Tekst van de dag De Heer trekt zich terug
Lezen: Exodus 33 : 1 – 11
Dinsdag 15 september 2020 Exodus 33 : 2 – 3
Ik zal een engel vóór u uit zenden – Ik zal de Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten verdrijven – naar een land dat overvloeit van melk en honing. Maar Ik zal Zelf niet in uw midden meetrekken, [1]omdat u een halsstarrig volk bent en Ik u anders onderweg zou vernietigen.
(BGT) Ik zal een engel voor je uit sturen. En ik zal de andere volken daar wegjagen: de Kanaänieten, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Ga naar dat land, waar genoeg te eten en te drinken is voor iedereen, meer dan genoeg. Maar ik ga zelf niet met jullie mee. Want de Israëlieten willen nooit naar me luisteren. Ik zou onderweg zo kwaad op ze worden, dat ik ze zou doden.’
Aantekening
Exodus 33 : 1 – 23 > Mozes’ voorspraak voor het volk. Na het drama met het gouden kalf (Exodus 32:1-35) ontstaat er hevige spanning als de Heere zegt dat Hij niet Zelf met hun wil meegaan (Exodus 33:1-6), en Mozes de voorlopige ‘tent van ontmoeting’ opzet, wat vragen opwerpt over de toekomstige tabernakel (Exodus 33:7-11). In deze gebeurtenissen ontplooit Mozes zich meer en meer als verbondsmiddelaar, als hij opnieuw (zie Exodus 32:9-14) tussenbeide komt voor het volk (Exodus 33:12-23).
Exodus 33 : 1 – 8 > God draagt Mozes op het volk naar Kanaän te leiden en belooft weer een engelmee te zenden (zie Exodus 23:20). Maar, zegt Hij, omdat Israël zo’n halsstarrig volk is (ook Exodus 33:5; 32:9; 34:9), zal Hij niet in uw midden meetrekken, om te voorkomen dat het hun vernietiging wordt. Als Mozes weer voor het volk bidt, zal hij God vragen toch mee te gaan, omdat ze nu eenmaal zijn zoals ze zijn en vergeving nodig hebben (zie Exodus 34:8-9).
[1] Exodus 32:9; Deuteronomium 9:13