HSV: [5] U hield mijn ogen wakend, ik was verontrust en sprak niet. [6] Ik overdacht de dagen vanouds, de jaren van vroegere eeuwen. [7] Ik dacht aan mijn snarenspel, ’s nachts peinsde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: [8] Zou de Heere dan in alle eeuwigheid verstoten en voortaan niet meer goedgezind zijn? [9] Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op? Komt aan Zijn toezegging een einde, van generatie op generatie? [10] Heeft God vergeten genadig te zijn? Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten?
NBV21: [5] U laat me mijn ogen niet sluiten, van onrust vind ik geen woorden, [6] ik zie terug op voorbije tijden, op de dagen en jaren van vroeger, [7] bij nacht denk ik aan mijn spel op de snaren, mijn hart zoekt, mijn geest vraagt: [8] Zou de Heer voor eeuwig verstoten, zou Hij niet langer liefhebben? [9] Is zijn trouw voorgoed verdwenen, zijn woord voor eens en altijd verstomd? [10] Vergeet God genadig te zijn, verbergt zijn ontferming zich achter zijn toorn?
BGT: [5] Door God kan ik niet meer slapen. Ik ben onrustig, maar ik weet niet waarom. [6] Ik denk aan vroeger, aan de jaren die voorbij zijn. [7] Toen zong ik voor God in de nacht. Nu lig ik maar te denken, ik zoek een antwoord op mijn vragen. [8] Wil de Heer zijn volk nooit meer zien? Zal hij nooit meer van ons houden? [9] Laat hij ons voorgoed alleen? Zal hij nooit meer spreken? [10] Weet God niet meer wat vergeving is? Is hij alleen nog maar woedend?
Aantekening bij: Psalm 77:5-10
Specifieke klacht: Heeft God vergeten genadig te zijn? Nu beschrijft de psalm wat er zo veel onrust veroorzaakt bij de zanger: gedurende de nacht, wanneer hij niet kan slapen? (vers 5-7), tobt hij over de vraag of God Zijn volk in alle eeuwigheid zou verstoten (vers 8-10).
De verwijs Bijbel verwijst bij 10 naar:
Hebreeën 8:[8] Want hen berispend zegt Hij tegen hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, [9] niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere. [10] Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.