij niet vredig in ouderdom zal sterven (laat zijn grijze haar niet in vrede in het graf neerdalen). Voor ‘graf’ (Hebreeuws sjeool), zie aantekening bij 1 Samuël 2:6. Salomo’s wijsheid (Hebreeuws chochmah) zal in de volgende hoofdstukken naar voren gehaald worden (1 Koningen 3:1-28; 4:29-34; 10:1-13), maar zal niet meer gebruikt worden voor zo’n meedogenloos doel.
Aantekening bij 1 Samuël 2:6 graf. Hebreeuws sjeool, de verblijfplaats van de doden. Het woord komt in de Bijbel vaak voor in idiomatische uitdrukkingen zoals ‘in het graf afdalen’ en ‘zijn leven redden van het graf’. God is het Die ‘de ziel uit het graf ophaalt’ (bv. Psalm 30:4), dus Hij heeft gezag over levenden en doden. Hij heeft de sleutel voor Jobs vraag: ‘Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden?’ (Job 14:14) Job volhardt in het geloof: ‘Ik weet echter: mijn verlosser leeft, en Hij zal ten laatste over het stof opstaan’ (Job 19:25). Hanna belijdt hetzelfde geloof.
Aantekening bij 1 Koningen 1:50 horens van het altaar. Adonia gelooft dat het altaar, een heilige plaats, hem beschermt tegen Salomo’s wraak. Asiel zoeken in een heiligdom was een bekend gebruik in het oude Nabije Oosten (vgl. Exodus 21:12-14).