Tekst voor Vandaag

TEKST VOOR VANDAAG

1 JOHANNES 4 : 16 

DAG 134

LEZEN: 1 JOHANNES 4 : 11 – 21 

THEMA: God is liefde

(HSV) [16] En wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.               

(BGT) [16] We hebben Gods liefde leren kennen toen we in Christus gingen geloven. Gods liefde is in ons. God is liefde. Iedereen die in liefde leeft, hoort voor altijd bij God. En God blijft voor altijd in hem.          

Aantekening

1 Johannes 4 : 16  wij hebben … gekend en geloofd. Heilszekerheid, zonder zelfingenomenheid, kan zich vastzetten in het verstand en in het hart (zie aantekening bij 1 Johannes 2:3; 5:13).

Aantekening bij 1 Johannes 2:3  En hiervoor weten wij. Heilszekerheid (zie aantekening bij 2 Petrus 1:10). 1 Johannes biedt verschillende punten van zelfonderzoek (vgl. 1 Johannes 1:7; 2:5; 3:14; 4:13; 5:2). Hier is het punt ethisch van aard: hebben belijdende christenen een veranderd leven en nemen ze Gods geboden in acht? Niet dat gehoorzaamheid aan God rechtvaardigheid bewerkt (die komt alleen door geloof), maar gehoorzaamheid als levenspatroon laat zien dat iemand wedergeboren is. Hem kennen betekent een persoonlijke relatie die de levenspraktijk hervormt.

Aantekening bij 1 Johannes 5:13  Geloof geeft vast vertrouwen. Johannes schrijft aan gelovigen die hun gemeente hebben zien scheuren (vgl. 1 Johannes 2:19). Het geloof kan soms (in tijden van onzekerheid) aangevochten worden en wankelen, opdat u weet. Het is voor christenen mogelijk om heilszekerheid te hebben (vgl. 1 Johannes 2:3; 3:14; aantekening bij 2 Petrus 1:10).

Aantekening bij 2 Petrus 1:10 Christenen moeten zich ‘beijveren’ om hun roeping en verkiezing (Grieks ‘ekloge’vast(Grieks bebaios, ‘betrouwbaar, onveranderlijk, hecht’) te maken. God roept gelovigen tot geloof door het Evangelie (2 Thessalonicenzen 2:14), maar Hij heeft hen ook verkozen ‘vóór de grondlegging van de wereld’ (Efeze 1:4). Gods genade in de verlossing mag niet vanzelfsprekend worden beschouwd. Groeien in de christelijke deugden, genoemd in 2 Petrus 1:5-7, zal de gelovigen een toenemend vertrouwen geven dat God hen echt heeft geroepen, en dat Hij hen werkelijk tot zaligheid heeft uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld. Zo wordt hun verkiezing ‘vast’, als een stevig fundament. Zij die deze dingen doen, zullen nooit meer struikelen, wat waarschijnlijk duidt op afvalligheid (afval van het geloof). Goede werken zijn het bewijs van en geven de zekerheid tot zaligheid, al zijn ze er nooit de basis voor. Petrus’ bewoordingen betekenen niet dat ware volgelingen van Christus ooit ontrouw kunnen worden; zij die afvallig worden, waren nooit echt ‘geroepen’, ‘uitverkoren’ of wedergeboren (vgl. aantekening bij Johannes 6:39; 6:40; 10:26-29; 1 Thessalonicenzen 1:4; Hebreeën 6:4-8).

