Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Opbouwwerk

Lezen: Ezra 3 : 1 – 13  

Zondag 11 oktober 2020                Ezra 3 : 2 en 8

     [2] Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij herbouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.

     [8] In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen met de bouw. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.

(BGT) [2] Toen begonnen Jesua en Zerubbabel, samen met andere mannen, het altaar van de God van Israël weer op te bouwen. Want dan konden de Israëlieten weer offers brengen, precies zoals het in de wet van de profeet Mozes stond. Jesua was een zoon van Josadak, en Zerubbabel was een zoon van Sealtiël. Jesua werd geholpen door de andere priesters, en Zerubbabel door de mannen uit zijn familie.

   [8] Zerubbabel en Jesua kozen hen uit. Dat deden ze samen met de priesters, de Levieten en andere mensen die uit Babylonië teruggekomen waren. Ze kozen de Levieten uit de familie van Chenadad uit, samen met hun zonen en andere familieleden, en ook de Judeeërs Jesua en Kadmiël. Zij moesten met elkaar de arbeiders controleren die aan Gods tempel werkten.

Aantekening

Ezra 3 : 2  >  herbouwden het altaar. Allereerst moest het altaar herbouwd worden. Zodat er opnieuw geofferd kon worden. Opnieuw hadden Jesua en Zerubabel de leiding en ligt de nadruk op de rol van de priesters.

Ezra 3 : 8  >  Het werk aan de tempel zelf begint met het leggen van het fundament, in het tweede jaar van de terugkeer (ca. 537 voor Christus). De tweede maand, Ziv (1 Koningen 6:1), dezelfde tijd van het jaar waarin Salomo aan de tempel begon (2 Kronieken 3:2), valt in de lente. De tijd van de terugkeer uit de ballingschap is na hun komst naar het van God in Jeruzalem. Hoewel de tempel er nog verwoest bij lag, wordt de plaats al ‘het huis van God’ genoemd, omdat die geheiligd is voor de eredienst (zie Jeremia 41:5). Het is juist degene die uit de gevangenschap komen die het werk mogen doen. Met name de priesters en Levieten worden genoemd, en alleen Levieten van twintig jaar en daarboven mogen toezicht houden (vgl. 1 Kronieken 23:24).

Hart van de eredienst            Ezra 3 : 2            (Uit de Vrouwen Bijbel)

In Israël is niet de tempel maar het offer het hart van de eredienst. David heeft de dorsvloer van Arauna gekocht als offerplaats, Salomo heeft daar pas later de tempel gebouwd (2 Samuel 24:25 en 2 Kronieken 3:1). In ons leven staat het offer van Jezus Christus centraal. Hoe kunnen we vanuit dit Fundament (dagelijks) doen ‘volgens wat geschreven staat’?

Huis van God               Ezra 3 : 8            (Uit de Mannen Bijbel)

Salomo heeft de eerste tempel laten bouwen omstreeks 1000 jaar voor Christus. Ezra bouwde de tweede tempel zo omstreeks 515 voor Christus. Deze tempel is verwoest in 70 na Christus, alleen de westelijke muur (de ‘Klaagmuur’) is overgebleven. Mensen die de eerste tempel hadden gekend, vonden dat de tweede niet in de schaduw van de eerste kon staan.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Belofte vervuld

Lezen: Ezra 1 : 1 – 11  

Zaterdag 10 oktober 2020              Ezra 1 : 1 en 2

In [1]het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat [2]het woord van de HEERE, dat Hij bij monde van Jeremia gesproken had, vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte: Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.

(BGT) Toen Cyrus koning van Perzië geworden was, gebeurde er wat Jeremia al gezegd had: de Heer zorgde ervoor dat Cyrus een belangrijk besluit nam. Cyrus schreef het besluit op, en liet de tekst in het hele land voorlezen. De tekst was: ‘Dit is een boodschap van Cyrus, de koning van Perzië. De Heer, de God van de hemel, heeft alle koninkrijken op aarde aan mij gegeven. En hij heeft tegen mij gezegd dat ik voor hem een tempel moet laten bouwen in Jeruzalem, in Juda.

