Sabbat
Verwijzing bij Jesaja 56 : 2 (verwijzing van Jesaja 58 : 13 – 14)
Romeinen 14 : 5 De een acht de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Laat ieder in zijn eigen geest ten volle overtuigd zijn.
Aantekening: 5 De zwakken dachten dat sommige dagen belangrijker waren dan andere. Gezien de Joodse achtergrond (zie vers 14) gaat het hier waarschijnlijk vooral om de dag van de sabbat. De sterken denken dat elke dag hetzelfde is. Beide visies zijn geoorloofd. Iedereen moet zijn eigen geweten volgen. Het is opmerkelijk dat Paulus het houden van de sabbat niet langer meer als bindende verplichting ziet, maar een zaak van persoonlijke overtuiging. Anders dan de andere negen geboden in Exodus 20:1-17 lijkt het gebod de sabbat te houden deel te zijn geweest van de ‘ceremoniële wetten’ van het Mozaïsche verbond, zoals de voedselwetten en de offerwetten, die nu niet meer gelden voor de gelovigen van het nieuwe verbond (zie ook Galaten 4:10; Kolossenzen 2:16-17). Toch is het nog steeds verstandig om regelmatig tijd te nemen om te rusten van het werk. Ook wordt de christenen bevolen om regelmatig samen te komen om te aanbidden (Hebreeën 10:24-25; vgl. Handelingen 20:7).
Mattheüs 12 : 6Ik zeg u echter dat hier Iemand is Die meer is dan de tempel.
7Maar als u geweten had wat het betekent: Ik wil barmhartigheid en geen offer, dan zou u de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
8Want de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.
De man met de verschrompelde hand
9En Hij vertrok vandaar en kwam in hun synagoge.
10En zie, er was iemand die een verschrompelde hand had. En ze vroegen Hem: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? Dit om Hem te kunnen beschuldigen.
11Hij zei tegen hen: Welk mens onder u die één schaap heeft, zal het niet, als het op een sabbat in een kuil valt, grijpen en eruit tillen?
12Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven! Daarom is het geoorloofd op de sabbatdagen goed te doen.
Aantekening: 6 Die meer is. De sabbat wijst op Jezus (zie vers 8). Hij geeft ‘rust’ van de onmogelijke opdracht om je behoud te verdienen met goede werken (vgl. Mattheüs 11:28).
7 Ik wil barmhartigheid en geen offer. [aantekening bij Mattheüs 9:13: Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars. Voor de Farizeeën is Jezus’ offer voor de verlossing van zondaars een bedreiging voor hun levenswijze. Toch is dat de kern van het Evangelie van Christus. Ik wil barmhartigheid en geen offer is uit Hosea 6:6*. ‘Offer is het houden van de godsdienstige voorschriften, maar voor God was ‘barmhartigheid’ belangrijker (de LXX gebruikt het Grieks ‘eleos, ‘barmhartigheid’, als vertaling voor het Hebreeuws chesed, dat ‘standvastige liefde’ betekent, ook wel als ‘goedertierenheid’ vertaald), waardoor de Farizeeën deze zondaars zouden gaan liefhebben als Jezus deed.]
8 de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat. Jezus stelt de uitleg van de Farizeeën ter discussie, niet de wet op de sabbat zelf, Jezus gaf met `messiaans gezag uitleg aan elk aspect van de wet (vgl. Romeinen 5:17-48) en maakt hier duidelijk dat de Farizeeën blind zijn voor de werkelijke bedoeling van de sabbat: rust en welzijn. Dit laatste argument is het doorslaggevende antwoord op de aanval van de Farizeeën (Romeinen 12:2). Om Wie Hij is, heeft Jezus het recht en het gezag om de wet uit te leggen.
9 – 10 op de sabbatdagen te genezen. Het rabbijnse onderwijs gaf talloze minutieuze regels voor welk ‘werk’ verboden was op de sabbat. Maar deze wettische regeltjes zijn nooit Gods bedoeling geweest met de wet van het Oude Testament*. Jezus’ tegenstanders vonden dat de sabbat alleen in het zeldzame geval van leven of dood gebroken mocht worden. Dat was niet het geval bij de man met de verschrompelde hand. Zij vonden dat de genezing tot na de sabbat had moeten wachten.