Aantekingen: Johannes 6:39 alles wat Hij Mij gegeven heeft. Allen die de Vader heeft uitverkoren en aan de Zoon heeft ‘gegeven’ om hen te behouden, zullen dus werkelijk behouden worden. In vers 40 licht Jezus verder toe dat deze mensen, die de Vader Hem heeft ‘gegeven’, ook degenen zijn die in de Zoon geloven en ‘eeuwig leven hebben. Johannes 6:40ieder die … in Hem gelooft. Dit houdt in dat geen enkele ware gelovige ooit zijn of haar behoud zal verliezen, omdat ieder die in de Zoon gelooft eeuwig leven heeft en zal standhouden als gelovige tot het oordeel (de laatste dag), en dan zal Jezus hem doen opstaan inde volheid van eeuwigleven. Johannes 10:26-29 Degenen die van Mijn schapen zijn (d.w.z. door Hem zijn uitgekozen) zijn zij die in Jezus geloven. Als mensen niet geloven, komt dit doordat zij niet van Jezus’ schapen zijn: God moet hun eerst het vermogen geven om te geloven en hen met een nieuw hart toevoegen aan Jezus’ kudde (zie Johannes 1:13; 6:44). eeuwig leven (10:28) kan iemand niet worden ontnomen (zie aantekening bij 6:40), want Jezus’ schapen zijn het eigendom van Hem en de Vader. uit Mijn hand rukken in 10:28 en 29 suggereert geweld. Dat lukt niet bij de goede Herder. Wel bij een ‘huurling’ (vers 12-13), die de kudde in de steek laat en vlucht. Vgl. Jesaja 43:13. 1 Thessalonicenzen 1:4 De uiteindelijke grond voor Paulus’ zekerheid omtrent de uitverkiezing van de Thessalonicenzen is dat zij geliefde broeders zijn. Gods liefde is de dragende grondslag van de verkiezing (Efeze 1:4-5; vgl. Romeinen 8:35-39; 11:28). verkiezing (Grieks ‘eklogë, ‘keuze, selectie, verkiezing’) verwijst naar Gods voorafgaande soevereine daad van het bestemmen van mensen voor het eeuwige leven.* Paulus maakt uit de gebeurtenissen tijdens de zendingsreis op dat de Thessalonicenzen uitverkoren zijn. Daarom kan hij hen geruststellen dat zij voor eeuwig geborgen zijn. Hebreeën 6:4-8 Dit gedeelte is onderwerp van veel – aanzienlijk van elkaar verschillende – interpretaties geweest. Het punt is of de uitspraken in vers 4-5 (bv. ‘verlicht’, ‘de hemelse gave geproefd’, ‘deelgenoot … van de Heilige Geest’, ‘het goede Woord van God geproefd’) op hen van toepassing zijn die ooit werkelijk christen zijn geweest. (1) Sommigen beweren dat dit op ware christenen slaat. Dus christenen kunnen ‘afvallig’ worden en hun zaligheid verliezen. (maar vgl. 3:14 en aant., waardoor hiermee een fundamenteel probleem ontstaat). Toch zeggen de meeste voorstanders van deze visie dat een afvallige terug kan keren tot het christelijke geloof. Maar dan geld Hebreeën 6:4-6 alleen voor de hardnekkige afvalligen bij wie het ‘onmogelijk’ is hen weer opnieuw tot bekering te brengen’ (vers4, 6). (2) Zij hebben volledig deelgehad aan de gemeenschap (waarin zij het verlichte Woord Gods ontvingen, bekeringen gezien hebben en de Heilige Geest op krachtige wijze werkte). Maar toch beweren de meesten dat wanneer zulke mensen ‘afvallig’ worden, het duidelijk is dat zij niet werkelijk christen zijn. Zij hebben immers het Evangelie niet in waarheid en getrouwheid aangenomen, anders hadden zij deel aan het ware geloof, de liefde en de volharding gehad (vers 9-12). Het is opmerkelijk dat ze vergeleken worden met de aarde die veel regen ontvangt maar geen vrucht voortbrengt, alleen ‘dorens en distels’ (vers 8). Zij hebben dus ogenschijnlijk deelgehad in de christengemeenschap en wellicht zelfs de zegeningen van de gemeenschap genoten, maar net als zaad dat op de rotsbodem valt, hebben zij ‘geen wortel in zichzelf’ (Markus 4:17) en worden ze ‘afvallig’ als er vervolgingen komen. (3) Nog een ander gezichtspunt is dat de waarschuwingen bestemd zijn voor de ware gelovigen, en al zullen zij nooit helemaal afvallen, gebruikt God dit toch als oproep voor hen om het geloof vast te houden. Zo wil God hen die Hij uitverkoren heeft, bewaren. (4) Een vierde standpunt is dat ‘afvallig worden’ in Hebreeën 6:6 te maken heeft met het verlies van de hemelse voorrechten. Ondanks dat de auteur beseft dat er misschien enkelen in de gemeenschap zijn voor wie vers 4-8 geldt, denkt hij al met al niet dat dit voor de hele gemeente geldt aan wie hij schrijft. Hij zegt immers: ‘wat u betreft zijn wij echter overtuigd van betere dingen, die met de zaligheid samenhangen’ (vers 9).  

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *