Dagelijks Woord
Donderdag 06 juni 2019 – Hebreeën 1:1-2
Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, Die Hij [1]Erfgenaam gemaakt heeft van alles, [2]door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.
(BGT) Vroeger sprak God op allerlei manieren tegen onze voorouders, via de profeten. Maar nu Gods nieuwe tijd begonnen is, heeft hij tegen ons gesproken via zijn Zoon.Gods Zoon was er al in het begin. God liet hem de hemel en de aarde maken. En nu heeft God alles wat er bestaat, aan hem gegeven.
Aantekening
Hebreeën 1 : 1 > voorheenstaat hier tegenover dezelaatste dagen. Twee Griekse woorden met hetzelfde voorvoegsel (polumerös en polutropös) benadrukken de vele malenen vele wijzenwaarop God sprak: door de profeten.In het Joodse denken vallen hieronder de auteurs van de historische en de profetenboeken van het Oude Testament (ook Mozes en David: vgl. Deuteronomium 18:15; Handelingen 1:16; 3:22; 4:25; 7:37; 26:22). De vaderenzijn de oudtestamentische aartvaders (vgl. Hebreeën 3:9; 8:9), de auteur beschouwt hen als de geestelijke voorouders van zijn lezers. Behalve de hierboven genoemde tegenstelling tussen ‘voorheen’ en ‘deze laatste dagen’ staan er in Hebreeën 1:1 nog drie: de boodschapper (profetenen Zoon); de ontvangers (vaderenen ons); en, begrijpelijkerwijs, de ene en laatste openbaring in de Zoon tegenover de ‘vele malen’ en ‘vele wijzen’. Deze laatste openbaring was eenmalig en eenduidig in en door Gods Zoon. Omdat God het laatst en het volmaaktst in de Zoon heeft gesproken, en omdat het Nieuwe Testament – toen dat werd geschreven – van deze grootste openbaring verslag heeft gedaan, is de canon van de Heilige Schrift afgesloten. Er zijn geen nieuwe boeken meer nodig die uitleggen wat God door Zijn Zoon heeft bewerkt. Nu wachten de gelovigen op Zijn terugkomst (Hebreeën 9:28) en de toekomstige stad (Hebreeën 13:14).
Hebreeën 1 : 2 > Jezus is de Erfgenaam… van alles(d.w.z. Hij ‘erft’ de hele schepping van Zijn Vader) krachtens Zijn Zoonschap ( Hebreeën 1:4). Uit het feit dat door Hem de wereldis geschapen, blijkt duidelijk Zijn bestaan van eeuwigheid af aan, Zijn autoriteit, macht en volledig God zijn. Vgl. Johannes 1:3, 10; Kolossenzen 1:16.
Aantekeningen Studiebijbel in Perspectief
Hebreeën 1 : 1 > tot de voorouders: de voorgaande generaties van het Joodse volk, waarvan de christenen in het NT zich als erfgenamen beschouwden. profeten: in brede zin op te vatten: allen door wie God zich in het OT heeft geopenbaard.
Hebreeën 1 : 2 > nu de tijd ten einde loopt: de laatste periode van de geschiedenis, die is begonnen met de komst van Jezus Christus, zie 1 Kor. 10:11. erfgenaam: als erfgenaam (1) volgt hij alle profeten op en vervult hun aankondiging, en (2) bezit en beheerst hij alles wat hij geschapen heeft (zie Ps. 2:7, 8). door wie hij de wereld heeft geschapen: vgl. Joh. 1:1-3, Kol. 1:16, Pred. 8:22-31.
[1] Mattheüs 21:38
[2] Genesis 1:3; Psalm 33:6; Johannes 1:3; Efeze 3:9; Kolossenzen 1:16