Dagelijks Woord

Dagelijks Woord

Maandag 02 september 2019 – Jakobus 2:8-9

Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift: [1]U zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan handelt u goed. Maar als u met aanzien des persoons handelt, begaat u een zonde en wordt u door de wet ontmaskerd als overtreders.

(BGT) Doe wat God in zijn volmaakte wet van je vraagt. Zo staat het in de heilige boeken: «Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf. » Als je dat doet, dan leef je goed.Maar als je sommige mensen beter behandelt dan andere mensen, doe je het verkeerd. Dan is het duidelijk dat je je niet aan Gods wet houdt.

Aantekening

Jakobus 2 : 8  >  de koninklijke wet (Grieks basilikos), d.w.z. ‘de wet die de koning toebehoort’. Hier verwijst Jakobus naar de wet van God in Leviticus 19:18 (‘uw naaste liefhebben als uzelf’; vgl. Mattheüs 22:34-40) als het fundament van koninklijke regels voor ethisch gedrag. Vgl. Romeinen 13:8-10.

Jakobus 2 : 9  >  aanzien des persoonsis tegengesteld aan het gebod van de liefde (vers 8). Begunstiging van de rijken schendt het oudtestamentische gebod de armen rechtvaardig te behandelen (Leviticus 19:15; Deuteronomium 16:19; Job 34:19) en is een ernstige overtreding van Gods wet. 

Aantekeningen Studiebijbel in Perspectief

Jakobus 2 : 8  >  Wanneer u echter … dan handelt u juist: anderen lezen: ‘Wanneer u zich daarentegen laat inspireren door dit woord uit de Schrift: “Heb uw naaste lief als uzelf”, dan vervult u de wet van het koninkrijk van God, en doet u het goede’. het koninklijke gebod: andere vertaling: de wet die alle andere wetten te boven gaat. Heb uw naaste lief als uzelf: Lev. 19:18. Dit gebod dat vaak in het NT door Jezus en de apostelen wordt aangehaald (Rom. 13:9; Gal. 5:14) wordt beschouwd als samenvatting van de wet. Het wordt geassocieerd met de liefde voor God, zie Mat. 22:34-40. Jakobus spoort zijn lezers aan om heel de wet van het OT in het licht van het liefdesgebod te lezen.


[1]  Leviticus 19:18; Mattheüs 22:39; Markus 12:31; Romeinen 13:9; Galaten 5:14; Efeze 5:2; 1 Thess. 4:9.