Tekst van de dag Apart
Woensdag 25 – Maart – 2020 Exodus 8 : 22
Lezen: Exodus 8 : 12 – 28
Maar op die dag zal Ik de landstreek Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen, zodat daar geen steekvliegen zullen zijn, opdat u zult weten dat Ik, de HEERE, in het midden van het land aanwezig ben.
(BGT) Maar in Gosen, waar de Israëlieten wonen, zullen geen steekvliegen zijn. Want de Heer maakt verschil tussen uw volk en zijn eigen volk. Daardoor zult u begrijpen dat de Heer in uw land is.
Aantekening
Exodus 8 : 22 (HSV) ( vers 18 BGT) > De landstreek Gosen (vermoedelijk de oostelijke Nijldelta) is oorspronkelijk door de farao die Jozef kende en waardeerde aan Jakob en zijn familie gegeven (Genesis 47:4-6; vgl. Genesis 45:10; 46:28). Een van de redenen is toen geweest dat de Israëlieten en hun leefwijze de Egyptenaren een gruwel waren (zie Genesis 42:32; 46:34). Nu de Heere verschil wil maken tussen Egypte en Gosen, moet de waarde die Hij aan Gosen toekent voor het besef van de Egyptenaren wel de omgekeerde wereld zijn! opdat u zult weten dat Ik, de Heere, in het midden van het land aanwezig ben. De Heere noemt herhaaldelijk als doel van de plagen dat de farao (en Egypte) zal weten Wie Hij is (zie aantekening bij Exodus 7:5). Namelijk dat Hij de Heere is (zie Exodus 3:14-15) en dat Hij aanwezig is, aan het werk ten behoeve van Zijn volk Israël (zie Exodus 6:1-7).
Aantekening bij Exodus 7:5 > Exodus 7 : 5 > Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de Heere ben. In Gods uitspraak horen we die van de farao terug: ‘Wie is de Heere …? Ik ken de Heere niet …’ (Exodus 5:2). De Heere zegt het meermalen uitdrukkelijk als het doel van de plagen (zie Exodus 7:17; 8:10, 22; 14:4, 18). In het Nederlands kan de uitspraak klinken als: ‘dan weten ze dat ik God ben’. Maar het Hebreeuwse woord voor ‘de Heere’ is de Naam waarmee God Zich bij de brandende doornstruik aan Mozes heeft geopenbaard (Exodus 3:14-15). Dus de bedoeling is: dat ze dan weten dat Hij Israëls Verbondsgod is. In de geschiedenis van de plagen komen ook andere beschrijvingen van de Heere voor (zie Exodus 8:10, 22; 9:14,29; 11:7), maar de hoofdbedoeling is steeds Gods Zelfopenbaring door Zijn machtige daden. Met de uitspraak ‘zullen … weten dat ik de Heere ben’ openbaart de Heere Zich als God van Israël, en dat zowel aan Israël zelf (Exodus 6:6; 10:2; 16:12; 29:46; vgl. Deuteronomium 4:35; 7:9) als aan Egypte (Exodus 7:5, 17; 8:22; 14:4, 18). Dezelfde uitspraak komt veel voor in Ezechiël. Daarmee doet God Zich gelden, met name tegenover Zijn ongehoorzame volk, maar ook tegenover de heidenvolken (bv. Ezechiël 28:22; 36:23).