Dagelijks Woord
Zondag 10 maart 2019 – Galaten 1:3-5
[1]Genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus, [2]Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
(BGT) Ik wens jullie toe dat God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus goed voor jullie zijn en jullie vrede geven. Ook de andere christenen hier wensen jullie dat toe.Jezus heeft zijn leven voor ons gegeven. Daarom zijn onze zonden vergeven en zijn we bevrijd uit deze slechte wereld. Dat wilde God, onze Vader.Alle eer aan God, voor altijd en eeuwig! Amen.
Aantekening
Galaten 1 : 3 > Zoals zo vaak in zijn brieven wenst Paulus zijn lezers genade(Gods onverdiende gunst) en vrede(Gods zegening van welzijn) toe.*
Galaten 1 : 4 > Die zichzelf gegeven heeft voor onze zonden.Paulus is vol van het verlossende werk van Christus aan het kruis, en daarom zegt hij dit helemaal aan het begin van de brief. Jezus redt christenen niet alleen van hun zonden, Hij bevrijdt hen ook uit de slavernij van de wereld. Paulus legt later uit dat als de Galaten onder de wet willen zijn, zij in wezen in de tegenwoordige slechte wereld
(Galaten 3:22-26; 4:1-11) willen blijven, een wereld gescheiden van Christus totdat Hij terugkomt.
Galaten 1 : 5 > Hem zij de heerlijkheid.Dis is niet zomaar een vaste uitdrukking. Het is een uiting van de drang van Paulus om deze centrale waarheid van de schrift te verdedigen en te bewaren: dat God Israël en de gemeente uitkoos omwille van Zijn eigen Naam; dat Hij Zijn volk verloste in Christus voor Zijn eer en glorie, en dat Hij gelovigen oproept om Zijn heerlijkheid in de wereld bekend te maken. Degene die de Galaten op het verkeerde pad brengen, doen dit omdat zij ‘zich mooi willen voordoen naar het vlees’ (Galaten 6:12), terwijl Paulus aan het eind van de brief duidelijk stelt dat zijn enige verlangen is om alle glorie aan Christus te geven (Galaten 6:14).
[1] Romeinen 1:7; 1 Korinthe 1:3; Efeze 1:2; 1 Petrus 1:2
[2] Mattheüs 20:28; Galaten 2:20; Efeze 5:2; Titus 2:14; Hebreeën 9:14