Aantekening

Ezra 1 : 1 – 2  >  het eerste jaar … van Kores. Het verslag van Ezra is het vervolg van dat in de Kronieken (zie 2 Kronieken 36:22-23). Het was in 538 voor Christus, dat het woord van de Heere, dat Hij bij monde van Jeremia gesproken had, vervuld zou worden. Zie Jeremia 25:11-14; 32:36-38. Het boek Ezra is het verhaal van de wijze waarop God Zijn beloften vervult door Zijn volk te bevrijden uit de ballingschap en het terug te voeren naar hun land. De profeet Jeremia had een 70-jarige ballingschap voorspeld, waarna Babel gestraft en Israël weer opgebouwd zou worden. wekte de Heere de geest van Kores op, de koning van Perzië. God heeft bij de gebeurtenissen in dit boek de touwtjes in handen. Vanuit dit perspectief moeten al deze gebeurtenissen bekeken worden (vgl. Ezra 1:5; 3:11; 5:5; 7:6, 9; 8:18, 22; 10:14). Over de rol van Kores, zie ook Jesaja 44:28; 45:1. De proclamatie van Kores is nog maar het begin van een reeks gebeurtenissen die de profetie in vervulling doen gaan. Hij laat een boodschap gaan door heel zijn koninkrijk, eerst mondeling maar dan ook op schrift gesteld, zodat het de draagwijdte krijgt van een plechtige afkondiging.

Ezra 1 : 2  >  De aanduiding de God van de hemel wordt ook op andere plaatsen gebruikt, wanneer Joden in aanraking komen met niet-Joden (zie Ezra 5:12). Kores gebruikt de typische diplomatieke taal uit die tijd; toch komt dat wat hij zegt overeen met de boodschap in het boek Ezra.

Ezra 1 : 1 – 4  >  Het edict. In de bekende ‘Cilinder van Cyrus (Kores)’ beroemt de koning zich erop dat hij degenen ‘uit de heilige steden aan de overkant van de Tigris, van wie de heiligdommen al geruime tijd verwoest waren … liet terugkeren naar hun woonsteden’. Ezra 1 geeft de proclamatie weer voor zover het de joden betreft.

Opwekking                  Ezra 1 : 1 – 11              (Uit de Vrouwen Bijbel)

De Heere ‘wekte de geest van `kores op’ om de profetie, ‘bij monde van Jeremia gesproken’, te vervullen. Kores wordt Gods ‘herder’ (Jesaja 44:28) en Gods ‘gezalfde’ (Jesaja 45:1) genoemd. Het is duidelijk: God heeft heel de geschiedenis door de touwtjes in handen en Hij gebruikt mensen – in dit geval Kores – in Zijn plan. Zelfs de voorwerpen van de tempel worden teruggegeven, nodig bij de herbouw. In hoeverre worden wij door God ‘opgewekt’ en laten wij ons door hem gebruiken?

Wereldgeschiedenis               Ezra 1 : 1 – 2       (Uit de vrouwen Bijbel)

Bijzonder hoe in dit bijbelgedeelte de werkelijkheid die wij met onze ogen zien, alles te maken heeft met de werkelijkheid van God. God maakt Zich aan ons bekend in de regering van de wereld. We zien in de geschiedenis hoe groot en machtig Hij is. Hij maakt Zijn beloften waar. Vanuit dit vertrouwen kunnen we, net als de ballingen, op weg gaan en ons wijden aan Zijn dienst. 


[1]  2 Kronieken 36:22

[2]  Jeremia 25:12; 29:10

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Vredesmars

Lezen: Psalm 122  

Vrijdag 9 oktober 2020                   Psalm 122 : 6 – 9

Bid om vrede voor Jeruzalem, laat het goed gaan met hen die u liefhebben. Laat vrede binnen uw vestingwal zijn, rust in uw burchten. Omwille van mijn broeders en mijn vrienden spreek ik nu: Vrede zij in u! Omwille van het huis van de HEERE, onze God, [1]zal ik het goede voor u zoeken.

(BGT) Bid om vrede en rust voor Jeruzalem, voor mensen die houden van deze stad. Laat er vrede zijn in de stad, laat er rust zijn binnen de muren. Ik bid om vrede in de stad, want daar wonen mijn familie en vrienden. Ik bid om geluk voor Jeruzalem, want daar staat de tempel, het huis van de Heer, onze God.

Aantekening

Psalm 122 : 6 – 9  >  Bid om vrede voor Jeruzalem. Met het oog op wat Jeruzalem zou moeten zijn, eindigt de psalm met een opwekking aan het volk van Israël om naar de voorwaarden te streven die dat mogelijk maken: de vrede voor Jeruzalem zal de stabiliteit en toegankelijkheid verzekeren ok Gods volk in staat te stellen altijd naar het huis van de Heere op te gaan.

