TEKST VOOR VANDAAG
JOZUA 7 : 10 – 13
DAG 76
LEZEN: JOZUA 7 : 1 – 15
THEMA: Wat ging er fout?
(HSV) [10] Toen zei de HEERE tegen Jozua: Sta op, waarom ligt u zo met het gezicht ter aarde? [11] Israël heeft gezondigd. Ook hebben zij Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden. Bovendien hebben zij genomen van wat met de ban gewijd was, en ook gestolen, en ook gelogen, en zij hebben het ook bij hun huisraad gelegd. [12] Daarom zullen de Israëlieten niet kunnen standhouden tegenover hun vijanden. Zij zullen voor hun vijanden vluchten, want zij liggen onder de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn als u de ban niet uit uw midden wegvaagt. [13] Sta op, heilig het volk, en zeg: Heilig u voor morgen. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Er is een ban in uw midden, Israël! U zult niet tegenover uw vijanden kunnen standhouden totdat u de ban uit uw midden wegdoet.
(BGT) [10] Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Sta op! Houd op met klagen! [11] Want jullie hebben iets verschrikkelijks gedaan. Jullie hebben je niet gehouden aan mijn regels. Ik had gezegd dat alles uit Jericho voor mij was. En dat daarom alles vernietigd moest worden. Maar iemand heeft iets tussen zijn eigen spullen verstopt. [12] Daarom zijn jullie door je vijanden verslagen en moesten jullie vluchten. Dat is jullie straf. Ik wil dat jullie de gestolen voorwerpen aan mij geven en vernietigen. Anders zal ik jullie niet meer helpen. [13] Sta op, en zorg ervoor dat de Israëlieten zich voorbereiden. Want morgen zullen ze mij ontmoeten, de Heer, de God van Israël. Vertel hun dat er iets uit Jericho gestolen is. En dat ze pas weer kracht zullen hebben om de vijanden te verslaan als de gestolen voorwerpen vernietigd zijn.
Aantekening
Jozua 7 : 10 – 13 Sta op … Israël heeft gezondigd. In niet mis te verstane woorden richt de Heere Jozua’s aandacht op de werkelijke oorzaak van de nederlaag van Israël: Israël heeft Mijn verbond … overtreden, zij hebben genomen van wat met de ban gewijd was (zie aantekening bij Jozua 6:17; 6:18; 6:19), gestolen, gelogen, en het ook bij hun huisraad gelegd – allemaal handelingen die in de wet van Mozes (Deuteronomium 7:25-26) uitdrukkelijk verboden werden. Bij de verzekering die in Jozua 1:7-8 aan Jozua werd gegeven, werd benadrukt dat men zich aan deze wet moest houden. De daadwerkelijke overtreder die deze misdaden beging, was Achan (Jozua 7:1), maar een verbondsgemeenschap is gezamenlijk verantwoordelijk. Daarnaast waren Jozua en de leiders van Israël ook nalatig geweest: ze hadden Gods leiding niet gezocht voor de aanval op Ai (vgl. de expliciete verwijzing naar vergelijkbare nalatigheid in de gebeurtenissen m.b.t. de Gibeonieten in Jozua 9:14). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Israëlieten niet tegenover hun vijanden kunnen standhouden (vgl. Jozua 7:13, en daarentegen 1:5, waar het tegenovergestelde werd beloofd, op voorwaarde van Israëls trouw aan de Heere).
Aantekening bij Jozua 6:17 met de ban aan de Heere gewijd zijn. ‘met de ban wijden’ (Hebreeuws cherem) komt niet alleen in de Bijbel voor (ter vergelijking: op de Moabitische Steen, waarin voor het eerst de Naam van Israëls God in een inscriptie voorkomt, heeft koning Mesa het over met de ban wijden van de stad Nebo, waarbij 7000 mannen en vrouwen werden gedood en de vaten van de Heere voor Kemos werden gesleept). Een moderne manier van denken kan aanstoot nemen aan zo’n totale vernietiging, maar de Bijbel benadrukt dat de totale vernietiging van Jericho door de Heere Zelf werd opgedragen (Deuteronomium 20:16-17). Het is een bewijs van Gods oordeel over de vreselijke zonde van de Kanaänieten. De opdracht om alle levende wezens om te brengen, moest niet gezien worden als een vrijbrief om bij andere oorlogen zonder onderscheid te doden, want er moest anders worden gehandeld met de steden buiten het Beloofde Land (Deuteronomium 20:10-15). Het was bedoeld als een straf voor de Kanaänieten (de maat van hun ongerechtigheid was vol; vgl. Genesis 15:16) en om de Israëlieten te beschermen tegen afvalligheid en afgoderij (Deuteronomium 7:1-6). De uitroeiing van de Kanaänieten was een bijzondere vorm van Goddelijk oordeel, dat plaatsvond in een tijd die verder gekarakteriseerd werd door genade. Daarom is dit ook geen voorbeeld van wat er over het algemeen in oorlogstijd moet gebeuren (in de oudheid of in onze tegenwoordige tijd). Maar het wijst vooruit naar het laatste oordeel dat komt over ieder die volhardt in rebellie tegen Gods genadige toenadering.*
Aantekening bij Jozua 6:18 Indien Israël de opdracht tot totale vernietiging niet volledig uitvoert, wordt het leger van Israël zelf in het ongeluk gestort. Dus bij deze opdracht (zie Jozua 6:17) gaat het niet om etnische zuivering, maar om religieuze reiniging. Kanaänieten als Rachab (hoofdstuk 2) en de Gibeonieten (Hoofdstuk 9), die zichzelf toewijden aan de Heere, worden gespaard, terwijl Israëlieten die de Heere tarten, zoals Achan (Hoofdstuk 7), zelf cherem (d.w.z. met de ban gewijd) worden. Zonde was dan ook geen privéaangelegenheid, individuele acties konden het hele leger in gevaar brengen (vgl. Jozua 7:1).
Aantekening bij Jozua 6:19 Voorwerpen die niet vernietigd konden worden, zoals edelmetalen, moesten bij de schat van de Heere komen. Op die manier kwamen ze niet beschikbaar voor algemeen gebruik.