| Dag tekst – 162 |
Lezen: Handelingen 7 : 1 – 16
Tekst voor vandaag: Handelingen 7:6
HSV: [6] En zo sprak God uit [1]dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en dat ze hen tot slaven zouden maken en slecht zouden behandelen, [2]vierhonderd jaar lang.
Overdenking: Vandaag lezen wij een gedeelte van de toespraak die Stefanus hield voor de hogepriester en is de langste toespraak in Handelingen. Er worden gedeelten uit het Oude Testament aangehaald. Waaronder Abraham, Jozef, Mozes maar ook de afvalligheid van Israël. In dit eerste gedeelte werd dus gesproken over de gehoorzaamheid van Abraham en de belofte die hij kreeg. Verder kwam aan de orde de jaloersheid van Jakobs zonen, die Jozef als slaaf verkochten. Maar God was met Jozef. Jozef werd door Gods genade en wijsheid aangesteld als bestuurder van Egypte en redde daardoor zijn volk van de hongerdood. Jakob kwam wonen in Egypte en stierf daar. Jozef liet zijn vader begraven bij Abraham in Sichem. Daar had Abraham voor een geldbedrag het graf gekocht. Stefanus herinnert hier ook aan de belofte die God aan Abraham en dus aan de hele familie gezworen had te geven. Die familie bestond toen uit 75 man, maar groeide in vierhonderd jaar uit tot een groot volk.
NBV-21: [6] God zei tegen Abraham dat zijn nakomelingen vierhonderd jaar in een vreemd land zouden wonen, waar ze in slavernij zouden leven en slecht behandeld zouden worden.
BGT: [6] God zei tegen hem: ‘Je nakomelingen zullen eerst in een ander land wonen. Daar zullen ze vreemdelingen en slaven zijn. Ze zullen er onderdrukt worden, vierhonderd jaar lang.
[1] Genesis 15: [13] Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.
[2] Genesis 15: [16] De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.
Exodus 12: [40] De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.
Galaten 3: [17] Dit nu zeg ik: Het verbond, dat eertijds door God rechtsgeldig was gemaakt met het oog op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderddertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belofte teniet te doen.