Huis van de Heere                 Psalm 122           (Uit de Mannen Bijbel)

Psalm 120 tot en met 134 zijn pelgrimsliederen van mensen die hun huis verlaten en Jeruzalem gaan bezoeken. Ze zien uit naar de tempel, waar ze willen bidden en het contact willen vieren met de God van Israël. In jet Israël museum heeft men een reconstructie gemaakt van de tweede tempel.

Liefde voor de stad van God           Psalm 122 : 9               (Uit de Vrouwen Bijbel)

Liefde voor Jeruzalem is verlangen naar vrede en gemeenschap met God. Jeruzalem kan haar eigen vrede niet bewerken en bewaren, dat zien we in de geschiedenis van de stad. God zij dank is het Christus Die dáár aan het kruis hing en weer opstond. Vanuit Zijn vrede leren wij ook onze vijanden liefhebben.

Een verwijzing naar het boek Openbaring: vinden we in vers 7:

Openbaring 21 : 10 – 12 en 24 – 26  >       [10] En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan.

     [11] Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis.

     [12] Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten, en bij die poorten twaalf engelen. Ook waren er namen op geschreven, namelijk van de twaalf stammen van de Israëlieten.

     [24] En de naties die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer erin.

     [25] En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn.

     [26] En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen.

(BGT)      [10] In een droom bracht de engel mij naar de top van een heel hoge berg. Daar liet hij mij de heilige stad Jeruzalem zien. De stad kwam vanuit de hemel naar beneden. Ze kwam bij God vandaan,  

     [11] en straalde met Gods licht, als een prachtige groene edelsteen.

     [12] Rondom de stad was een grote, hoge muur met twaalf poorten. Bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven, de namen van de twaalf stammen van Israël.

     [24] De volken op aarde zullen leven in dat licht. En de koningen van de wereld zullen geschenken naar de stad brengen.

     [25] De poorten van de stad zullen altijd openstaan, want het wordt nooit meer nacht. 

     [26] Door de poorten zullen kostbare schatten van alle volken worden binnengebracht.


[1]  Nehemia 2:10

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Oog voor elkaar

Lezen: Mattheüs 20 : 17 – 34  

Donderdag 8 oktober 2020             Mattheüs 20 : 30-31

En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons! De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David!

(BGT) Er zaten twee blinden langs de kant van de weg. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ De mensen zeiden tegen hen: ‘Houd toch je mond!’ Maar ze begonnen juist nog harder te roepen: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met ons!’

Aantekening

Mattheüs 20 : 30 – 31  >  twee blinden. In Markus 10:46 en Lukas 18:35 gaat het over slechts één blinde, Markus noemt zelfs zijn naam (‘Bartimeüs’). Dit wil overigens niet zeggen dat het verslag van Mattheüs onnauwkeurig is, maar alleen dat Markus en Lukas zich op deze ene richten. De blinden erkenden Jezus als de Zoon van David (vgl. aantekening bij Mattheüs 9:27).

Aantekening bij Mattheüs 9 : 27  >  De geschiedenis over de genezing van twee blinden verschilt op belangrijke punten met de genezing van Bartimeüs (Mattheüs 20:29-34); Markus 10:46-52; Lukas 18:35-43) en gaat zeker niet over dezelfde gebeurtenis. Jezus heeft ongetwijfeld vele blinden genezen. Zoon van David. Een verwijzing naar de beloofde Messiaanse Verlosser uit het geslacht van David, Wiens koninkrijk eeuwig zal bestaan (2 Samuel 7:12-16). Dit is de eerste van de vele keren in Mattheüs dat de mensen Jezus zo noemen (zie Mattheüs 12:23; 15:22; 20:30, 31; 21:9, 15; 22:42; vgl. Mattheüs 1:1). De Messiaanse tijd zou genezing van de blinden brengen (Jesaja 29:18; 35:5).

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Goed betaald

Lezen: Mattheüs 20 : 1 – 16  

Woensdag 7 oktober 2020            Mattheüs 20 : 15 – 16

[1]Of is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat ik wil? Of bent u afgunstig omdat ik goed ben? [2]Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; [3]want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

(BGT) Het is mijn geld. Ik mag ermee doen wat ik wil. Waarom zijn jullie jaloers als ik anderen goed behandel?’ Zo zal het gaan in de nieuwe wereld. Mensen die nu het laatst komen, zullen dan vooropgaan. En mensen die nu het eerst komen, komen dan achteraan.’