11 – 12 Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven! Jezus zet de waarde van een dier tegenover die van een mens [aantekening Mattheüs 6:26: een mens gaat dieren ver te boven (vgl. Mattheüs 10:31; 12:12), want van alle schepselen die God gemaakt heeft, is de mens geschapen ‘naar Zijn beeld’ (Genesis 1:27). God gaf de mens heerschappij over de aarde en over heel de schepping (Genesis 1:28), en omdat Hij de mens zo liefhad, gaf ‘Hij Zijn eniggeboren Zoon’ om voor onze zonden te sterven (Johannes 3:16). en stelt dat de diepere zin van de sabbat niet is om gewoon niets te doen, maar om op de sabbatdagen goed te doen.
Markus 2 : 27En Hij zei tegen hen: De sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat.
28Daarom, de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.
Aantekening: 27 – 28 De sabbat is gemaakt ter wille van de mens. Vervolgens [aantekening bij vers 25 en 26: Jezus begint met te zeggen dat de wel heel stringente Farizese wetsinterpretatie de noodsituatie waarin David met zijn mannen verkeerde, buiten beschouwing laat (1 Samuël 21:1-6). David at van de toonbroden. Daaruit volgt dat in geval van nood op de sabbat handelingen geoorloofd zijn die dat gewoonlijk niet zijn. ten tijde van Abjathar, de hogepriester. Het genoemde voorval met David heeft eigenlijk niet plaats gehad toen Abjathar hogepriester was, maar ten tijde van zijn vader Achimelech (1 Samuël 21:1). Grieks ‘epi ‘Abjathar kan betekenen: (1) ‘toen Abjathar leefde, de latere hoogepriester’ (de naam van Abjathar zal zijn gevallen omdat hij bekender was), of (2) ‘in [het schriftgedeelte over] Abjathar, de hogepriester’ (waarbij ‘epi duidt op een plaats in de schrift, zoals in Markus 12:26: ‘in [het gedeelte over] de doornstruik’). Abjathar, de enige zoon van Achimelech die de slachting van Doëg heeft overleefd (1 Samuël 22), is de bekendste hogepriester in het betreffende deel van 1 Samuël.] verklaart Jezus dat de sabbat er niet is om de mens in te perken, maar juist als een geschenk aan de mens is gegeven (voor geestelijke en lichamelijke verademing). Weer benadrukt Jezus Zijn gezag als de Zoon des mensen*. Als de sabbat bedoelt is voor het welzijn van de mens, en de Zoon des mensen Heere is over de hele mensheid, is de Zoon des mensen dus Heere, óók van de sabbat.
Johannes 5 : 10 De Joden dan zeiden tegen hem die genezen was: Het is sabbat, het is u niet geoorloofd de ligmat te dragen.
Aantekening: 10 Het is sabbat. Het Oude Testament bevat geen verbod op zo’n onbeduidende handeling als een ligmat dragen op sabbat (vgl. Exodus 20:8-11). Maar in de latere Joodse overlevering had men er honderd gedetailleerde regels over gevormd welke soorten ‘werk’ op sabbat verboden waren. En zo verbood een bepaling het dragen van iets ‘van het ene domein naar het andere’ (Misjna, Sjabbat, 7.2). Jezus gaat geen rabbinale discussie aan over wat als werk moet gelden. Hij zegt gewoon dat Hij ‘werkt’ net als God (Johannes 5:17). En, zoals de synoptische evangeliën weergeven, Hij is de Heere van de sabbat (vgl. Mattheüs 12:8; Markus 2:28; Lukas 6:5).
Johannes 5 : 17 Maar Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.
Aantekening : 17 Mijn Vader suggereert een veel diepere verbondenheid met God dan andere mensen hebben (zie Johannes 20:17). Als Jezus zegt: Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook’, houdt dit in dat Hij evenals Zijn Vader boven de sabbat staat, en verklaart Hij hiermee dus Goddelijk te zijn. Deze joden beseften dat ook (zie Johannes 5:18), want rabbijnen geloofden dat God van Wie in Genesis 2:2-3 staat dat Hij op de zevende scheppingsdag rustte (Hebreeuws sjabbat), de schepping voortdurend onderhoudt, zonder daarmee de sabbat te verbreken. (In Johannes 7:22-23 gebruikt Jezus een ander argument voor genezing op de sabbat; zie ook aantekening bij Johannes 9:14.)
