Tekst van de dag Opbouwwerk
Lezen: Ezra 3 : 1 – 13
Zondag 11 oktober 2020 Ezra 3 : 2 en 8
[2] Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij herbouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.
[8] In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen met de bouw. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.
(BGT) [2] Toen begonnen Jesua en Zerubbabel, samen met andere mannen, het altaar van de God van Israël weer op te bouwen. Want dan konden de Israëlieten weer offers brengen, precies zoals het in de wet van de profeet Mozes stond. Jesua was een zoon van Josadak, en Zerubbabel was een zoon van Sealtiël. Jesua werd geholpen door de andere priesters, en Zerubbabel door de mannen uit zijn familie.
[8] Zerubbabel en Jesua kozen hen uit. Dat deden ze samen met de priesters, de Levieten en andere mensen die uit Babylonië teruggekomen waren. Ze kozen de Levieten uit de familie van Chenadad uit, samen met hun zonen en andere familieleden, en ook de Judeeërs Jesua en Kadmiël. Zij moesten met elkaar de arbeiders controleren die aan Gods tempel werkten.
Aantekening
Ezra 3 : 2 > herbouwden het altaar. Allereerst moest het altaar herbouwd worden. Zodat er opnieuw geofferd kon worden. Opnieuw hadden Jesua en Zerubabel de leiding en ligt de nadruk op de rol van de priesters.
Ezra 3 : 8 > Het werk aan de tempel zelf begint met het leggen van het fundament, in het tweede jaar van de terugkeer (ca. 537 voor Christus). De tweede maand, Ziv (1 Koningen 6:1), dezelfde tijd van het jaar waarin Salomo aan de tempel begon (2 Kronieken 3:2), valt in de lente. De tijd van de terugkeer uit de ballingschap is na hun komst naar het van God in Jeruzalem. Hoewel de tempel er nog verwoest bij lag, wordt de plaats al ‘het huis van God’ genoemd, omdat die geheiligd is voor de eredienst (zie Jeremia 41:5). Het is juist degene die uit de gevangenschap komen die het werk mogen doen. Met name de priesters en Levieten worden genoemd, en alleen Levieten van twintig jaar en daarboven mogen toezicht houden (vgl. 1 Kronieken 23:24).
Hart van de eredienst Ezra 3 : 2 (Uit de Vrouwen Bijbel)
In Israël is niet de tempel maar het offer het hart van de eredienst. David heeft de dorsvloer van Arauna gekocht als offerplaats, Salomo heeft daar pas later de tempel gebouwd (2 Samuel 24:25 en 2 Kronieken 3:1). In ons leven staat het offer van Jezus Christus centraal. Hoe kunnen we vanuit dit Fundament (dagelijks) doen ‘volgens wat geschreven staat’?
Huis van God Ezra 3 : 8 (Uit de Mannen Bijbel)
Salomo heeft de eerste tempel laten bouwen omstreeks 1000 jaar voor Christus. Ezra bouwde de tweede tempel zo omstreeks 515 voor Christus. Deze tempel is verwoest in 70 na Christus, alleen de westelijke muur (de ‘Klaagmuur’) is overgebleven. Mensen die de eerste tempel hadden gekend, vonden dat de tweede niet in de schaduw van de eerste kon staan.