Aantekening

Mattheüs 20 : 2 – 15  >  penning. Dit was een normaal dagloon van een arbeider. derde uur. Dit is ’s ochtends om 9 uur. Een normale werkdag werd verdeeld in vier delen van drie uur, tussen ’s ochtends 6 en ’s avonds 6 uur. elfde uur is om 5 uur ’s middags, bijna aan het eind van de werkdag. Deze arbeiders zijn zo wanhopig dat ze nog steeds op werk wachten. ontvingen zij ieder een penning. Tot hun verrassing krijgen de laatst ingehuurde arbeiders ook een hele penning, evenveel als die de hele dag gewerkt hadden. Vriend ik doe u geen onrecht. De landeigenaar legt de arbeider vriendelijk uit dat hij niet onrechtvaardig handelt. bent u afgunstig, letterlijk ‘Is uw oog boos?’ De arbeider kon niet dankbaar zijn voor zijn loon. Omdat hij egoïstisch was, werd hij verblind door zijn gebrek aan meegevoel voor zijn medearbeider.

Mattheüs 20 : 16  >  Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten. Een discipel van Jezus moet zichzelf niet afmeten aan of vergelijken met wat anderen gedaan of geofferd hebben, maar bezig zijn God van harte te dienen uit dank voor zijn genade. Jezus zegt niet dat er in de hemel geen verschil is in beloning (zie aantekening bij 1 Korinthe 3:14-15) maar bevestigt wel dat Gods vrijgevigheid overvloediger is dan je zou denken; alle arbeiders, behalve de eerste, kregen meer dan ze verdienden. Het is ook mogelijk dat Jezus Zijn eerste volgelingen (zoals de twaalf) ervoor waarschuwt om degenen die later zouden komen niet minder te achten.

Aantekening bij 1 Korinthe 3 : 14 – 15  >  loon … schade … behouden … als door vuur heen. Zie ook 1 Korinthe 3:8 en 4:4-5. Hoewel zij die geloofd hebben in Jezus al gerechtvaardigd zijn door het geloof (Romeinen 5:1) en niet veroordeeld zullen worden op de laatste dag (Johannes 5:24; Romeinen 8:1, 33), zal God nog altijd hun werken oordelen (Romeinen 14:10-12; 2 Korinthe 5:10) en dienovereenkomstig belonen (Mattheüs 6:1-6, 16, 18; 10:41-42). Paulus spreekt over iemands werk dat – op wat voor manier ook – bijdraagt aan de opbouw van de gemeente (1 Korinthe 12:7, 12-31; 14:12), niet alleen over de leiders van de gemeente.

Gods logica                  Mattheüs 20 : 15          (Uit de Vrouwen Bijbel)

Onze logica is niet Gods logica. Wij redeneren: ‘loon naar arbeid’. Maar in het koninkrijk van God geld een andere logica: genade en goedgeefsheid voor iedereen! Volg je Hem al lang? Of kwam je nog maar pas tot geloof? Sta je op de voorgrond? Of ben je iemand die meer op de achtergrond blijft? Voor God telt iedereen mee, en Zijn genade is niet te tellen.  


[1]  Romeinen 9:21

[2]  Mattheüs 19:30; Markus 10:31; Lukas 13:30

[3]  Mattheüs 22:14

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      De Heer leeft

Lezen: Psalm 115

Dinsdag 6 oktober 2020                 Psalm 115 : 14 – 16

De HEERE zal u meer en meer zegenen, u en uw kinderen. U bent gezegend door de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. De hemel, de hemel is van de HEERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.

(BGT) De HEERE zal u meer en meer zegenen, u en uw kinderen. U bent gezegend door de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. De hemel, de hemel is van de HEERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.

Aantekening

Psalm 115 : 12 – 15  >  De Heere zegent Zijn gelovige volk. Het volgende gedeelte brengt het vertrouwen onder woorden dat God inderdaad Zijn volk zal zegenen, en bidt dat Hij dat zal blijven doen.

Psalm 115 : 14 – 15  >  In vers 14 klinkt Deuteronomium 1:11 door (erop vooruitlopend dat God Zijn volk meer en meer zal zegenen door hun kinderen), en Genesis 1:28, 31 weerklinkt in Psalm 115:15. God riep Israël om hun de voorrechten te schenken die Adam verspeelde.

