Dagelijks Woord
Woensdag 17 juli 2019 – Openbaring 1:17-18
En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, [1]Ik ben de Eerste en de Laatste, [2]en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. [3]En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf.
(BGT) Toen ik hem zag, schrok ik heel erg, en ik viel languit op de grond alsof ik dood was. Maar hij legde zijn rechterhand op me en zei:
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben de eerste en de laatste. 18Ik ben degene die leeft! Ik was dood, maar nu leef ik voor altijd en eeuwig. Ik heb de macht gekregen over de dood en het land van de dood.
Aantekening
Openbaring 1 : 17> de Eerste en de Laatste. De Zoon des mensen bevestigt Zijn Goddelijke eeuwigheid en geeft weerklank aan de verhevenheid van de Heere boven de afgoden (Jesaja 41:4; 44:6).
Openbaring 1 : 18> Ik ben dood geweest … Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.Paradoxaal genoeg is deze Eeuwig-Levende gestorven om gelovigen te redden en leeft Hij nu voor eeuwig als ‘de Eerstgeborene uit de doden’ (Openbaring 1:5). Omdat Jezus gestorven en weer opgestaan is, moet Johannes ‘niet bevreesd’ zijn (Openbaring 1:17). Ook de gemeenten moeten niet bevreesd zijn voor de dood, omdat Jezus deze voor altijd heeft overwonnen. Zie 1 Korinthe 15:42-57 over de opstanding van Christus.
Openbaring van Jezus Christus (uit: De openbaring van Jezus Christus J. v.d Schoot)
Bijna alle Bijbelvertalingen noemen dit boek ‘de Openbaring van Johannes’. Terwijl de oorspronkelijke titel ‘Openbaring van Jezus Christus’ is. In de tweede eeuw werd de titel veranderd in de naam van ‘de discipel die Jezus liefhad’ (Johannes 21:20). Waarschijnlijk om dit profetische boek te onderscheiden van allerlei andere, zogenaamd apocriefe ‘Openbaringen’ die er in de vroege Kerk bestonden. Laat er geen twijfel over bestaan, God is de auteur van de gehele Bijbel, zo ook van het laatste Bijbelboek.
[1] Jesaja 41:4; 44:6; 48:12
[2] Romeinen 6:9
[3] Job 12:14; Jesaja 22:22; Openbaring 3:7; 20:1