Johannes 9 : 14 En het was sabbat toen Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.
Aantekening 14 Helemaal aan het eind lezen we dat het sabbat was (vgl. Johannes 5:9*, bij Mattheüs 12:8). De sabbatdiscussie van Johannes 5 laait weer op. Jezus heeft met speeksel aarde tot slijk gekneed, en kneden (van deeg, en dus ook van aarde) hoorde bij de 39 soorten werk die golden als verboden (Misjna, sjabbat, 7.2). Jezus herhaaldelijke conflict met de Joden over de sabbat duidt erop dat Jezus met Zijn komst de sabbatsvoorschriften verandert (zie Johannes 5:17).
Galaten 4 : 10 U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren.
Aantekening : 10 dagen, maanden, tijden en jaren hebben allemaal te maken met de ceremoniële wetten van het Mozaïsche verbond (vgl. Leviticus 23:5, 16, 27; 25:4). Als zij van christenen verlangen dat zij zich houden aan deze oudtestamentische wetten, is dat het verwerpen van het Evangelie van rechtvaardiging door geloof alleen, in Christus alleen. Het is immers duidelijk dat christenen niet langer onder het verbond van Mozes staan. Sommigen zien ‘dagen’ in dit vers als bewijs dat het Joodse sabbatsgebod een deel was van de ceremoniële wet die christenen onder het nieuwe verbond biet meer hoeven te volgen (vgl. Handelingen 20:7; 1 Korinthe 16:2; Kolossenzen 2:16-17). Anderen zijn van mening dat het gebod om wekelijks de sabbat te houden niet tijdelijk is, maar teruggaat op Gods scheppingsorde (Exodus 20:8-11) en dat it vers alleen gaat over andere rustdagen in de Joodse feestkalender.
Kolossenzen 2 : 17Deze zaken zijn een schaduw van de toekomstige dingen, maar het lichaam is van Christus.
Aantekening 17 een schaduw van de toekomstige dingen. De verplichtingen van het oude verbond wezen op een toekomstige werkelijkheid, die nu vervuld is in de Heere Jezus Christus (vgl. Hebreeën 10:1). Christenen zijn daarom niet langer onder het Mozaisch verbond (vgl. Romeinen 6:14-15; 7:1-6; 2 Korinthe 3:4-18; Galeten 3:15-4:7). Christenen zijn niet langer verplicht om de oudtetamentische spijswetten te houden (‘eten of drinken’) of hoogtijdagen, feestdagen of speciale dagen (‘een feestdag … nieuwe maan … sabatten’, Kolossenzen 2:16), want datgene waar deze dingen een voorafschaduwing van waren is nu vervuld in christus. Er wordt over gediscussieerd of onder de sabatten in kwestie ook de reguliere rust van de zevende dag uit het vierde gebod viel, of dat ze alleen de speciale sabbatten betroffen van de Joodse feestkalender.
Hebreeën 4 : 8 Want als Jozua hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag.
9 Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God,
10 want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.
Aantekening : 8 – 10 Want als Jozua hen al in de rust gebracht had. Het is logisch te denken dat het Joodse volk de ‘rust’ die ze zochten, vonden toen ze het Beloofde Land binnengingen. Maar dat speelde in de dagen van Jozua, en Psalm 95 (die spreekt over ‘heden’ Gods rust binnengaan) is van na die datum (‘zo lange tijd daarna’, Hebreeën 4:7). Daarom blijft er een sabbatsrust over voor Gods volk, die zij nu ook nog, tijdens hun leven, kunnen binnengaan (vers 9). Deze belofte dat men nog kan ingaan tot Zijn rust, betekent het einde van geestelijke aanvechtingen over de onzekerheid van je uiteindelijk lot. Het betekent de blijdschap over gesteld te zijn in Gods nabijheid, over het delen in de eeuwigdurende vreugde die God Zelf binnenging toen hij rustte op de zevende dag (ver 10).