Psalm 115 : 16 – 18  >  Wij zullen de Heere loven tot in eeuwigheid. De psalm besluit door de gemeente te laten zingen over haar hernieuwde opdracht de Heere te loven (in antwoordt op Zijn zegen, vers 12-15).

Psalm 115 : 16  >  Zoals vers 15 van Psalm 115 erkent, maakte de Heere de hemel en de aarde. De hemel is de plaats waar de Heere woont (de plaats van Zijn regering, zie vers 3), maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven (d.w.z. aan de mensheid in het algemeen, voor wie Israël de eerste aanzet is tot hun vernieuwing naar Gods beeld).

Tekst verwijzing

Deuteronomium 1 : 11  >  Moge de HEERE, de God van uw vaderen, aan uw aantal toevoegen duizendmaal wat u nu bent, en moge Hij u zegenen, zoals Hij tot u gesproken heeft!

(BGT) En ik hoop dat de Heer, de God van jullie voorouders, dit volk straks nog veel groter zal maken. En dat hij jullie rijk en gelukkig maakt, zoals hij beloofd heeft.

Genesis 1  >  28 En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!

31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

(BGT) 28 God zegende de mensen. Hij zei: ‘Jullie moeten kinderen krijgen. Zorg ervoor dat er overal op aarde mensen komen. Jullie moeten de baas zijn over de aarde. En ook over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle dieren op het land.’

31 God keek naar alles wat hij gemaakt had en zag dat het heel mooi was. Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de zesde dag.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.

Lezen: Daniël 6 : 19 – 29  

Maandag 5 oktober 2020               Daniël 6 : 25

Vervolgens beval de koning en men haalde die mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.

(BGT) Toen gaf de koning opdracht om de vijanden van Daniël te grijpen. Zij werden samen met hun vrouwen en kinderen in de kuil gegooid. Nog voordat ze op de bodem lagen, hadden de leeuwen hen al opgegeten. Er bleef niets van hen over.

Aantekening

Daniël 6 : 25  >  Na de vrijlating van Daniël werden degenen die tegen hem hadden samengezworen voor diezelfde leeuwen gegooid. Dat was in overeenstemming met het gebruik in het oude Nabije Oosten dat iedereen die een valse aanklacht tegen iemand had ingediend, gestraft moest worden met dezelfde straf die hij het slachtoffer had toegedacht (vgl. Deuteronomium 19:16-21). Volgens het wrede principe van de Perzen werd het vonnis ook toegepast op de gezinnen van de schuldigen: hun kinderen en hun vrouwen. De ervaring van de samenzweerders in de kuil was radicaal tegengesteld aan die van Daniël: ze werden gegrepen en gedood door de leeuwen voordat zij ook maar de bodem van de kuil hadden bereikt.

De vrouw van de Bestuurder          Daniël 6 : 25             (Uit de Vrouwen Bijbel)

Als bij ons een bestuurder veroordeeld wordt, wordt niet het hele gezin in de straf betrokken. Dat was in die tijd anders. Vrouwen en kinderen belanden ook in de leeuwenkuil. Aangrijpend. Als vrouw van een bestuurder in de kerk of op het werk kan jou veel ter ore komen – goed of kwaad. Dat geeft je de gelegenheid om je man bij te staan in het maken van de juiste keuzes.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Voor de leeuwen gegooid

Lezen: Daniël 6 : 11 – 18  

Zondag 4 oktober 2020                  Daniël 6 : 17

Toen gaf de koning bevel en men haalde Daniël en wierp hem in de leeuwenkuil. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Uw God, Die u voortdurend vereert – Híj zal u verlossen.

(BGT) Toen liet de koning Daniël halen. En Daniël werd in de kuil met leeuwen gegooid. Maar de koning zei tegen hem: ‘Je zult gered worden door de God die jij zo trouw dient.’

Aantekening

Daniël 6 : 17 – 25  >  Daniël behouden in de leeuwenkuil. Een engel beschermt Daniël ’s nachts tegen de leeuwen. De aanklagers hebben een dergelijke bescherming niet.

