TEKST VOOR VANDAAG
EZECHIËL 40 : 1 – 4
DAG 137
LEZEN: EZECHIËL 40 : 1 – 16
THEMA: Vergezicht
(HSV) [1] In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was [1]verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen. [2] In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad. [3] Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort. [4] Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u dit zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.
(BGT) [1] Op een dag voelde ik opeens de macht van de Heer. Dat gebeurde aan het begin van het jaar, op de tiende dag van de eerste maand. Mijn volk en ik woonden toen 25 jaar in Babylonië. Op die dag was het precies veertien jaar geleden dat Jeruzalem verwoest werd. [2] In een droom werd ik door de Heer meegenomen. Hij bracht me naar het land Israël, en daar zette hij me neer op een heel hoge berg. Aan de zuidkant van die berg zag ik allerlei gebouwen. Het leek wel een stad. [3] Ik werd naar die plek toe gebracht. En daar zag ik in een poort een man staan. Hij zag eruit alsof hij van brons was. De man hield een touw en een stok vast, waarmee hij alles kon opmeten. [4] De man zei tegen mij: ‘Mensenkind, let goed op! Kijk goed naar alles wat ik je laat zien. En luister naar alles wat ik tegen je zeg. Want daarvoor ben je hierheen gebracht. Later moet je alles wat je gezien hebt, aan de Israëlieten vertellen.’
Aantekening
Ezechiël 40 : 1 – 4 Het visioen begint. De dateringsformule komt overeen met april 573 voor Christus. Ongeveer twaalf jaar zijn voorbijgegaan sinds de laatst gedateerde Godsspraak (Ezechiël 32:1). De Joodse traditie vermeldt dat het vijfentwintigste jaar van Ezechiël in 40:1 een Jubeljaar is. De enige keer dat een jaar begint op de tiende van de maand is een Jubeljaar, dat begint op 10 Tisri, de Grote Verzoendag (Leviticus 25:9). De uitdrukking visioen van God verbindt het visioen met Ezechiël 1:1 en 8:3. De profeet denkt aan de verslagen stad (Ezechiël 40:1) wanneer het visioen van een nieuwe stad tot hem komt (vers 2). Zijn Gids, met het uiterlijk als van koper, herinnert aan de Gids in Ezechiël 8:2.
Poort Ezechiël 40 : 3 (Uit de Mannen Bijbel)
Ezechiël wordt in een gezicht meegenomen naar Jeruzalem, en komt in de poort te staan. Natuurlijk hebben die poorten de diverse oorlogen niet doorstaan. Op dit moment zijn er zeven poorten om de oude stad, de meeste dateren uit de periode 1530-1540, zoals ook de Damascuspoort.
De nieuwe tempel Ezechiël 40:1-5 (Uit de Vrouwen Bijbel)
Verplaats je een moment in de schoenen van Ezechiël. Jij en je volk hebben verschillende oorlogen achter de rug,
[1] Ezechiël 33:[21] Het gebeurde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er iemand die uit Jeruzalem ontkomen was, naar mij toe kwam en zei: De stad is verslagen.