Daniël 6 : 17 – 19 >  Om er zeker van te zijn dat geen hulp van buiten zou komen voor Daniël werd een steen … op de opening van de kuil gelegd, die de koning verzegelde met zijn ring en met die van zijn machthebbers. Menselijkerwijs gesproken was Daniël aan zijn lot overgelaten. Toch duiden de laatste woorden van Darius tot Daniël op een hogere macht die hulp zou kunnen bieden: Uw God, Die u voortdurend vereert – Hij zal u verlossen.

Leeuwen                      Daniël 6 : 17                          (Uit de Mannen bijbel)

Er staan leeuwen afgebeeld op de muur rond Babel. Bij opgravingen zijn die teruggevonden. Isjitar, aan wie de muur is gewijd, wordt met leeuwen in verband gebracht.

Overdenking

Hier aan het eind van de tekst, geeft de koning Darius de woorden ‘Hij zal u verlossen’ aan Daniël mee. De koning weet van Daniël dat hij op zijn God vertrouwd, en dat deze God wonderen kan doen. In Mattheüs 27:41-43 lezen we ook over vertrouwen en verlossen uit een moeilijke positie. In Mattheüs gaat het over spottende overpriesters en schriftgeleerden en oudsten en Farizeeën. Waar ze over Jezus spraken die aan het kruis hing voor de zonden die wij gedaan hebben. Zij zeiden ‘Hij heeft anderen verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen’. Ook zeiden ze nog ‘Hij heeft op God vertrouwd’, en dat deed Daniël ook, en God was welgezind voor Daniël, maar Jezus moest sterven, omdat Hij ons wilde redden. De Farizeeën, oudsten, schriftgeleerden en overpriesters melden hier wel de woorden die Jezus had gezegd, namelijk dat ‘Jezus de Zoon van God was’. En dat is wel de waarheid, en daardoor mogen wij eeuwig leven als wij in Hem geloven en Hem volgen. Net als Daniël deed, ook Daniël vertrouwde op God. 

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Machtsmisbruik

Lezen: Daniël 6 : 2 – 10  

Zaterdag 3 oktober 2020                Daniël 6 : 8

Al de rijksbestuurders van het koninkrijk, de machthebbers, de stadhouders, de raadslieden en de landvoogden, zijn na onderling beraad van mening dat er een koninklijk besluit moet worden opgesteld en een verbod moet worden bekrachtigd, dat al wie binnen dertig dagen een verzoek zal richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.

(BGT) Alle ministers, bestuurders en belangrijkste ambtenaren vinden dat er een nieuwe wet moet komen. En dit is die wet: ‘Dertig dagen lang mogen de mensen alleen aan de koning iets vragen. Al die tijd is het verboden iets te vragen aan een ander mens of aan een god. En wie dat toch doet, wordt in een kuil met leeuwen gegooid.’

Aantekening

Daniël 6 : 7 – 8  >  De rijksbestuurders en de stadhouders waren eensgezind (Aramees regasj); het Hebreeuws equivalent (ragasj) karakteriseert de volken die ‘woeden’ tegen de Heere en Zijn gezalfde (Psalm 2:1). Ze gingen naar de koning Darius met een voorstel voor een nieuwe wet: gedurende dertig dagen zou niemand een verzoek mogen richten aan welke god of mens ook, behalve aan de koningzelf; alle overtreders zouden in de leeuwenkuil worden geworpen. Darius zag dit eerder als een politiek dan als een religieus voorschrift, erop gericht eenheid te brengen binnen het rijk door hemzelf te benoemen als de enige tussenpersoon tussen de mensen en de goden, waaraan zij hun zegeningen te danken hadden.

Tekst van de Dag

Tekst van de dag      Afgeschreven

Lezen: Daniël 5 : 13 – 6 : 1  

Vrijdag 2 oktober 2020            Daniël 5 : 25 – 6 : 1

Dit is het schrift dat werd geschreven: MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN. Dit is de uitleg van deze woorden. MENE: God heeft de dagen van uw koningschap geteld en Hij heeft er een einde aan gemaakt. TEKEL: u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden. PERES: uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven. Toen beval Belsazar dat zij Daniël in purper moesten kleden, met een gouden keten om zijn hals, en dat zij van hem moesten uitroepen dat hij als derde in het koninkrijk zou heersen. In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood. Darius, de Meder, ontving het koningschap toen hij ongeveer tweeënzestig jaar oud was.

(BGT) Er staan vier woorden: ‘Menee, menee, tekeel, oefarsien’. Die woorden hebben allemaal een betekenis. Menee betekent: geteld. God heeft de dagen van uw koningschap geteld. U mag niet langer koning zijn. Tekeel betekent: gewogen. God heeft u gewogen en u bent niet goed genoeg om koning te zijn. Oefarsien betekent: verdeeld. Uw koninkrijk wordt verdeeld tussen de Meden en de Perzen.’ Belsassar gaf opdracht om Daniël een mooie, rode mantel en een gouden ketting te geven. Zo werd Daniël een belangrijke bestuurder in het koninkrijk. Dat liet de koning overal bekendmaken. In diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Babyloniërs, gedood. Darius uit Medië werd de nieuwe koning. Hij was toen 62 jaar oud.

Aantekening

Daniël 5 : 25  >  Daniël las en vertaalde het schrift … MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN. De woordenzijn duidelijk Aramees en vormen een reeks van gewichten, in afdalende grootte van een mina tot sjekel (1/60 mina) en een halve sjekel. Het was niet zo dat de koning en de wijzen de woorden niet konden lezen, maar zij waren niet in staat hun betekenis met betrekking tot Belsazar te begrijpen. Gelezen als werkwoorden (met verschillende klinkers bij de bijbehorende Aremese medeklinkers) luid de reeks: ‘Geteld, geteld, gewogen en verdeeld’. De Heere had de dagen van Belsazars koningschap geteld en er een einde aan gemaakt, want hij was gewogen in de weegschaal en te licht bevonden (vers 27). De herhaling van ‘geteld’ kan betekenen dat het spoedig zal gebeuren.

Daniël 5 : 28  >  Als gevolg daarvan zou het koninkrijk van Belsazar verdeeld en aan de Meden en Perzen gegeven worden (‘Peres’, het enkelvoud van ‘Ufarsin’, klinkt als het Aramees voor ‘Perzië).

Daniël 5 : 30 – 6 : 1  >  Belsazar gaf Daniël de beloofde beloning (vers 29), maar het was een loze gift omdat er diezelfde nacht een einde kwam aan Belsazars koningschap toen de Meden en Perzen Babel binnentrokken. Belsazar werd gedood en als koning vervangen door Darius, de Mediër. Het feest van Belsazar wordt neergezet als ultieme dwaasheid: hij vierde feest op de rand van zijn graf en hij had geen weet van het gevaar, of hij wilde het niet inzien. De identiteit van de Mediër Darius en de precieze aard van zijn verhouding tot Kores is niet zeker. Kores was al koning van Perzië in de tijd dat Babel in handen van de Perzen viel (539 voor Christus) en tot nog toe zijn er geen vermeldingen ‘de Mediër Darius gevonden in de documenten uit die tijd die zijn overgebleven. Die afwezigheid betekent nog niet dat de verwijzingen naar Darius in het boek Daniël een historisch anachronisme zijn. In het boek Daniël wordt aangenomen dat Kores kort na de val van Babel regeerde (Daniël 1:1; 6:29), en de geschiedkundige kennis van die periode kan incompleet zijn, hoewel er wel veel bekend is. Tot vrij recent was er ook geen spijkerschrifttekst bekend die het bestaan van Belsazar kon ondersteunen. Sommige commentatoren veronderstellen dat Darius een Babylonische koningsnaam was, die Kores zelf had gekozen. Als we hiervan uitgaan moet Daniël 6:29 gelezen worden als ‘onder het koningschap van Darius, dat wil zeggen het koningschap van Kores, de Pers’. Anderen veronderstellen dat Darius in feite een generaal was van Kores en die elders Gubaru of Ugbaru genoemd wordt, en op wiens naam in de kronieken van Nabonidus de inname van Babel staat.

Gewogen             Daniël 5 : 27                 (Uit de Mannen Bijbel)

De Aremese woorden ‘MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN’ zij in de vertaling tot een standaardgezegde geworden in het Nederlands. Letterlijk gaat het om: ‘MENE’ (God heeft uw koningschap geteld), ‘TEKEL’ (sikkel, weegstuk: gewogen en te licht bevonden), ‘PERES’ (halve sikkel, deelstuk: verdeeld en aan de Meden en Perzen gegeven). ‘Gewogen en te licht bevonden’ is de verkorte weergave. Het is nog steeds een min of meer bekende uitdrukking en betekent zoveel als: iemand is grondig beoordeeld maar blijkt niet geschikt te zijn.